'De onvoltooide missie is ook na tien jaar nog niet verwerkt'

Ze heeft als sportarts haar eigen adviesbureau en volgt het judo op een afstand. Soms droomt ze van een olympische titel....

Een paar keer per jaar droomt Jessica Gal nog van judo en dan balanceert de voormalig Europees kampioene tussen extremen. ‘Soms is het een vervelende droom en verlies ik. Maar ik ben in mijn dromen ook weleens olympisch kampioen geworden. Diep in mij is dat verlangen tastbaar. Ik heb een onbevredigend gevoel overgehouden aan de wijze waarop mijn carrière is beëindigd.’

De 38-jarige Gal behoorde tot de olympische pioniers. Met Angelique Seriese vertegenwoordigde ze Nederland al in 1988 tijdens de Spelen van Seoul, toen judo voor vrouwen nog een demonstratiesport was. Na haar vierde Olympische Spelen, in 2000 in Sydney, beëindigde Gal haar carrière en begon ze aan een opleiding tot sportarts.

‘Ik heb een mooie erelijst. Maar er ontbreken een paar dingen, een wereldtitel en een olympische medaille. Daar heb ik nog altijd moeite mee. Het is niet meer terug te halen. Ik stopte op mijn 29ste met judo en voor mijn gevoel was ik er klaar mee. Een paar jaar later kwamen de twijfels. Zag ik leeftijdgenoten die nog wel aan judo deden en vroeg ik me af waarom ik in 2000 was gestopt.’

Jenny Gal stond wél op het olympische podium. De twee jaar oudere jaar zus van Jessica behaalde in 1996 in Atlanta een bronzen medaille in de categorie tot 61 kilo. Na haar huwelijk met de Italiaanse judoka Giorgio Vismara deed Jenny voor Italië mee aan de Spelen van Sydney. ‘Ik denk dat Jenny meer vrede had met haar afscheid dan ik’, zegt Jessica Gal.

Hoewel Jenny het grote judotalent van de familie was, behaalde Jessica door haar vechtersmentaliteit aanvankelijk meer succes. Tot Jenny uit de schaduw trad van haar zus. Jessica Gal: ‘Ik vond het heel moeilijk toen de rollen vanaf 1995 werden omgedraaid. Jenny werd tweede bij de WK, ik won niks. Voor mij begon een vervelende periode. Maar Jenny verhuisde al in 1996 naar Italië, waarmee tevens de directe confrontatie verdween.

‘We hebben in een interview weleens gesproken over afgunst en jaloezie. Dat beeld is blijven hangen. Het ging een eigen leven leiden, al werden de problemen tussen ons groter gemaakt dan ze waren. We deden allebei dezelfde sport, dat maakte het lastig. Zeker als de één vervolgens meer succes heeft dan de ander.’

Niet toevallig kreeg Jessica Gal in het seizoen 1995-1996 last van faalangst. Ze liet zich twee jaar begeleiden door een sportpsycholoog. ‘Ik liet me te vaak leiden door angst. De angst dat het niet zou lukken, de angst om me helemaal te geven. Het was juist mijn missie in Sydney nog één keer zonder al die angsten op de mat te staan. Maar negen weken voor de Spelen in 2000 raakte ik geblesseerd.

‘Ik heb alleen de laatste drie weken kunnen trainen. Ik kwam simpelweg te kort, mijn handelingssnelheid was te laag. Met hangen en wurgen heb ik nog één partij kunnen winnen, daarna verloor ik op beslissing van de scheidsrechter. Ik heb veel aan die sportpsycholoog gehad. Maar het werkelijke bewijs dat ik van mijn faalangst was verlost, had in Sydney moeten worden geleverd. En daar is het niet van gekomen.’

Wat restte was een onvoltooide carrière, een ‘open einde’ zoals ze het zelf noemt. ‘Ook na tien jaar heb ik het nog niet helemaal verwerkt.’

Jessica Gal, glimlachend: ‘Ik vond het wel prettig dat Jenny ook stopte in 2000. Eindelijk geen onderlinge competitie meer. We hebben nu totaal andere levens. Zij woont al veertien jaar in Italië. Haar man is bondscoach van de Zwitserse ploeg en Jenny assisteert hem. Maar we hebben allebei kinderen, die ons met elkaar verbinden. We hebben veel contact.’

Direct na de Spelen van Sydney begon de tienvoudige Nederlands kampioene aan een nieuwe loopbaan. Bondscoach Marc Lammers stelde de gelouterde judoka aan als sportarts bij de Nederlandse vrouwenhockeyploeg. ‘Ik heb dat vier jaar met veel plezier gedaan’, aldus Gal.

‘Maar achteraf gezien ben ik er te vroeg mee begonnen. Ik was net gestopt met judo. Ik had al genoeg moeite om arts te zijn, ik moest alles nog uit de boeken halen.’

Nu werkt Gal twee dagen per week als arts bij haar eigen sportmedisch adviesbureau (SMA), dat onderdeel uitmaakt van sportmedisch centrum Fysiomed in Amsterdam. Een dag vervult ze dat beroep in Den Haag, ’s ochtends in ziekenhuis Bronovo, op een steenworp afstand van haar huis.

Het karakter van de topsporter weerspiegelt zich in de gedrevenheid waarmee ze zich ontwikkelt als sportarts. ‘Ik ben eigengereid, wil zelf bepalen wat ik doe’, zegt Gal, in de woonkamer. ‘Zo was ik ook als judoka. Ik was topsporter, maar dat wil niet zeggen dat ik ook direct een toparts ben. Ik wil mijn loopbaan als sportarts goed opbouwen.

‘Ik wil veel kennis verzamelen, een brede basis hebben. Ik ben niet heel erg precies, ik ben dus niet geschikt voor wetenschappelijk onderzoek. Ik ben te impulsief, te ongeduldig om strakke protocollen te volgen.

‘Ik doe veel op mijn gevoel, zoals vroeger in het judo. En ik vind alles mooi. Later moet ik dan weer dingen schrappen, omdat ik te veel hooi op mijn vork heb genomen. Als ik eenmaal schoon schip heb gemaakt, begint dat proces opnieuw.’

Soms botst het als ze haar ervaringen als judoka moet loslaten en de meer behoudende visie van de arts laat prevaleren. Gal: ‘Ik verkeer vaak in een tweestrijd. Het is lastig daarin de juiste weg te vinden. Ik moet de professionaliteit van de arts behouden en niet te veel in de rol van de sporter kruipen. Die grens ben ik continu aan het opzoeken.

Bij de WK judo in Rotterdam genoot Gal van de ambiance. ‘Ik had er achteraf meer van willen zien, want ik besefte dat het mijn wereld was.’

Maar voor judo is nauwelijks plaats in haar leven. Soms voelt ze wroeging. Gal: ‘Mij wordt bijna wekelijks gevraagd of ik nog iets in het judo doe. Maar ik heb gekozen voor het vak van sportarts. Ik heb als moeder van een jochie van 3 geen tijd om er iets naast te doen. Het lijkt alsof ik de sport in de steek heb gelaten. Het zit me niet helemaal lekker.

‘Ik heb soms het gevoel dat ik me moet verantwoorden, ook tegenover mezelf. Dan voel ik me schuldig. Ik begreep het vroeger ook niet als iemand na zijn afscheid helemaal uit het judo stapte. Het zou kunnen dat die onvoltooide missie daarmee te maken heeft. Ik heb er nooit zo over nagedacht. Misschien heeft judo voor mij een negatieve associatie gekregen.’

Na een korte stilte: ‘Ik heb een paar dagen geleden nog gedroomd dat ik judode in de categorie tot 52 kilo. Ik zat altijd in de categorie tot 57 kilo, ik weeg nu 54 kilo. Jaren geleden heb ik weleens overwogen terug te keren bij de lichtgewichten, juist omdat Nederland in de categorie tot 52 kilo geen goede judoka’s had. Het komt geregeld terug. Ik word na zulke dromen niet vrolijk wakker. Het judo zit heel ver weg, maar ergens knaagt er iets.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden