De genoegdoening van de ontdekker

Egon van Kessel geldt als de ontdekker van Michael Boogerd en Leon van Bon. Ze reden bij hem in de nationale juniorenploeg....

EGON VAN KESSEL woont onder aan de dijk in Kerkdriel. Ruim twee jaar geleden zag hij de Tour de France over die dijk razen, aangevoerd door de Rabo-renners.

's Avonds belde Michael Boogerd naar Van Kessel. Of-ie het had gezien? Natuurlijk had hij het gezien. Boogerd vertelde dat die versnelling op de dijk een saluut was aan de mooie tijd die ze samen hebben gehad.

Van Kessel: 'We hebben vroeger veel getraind in deze omgeving en op de dijk was altijd de finale. Wie het eerst bij het hotel was, kreeg een sorbet. Die sorbet deed meer dan een premie van honderd gulden. IJs was bij mij taboe en niets is mooiers dan iets wat anders niet mag.'

Egon van Kessel is champignonkweker van beroep. In zijn kantoor hangt een grote foto waarop zes jongens staan, sigaret in de mond en een fles bier in de hand. 'Die foto heb ik in 1990 bij ons afscheid als geintje cadeau gekregen. De jongens doen daar alles wat ik ze verboden had.'

Vijf jaar was Egon van Kessel coach van de nationale juniorenploeg. De foto is een herinnering aan die mooie tijd, aan de lichting van 1990.

'Links staat Niels van der Steen. Een jongen die de grens van het toelaatbare zocht. Zeer talentvol, maar berekenend. Weinig trainen en maximaal presteren. Is hem uiteindelijk ook opgebroken. Rechts staat Rik Reinerink. Had ik veel van verwacht, heeft het nooit kunnen maken.'

In het midden staan Michael Boogerd, Leon van Bon en Koos Moerenhout. Het zijn de nieuwe diamanten van de Nederlandse wielersport, gedolven en geslepen door Egon van Kessel.

'Ik dacht dat Koos de grootste zou worden. Hij was in die tijd zeker zo goed als Leon en Michael. Een erelijst die klonk als een klok. Maar hij heeft de pech gehad dat hij een paar jaar in de nationale amateurploeg onder Hoekstra heeft gereden. Ik zeg het maar eerlijk. Dat is een periode van verval geweest. Michael en Leon zijn die dans ontsprongen, Koos niet.'

Het verhaal van Egon van Kessel is dat van een man die aan de wieg stond van de nieuwste wielergeneratie en die zich nu afgedankt voelt. Hij vertelt dat verhaal op woensdag, de dag dat Michael Boogerd in het spoor van Jan Ullrich naar de vijfde plaats in het klassement klimt. 'Dat is een genoegdoening, jazeker, richting KNWU, richting sommige bestuurders. Je mag dat rancune noemen, maar ik ben met pijn in het hart weggegaan. Het werd me onmogelijk gemaakt verder te werken.'

Van Kessel begon in 1989 als juniorencoach met als doel de doorstroming te bevorderen en als middel veel buitenlandse etappekoersen. Zijn werkwijze leek veel op die van de Rabobank nu. Bij alle waardering die hij ervoor heeft, ergert Van Kessel zich aan het begeleidende tromgeroffel. Uniek, zoals beweerd, is het niet. 'Dan denk ik: verdomme, zo deden wij het ook.'

Net als Jan Raas selecteerde Van Kessel zijn talent door ze in de Ardennen te beproeven. 'Ik keek naar twee dingen: goed bergop rijden en de tijdrit. Daar is Blijlevens destijds de dupe van geworden.'

Stom, erkent hij achteraf. 'Maar fouten maken we allemaal. Van de 24 jongens die onder mij hebben gereden, zijn er elf prof geworden. Dat is toch bijna 50 procent. Ik ging veel intuïtiever te werk dan ze nu doen. Ik passeerde jongens die vijftig wedstrijden hadden gewonnen en ik heb jongens opgenomen, die niets wonnen. Zoals Michael.'

Egon van Kessel had in zijn eerste jaar een advertentie in het wielerblad geplaatst. Jongens die dachten dat ze goed genoeg waren voor de juniorenselectie, konden zich aanmelden. Eén brief sprong eruit: keurig getikt, fotootje erbij, ondertekend door Michael Boogerd. 'Er was één ding mis met die brief: maar één overwinning in een wedstrijd van lik-me-vestje.'

Een tijdje later zag Van Kessel Boogerd rondjes rijden op de wielerbaan in Alkmaar. 'En ik zag het meteen: dat is een goeie. Zoals hij op de fiets zat. Dat kwam uit zijn heupen, dat draaide. Met die brief erbij dacht ik: die moet ik hebben. Dat is een mannetje met ambitie.'

Het verlossende telefoontje sloeg in als een bom. 'Heel anders dan Leon van Bon. Die reageerde heel nuchter, die had al dertig wedstrijden op zijn naam staan. Leon moest er even over nadenken, zei hij. Ik zeg: je krijgt een uur, dan moet ik het weten. Een heel aardige jongen, maar al wel een grote. Heel anders dan Boogerd, dat was een nobody toen.

'Ik weet nog goed dat er een berg van kritiek los kwam. Niemand kon begrijpen dat ik Boogerd had genomen. De andere jongens in de selectie hadden ook hun twijfels. Een Hagenees, nul uitslagen. Maar vanaf de eerste training werd hij goed opgenomen. Michael is bloedfanatiek, maar ook een gemakkelijke jongen in de omgang.'

Van Kessel herinnert zich die lichting als de meest talentvolle. Plezier beleefde hij aan allemaal. 'Je leert mensen kennen die het kinderlijke verlaten. Ze zijn nog zo puur.'

Hij spaarde zijn pupillen niet. 'Wie lek reed, kreeg van mij een wiel, maar moest op eigen kracht terugkomen in de groep. Goed voor de karaktervorming. En ik wachtte ook nooit op de jongens die gelost waren. Gelost is weg. Ik erger me kapot aan renners die tussen de wagens terugkomen.

'Ik was heel duidelijk in mijn regels. Tijd is tijd en opeten wat je krijgt voorgezet, ook al is het niet lekker. Maar na afloop van de koers was het altijd hartstikke leuk. Je bent vader en moeder, vriend en boeman. Een van de jongens heeft over mij gezegd: hij was streng, rechtvaardig maar ook jongensachtig. Dat vond ik een mooi compliment.'

Met het budget van veertigduizend gulden was het schipperen geblazen voor Van Kessel. 'Alles ging in grote soberheid en dat is die jongens ten goede gekomen. Dat vind ik ook zo'n fout van Rabo. Die junioren leven als profs. Ze raken aan die luxe gewend. Als ze mislukken en overgenomen worden door een andere ploeg, dan is het ook meteen afgelopen.'

Aan tactiek deed Van Kessel niet. 'Tactiek is onzin. Aanvallen moet je. Altijd rijden. Laten zien wie je bent. Dat heeft Van Bon vorig jaar misschien de wereldtitel gekost en Michael heeft ook moeten leren om defensief te rijden. Maar ze zijn er wel groot door geworden.'

Boogerd ging in de juniorenploeg met sprongen vooruit. In zijn tweede jaar behoorde hij met de Pool Baranowski tot de beste klimmers.

Van Kessel had het gevoel goud aangeboord te hebben. 'In de winter van 1990 heb ik Michael met zijn ouders bij mij thuis uitgenodigd. Ik zei: jullie denken misschien dat ik gek ben, maar ik denk dat we hier met een tweede Joop Zoetemelk zitten. Ik ben blij dat ik het toen gezegd heb en niet achteraf. Niemand kan beweren dat ik gek ben.'

Daarna heeft Boogerd nog één jaar deel uitgemaakt van de amateurploeg die toen onder leiding stond van Piet Hoekstra, de latere vrouwencoach. 'Piet en ik lagen sportief gezien ver uit elkaar. Ik weet nog goed het WK in Oslo. Michael was lek gereden, Leon reed niet goed en Hoekstra zegt: je hebt die jongens te veel op een voetstuk geplaatst.

'Ik motiveerde vanuit positivisme. Piet probeerde dat vanuit een negatieve instelling. Hij probeerde ze te prikkelen, maar dat werkt bij weinig mensen. Gelukkig heeft Michael maar een jaar onder Hoekstra gereden. Anders had het slecht kunnen aflopen.'

Boogerd begon in 1992 te tobben met blessures, vooral die aan de achillespees was hardnekkig. 'Achteraf is dat goed geweest. Hij is nu 26 jaar, maar heeft het lichaam van een 24-jarige. Daarvan kan hij nog profijt gaan hebben.'

Nadat het euvel verholpen was, kon Van Kessel zijn twee oogappels bij Raas stallen. 'In 1993, toen het wielrennen in een diep dal zat, heb ik een lijst naar Raas gestuurd. Leon en Michael zijn toen aangenomen, Koos kwam een jaar later.'

Egon van Kessel heeft met alledrie nog veel contact, vooral met Boogerd. Hij kent hem als weinig anderen. 'Ik schat hem nu op 70 procent van zijn kunnen. Hij mist nog dat scherpe, ik zie het aan zijn rijden. Maar hij gaat in deze Tour nog verbeteren. Een derde plaats zit er zeker in, al heeft dat natuurlijk ook met dat hele Festina-verhaal te maken.

'Over twee, drie jaar kan Michael de Tour winnen. Ullrich gaat echt niet zes jaar de Tour winnen. Renners die zo vroeg aan de top komen, houden dat niveau niet vol. Michael gaat alleen maar beter worden.'

TON VAN ENGELEN (48), masseur van Rabobank over de benen.

'Michael heeft ranke, slanke benen. Als ik ze masseer, betrap ik mezelf weleens op de gedachte: 'Hoe kunnen deze benen zo hard de berg op fietsen'.

De kracht van een sprinter kun je voelen. De spieren voelen dik en machtig aan. 'Die is sterk', denk je als ze door je handen gaan. Bij Michael is dat niet zo. De kracht voel je niet.

Ik heb veel benen van grote renners onder handen gehad. Rooks, Theunisse, Breukink: ze hebben allemaal op mijn tafel gelegen. Boogerd kun je het beste met Breukink vergelijken. Zijn bovenbenen zijn misschien iets dunner, zijn kuiten iets dikker.

Voetbalbenen zijn heel anders dan rennersbenen. Ze zijn hard en dik door de plotselinge bewegingen in het veld. Voetballers springen, sprinten en remmen plotseling.

De spieren van renners zijn veel soepeler doordat dezelfde beweging eindeloos wordt herhaald. Ze zijn ook kwetsbaarder. Als Michael een kilometer hardloopt, heeft hij de volgende dag ontzettende spierpijn.

Ik neem Michael vrijwel dagelijks onder handen. Meestal zo'n drie kwartier. Alleen als zijn benen goed zijn, wil hij soms niet lang gemasseerd worden. 'Alleen maar even wrijven Ton, zodat mijn benen goed blijven', zegt hij dan. Dat is een bijgeloof. Hij is bang dat ik de kracht wegwrijf.

In deze Tour heeft hij eigenlijk nog geen last gehad van bijgeloof. Hij voelt zich goed bij de massage. Ik mag masseren wat ik wil, zolang ik zijn benen maar niet slap maak. Het mag vooral niet slap aanvoelen. Hij wil spanning op de spieren.'

BENNIE TEMMERMANS (50), mecanicien van Rabobank over de fiets.

'De fiets van Michael moet altijd precies hetzelfde zijn afgesteld. Dat vindt hij heel belangrijk. Hij meet het niet na, maar hij vraagt er altijd een paar keer naar. 'Staat alles zoals het hoort Bennie', zegt hij dan.

Ik weet precies wat hij wil. De bovenkant van het zadel moet 65 centimeter van het centrum van de trapas staan. De lengte van de zadelpunt tot het stuur is 53 centimeter. Van het stuur tot het centrum van het voorwiel is 56 centimeter en het zadel staat 6 centimeter achter het midden van de trapas.

Dat zijn de maten. Ik ken ze uit mijn hoofd.

Begin dit jaar heeft Michael een nieuw zadel gekregen. Hij heeft er even op gereden en het oude toen teruggevraagd. Anderen hadden geen moeite met de verandering, maar hij wilde zijn oude zadel terug. Dat zat lekker. Misschien was het een beetje doorgezakt.

Echt liefde voor zijn fiets voelt Michael denk ik niet. Hij is absoluut geen versnellingsfreak. Ik monteer de tandwielen zonder overleg. Verder leg ik om de drie dagen nieuwe banden om zijn wielen om de kans op lekrijden zo klein mogelijk te maken. Het stuurlint wordt niet vervangen zolang het proper is.

Michael heeft deze Tour nog geen panne gehad.'

ERIK BREUKINK (34), voormalig ploeggenoot over de rijstijl.

'Michael heeft een herkenbare houding op de fiets. Ik weet nog dat hij me opviel toen ik hem voor het eerst zag rijden, ik denk in de Ronde van Burgos. Je zag onmiddellijk dat hij het talent bezat om bergop te gaan. Niet dat hij zo hard ging, maar hij heeft die soepele tred die bij klimmers hoort.

Je ziet ook in zijn tijdritten dat hij een klimmer is. Hij zit iets gebogen op zijn fiets, niet met de vlakke rug die echte tijdrijders hebben. Dat hele aerodynamische mist hij. Het kost hem moeite om zijn lichaam stil te houden, om alleen met zijn benen te fietsen terwijl het tors stil boven de stang hangt. Michael beweegt, veel meer dan ik bijvoorbeeld deed.

Als Michael het moeilijk heeft, gaat hij werken. De schouders gaan heen en weer, het lichaam beweegt. Je kunt zien dat hij knokt. Natuurlijk, je kunt denken dat hij daarmee energie verspeelt. Maar het is een aangeboren stijl. Dat leer je hem niet af, hoe je ook praat of vertelt over je eigen ervaringen.

In de Pyreneeën zag je Michael rijden met zijn trui open. Dat is meestal geen teken van kracht. Ik heb het ook gedaan. Als je het zwaar hebt, gaan dingen irriteren. Je bent door je lichaamswarmte geneigd je kleren uit te doen. Pantani reed ook met zijn trui open, terwijl hij die Maier op Plateau de Beille nauwelijks voorbijkwam.

Indurain deed zijn trui nooit open. Ullrich heb ik ook nog niet met ontblote borst gezien.

FRANK VAN DER MEIJDEN (42), pr-manager van het Rabobank Wielerplan, over het imago.

'Michael is een oerdegelijke Hollandse jongen, een lefgoser met bravoure. Hij weet andere mensen te enthousiasmeren doordat hij met zijn benen waarmaakt wat hij met zijn mond beweert.

Michael heeft goed door dat de omgang met de pers een belangrijk onderdeel is van zijn vak. Twee jaar geleden heeft hij net als alle andere renners een korte mediatraining gehad. Een avond, meer was het niet.

Die training is gericht op twee zaken. De renner moet zichzelf blijven en de 'petjescultuur' mag geen kans krijgen.

Dat woord komt van Jan Raas. Ten tijde van de publieke omroep was de enige mediatip die hij ooit kreeg: 'Kijk tijdens een interview een keer naar je tenen. Dan komt de pet met sponsornaam vol in beeld.'

Michael hoeft de naam Rabobank niet te noemen. Iedereen weet voor welke ploeg hij rijdt. Als hij in elk interview tien keer onze naam noemt, roept dat alleen maar irritatie op.

Wat zijn bekendheid precies voor de bank doet, onderzoeken we niet. We weten wel dat 60 procent van de Nederlanders Rabobank met wielrennen in verband brengt. Je kunt op je klompen aanvoelen dat Michael daarin een doorslaggevende rol speelt.

Michael mag niet bij ons weg. Punt uit. Het zou te gek voor woorden zijn als een sponsor die Nederland van fietsen wil laten genieten het boegbeeld zou laten gaan.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden