De dood rijdt niet meer mee

Het motorracen heeft qua veiligheid grote vorderingen gemaakt. Franco Uncini en Ap Ruitenbeek vertellen over hoe het vroeger was. Over te harde strobalen, opblaasbare muren en hard afstappen....

John Volkers

Tony Elias, de Spaanse motorcoureur in de MotoGP, heeft bij de ochtendtraining op Assen zojuist het bovenbeen gebroken, als Franco Uncini, de veiligheidscoördinator van het wegracen, vertelt over veiligheid. De Italiaanse ex-wereldkampioen, in Nederland altijd herinnerd aan zijn zware raceongeval in de TT van 1983, heeft het over vroegere tijden. Barre tijden, als hij het zo mag uitdrukken.

‘Ik kwam de afgelopen jaren regelmatig bij een familie in Australië, echte racefans. Daar trok ik eens een boek over tachtig jaar motorsport uit de kast. Man, het was pagina na pagina ellende. De ene coureur dood, de volgende in een rolstoel, dan weer een rijder gestopt wegens een zware blessure. En ga zo maar door.

‘De racerij was een ramp in de vroegere jaren. Elke tweede race was er wel een groot of nog groter ongeluk.’

Uncini was een grootheid in de jaren tachtig. Hij vocht toen al voor betere werkomstandigheden voor de coureurs. Hij ontmoette slechts schouderophalen. ‘Veiligheid bestond in die tijd niet. In de ogen van de promotor en de circuitdirecteur waren motorcoureurs idiote mensen, die alleen goed waren om te racen op hun circuit of in hun wedstrijd.

‘Als er iets ergs voorviel, was dat niet omdat het circuit gevaarlijk was, maar omdat de coureur een gek was die zijn leven waagde. Dat was mijn tijd. Van veiligheid hadden ze toen niets begrepen.’

‘We wisten niet beter’, zegt wedstrijdleider Ap Ruitenbeek, voor het vijftiende en laatste jaar achter de knoppen op het Circuit van Drenthe. Hij kijkt naar 32 tv-schermen en kan van zijn centrale plek in de controlekamer het hele circuit overzien. De blessure van Elias heeft hij zien ontstaan. ‘Hij rolde door. Dat ging wat ongelukkig.’

Ruitenbeek, al 31 jaar actief in de begeleiding van races, komt uit de tijd dat een wedstrijdleider een bak portofoons voor de neus had. ‘Er bestond niet meer dan radiocommunicatie. De baco’s (baancommissarissen) waren je ogen en oren. Ik heb ook met een vlag langs de baan gestaan. Het was nog de tijd dat een coureur soms bij start/finish stopte, om te zeggen dat er iets ernstigs was gebeurd.’

Na 1980, het jaar met massale, zware ongevallen in Tubbergen, Ammerzoden en Sint Joris ten Distel (Bel), veranderden de zaken snel. Nederland telde destijds dertig stratencircuits. Dat zijn er nu nog drie: Hengelo (Gld), Oss en Eemshaven.

Ruitenbeek: ‘In Ammerzoden schoot een motor het publiek in. Er vielen twee doden onder de toeschouwers, zoiets had nooit mogen gebeuren. Rijders kiezen voor het risico, het publiek niet.

‘Toen is de overheid zich ermee gaan bemoeien. Een centrale regie en een snelle afhandeling bij een calamiteit werden toen verplicht gesteld. Sindsdien zijn de tv-kamer en de mobiele kliniek vaste kost bij elke race in Nederland.’

Tv-beelden worden, nu op dvd-recorders, opgeslagen en direct teruggekeken. Het is ook het basismateriaal voor de evaluatie. Ruitenbeek: ‘Motorracen is een niet ongevaarlijke sport. Dat besef is er. Van die beelden leren we: waarom ging dit mis?’

Internationaal werden in de jaren negentig grote stappen op veiligheidsgebied gezet. Lang hadden circuitdirecties moeite met grote wijzigingen in hun vakgebied. Verbouwingen, nieuw asfalt en bochten met wijde uitloopstroken werden domweg geweigerd.

Uncini reed onlangs nog een deel van het oude circuit van Assen, waarop hij, voorbij Bedeldijk, zelf bijna de dood vond. ‘Dat oude TT-circuit gold als een fantastisch circuit: charismatisch, karaktervol en ook veilig. Maar toen ik het laatst opnieuw reed, dacht ik: we moeten gek zijn geweest om onder deze omstandigheden te racen. Dat zouden we nu nooit meer doen. Veel te gevaarlijk.’

De passieve veiligheid was in de jaren negentig reeds georganiseerd, de actieve veiligheid moest toen nog volgen. Ruitenbeek: ‘Vroeger was het asfalt, curbstones, twee meter gras en dan de grindbak.’

Uncini: ‘Vroeger stond hier op Assen een boom voorbij de Strubben. En er waren sloten.’

Ruitenbeek: ‘Nu is er na de curbstones een stuk kunstgras op beton, daarna grindbakken, soms zestig meter lang en daarna asfalt. Om de coureurs de gelegenheid te geven de baan op te sturen en de race te vervolgen. Er is voor een miljoen aan extra asfalt aangelegd deze winter.’

Uncini: ‘We wilden, sinds ik in 1993 ben aangetreden in de rol van veiligheidsman, de obstakels weghalen en de tribunes 20 meter verder van de racebaan zetten. We hebben het stap voor stap gedaan. In 2003 verloor de Japanner Kato nog het leven op Suzuka. Door een dom obstakel.’

Toch staan 25 artsen en acht ambulances in Assen paraat. ‘Nu is de veiligheidssituatie heel goed. Maar we mogen niet indutten. Elk circuit blijven we voortdurend inspecteren.’

Inspectie loont, heeft Uncini gemerkt. Hij komt uit een tijd dat elke extra strobaal al een probleem vormde (‘we hebben er al tweeduizend staan, sir’). Die balen zijn in Assen verdwenen. Air fences, opblaasbare boarding uit de skiwereld en het schaatsen, hebben hun intrede gedaan.

Uncini vertelt van het Amerikaanse circuit van Laguna Seca. ‘Daar wilde ik, omdat er geen baanpost beschikbaar was, met een collega een paar stropakken verplaatsen. Bleken die Amerikaanse balen drie, vier keer zo zwaar als een Europees exemplaar. En zo hard als een muur.’

Die ontdekking leidde tot een indeling van de kwaliteit van baanbeveiliging. Van A tot E voor strobalen en ballonmuren. Ze tellen stevig mee in de vele voorzieningen die door de jaren heen getroffen zijn. Ook helmen, pakken, laarzen en handschoenen zijn van een andere kwaliteit dan voorheen.

Het leidt tot het nemen van meer risico’s, tot vaker vallen, ‘afstappen’ zoals dat in racejargon heet. Ruitenbeek: ‘De extra veiligheidsvoorzieningen leiden ertoe dat rijders onderuit gaan, niets mankeren en snel weer hun race voortzetten.

‘Voorheen liepen ze altijd het risico van ernstige blessures. Assen is een groot voorbeeld van hoe het beter kan. De baan is zo breed en ruim geworden dat we geen strobalen meer nodig hebben. Het publiek loopt geen risico.’

Uncini: ‘De coureurs verleggen onder de huidige omstandigheden hun grenzen. Dat is normaal. Als je voelt dat meer mogelijk is, probeer je verder te gaan. Maar als je dat twintig, 25 jaar geleden deed, dan overkwam je iets ergs.’

De verbeteringen zijn evident. Ruitenbeek: ‘Het is veel en veel veiliger geworden. Assen het veiligste circuit? Dat moet je mensen van de wereldbond, de FIM, vragen.’

Uncini: ‘Als de kans op ernstige ongevallen vroeger honder procent was, dan is dat nu minder dan 25. Tien, vijftien procent kans in vergelijking met mijn jaren. We hebben veel bereikt.’

De Italiaan komt uit een land waar racen op stratencircuits verboden werd na een dodelijk ongeluk in 1971 op Riccione met coureur Alberto Bergamonti. Wereldkampioen Uncini kwam in de jaren tachtig naar Nederland, voor een goed betaald contract bij de befaamde stratenrace van Raalte.

Hij schrok zich rot: ‘Bomen langs de baan, mensen dicht op het asfalt en overal sloten. Ongelooflijk. Hier op Assen was tot drie jaar geleden ook nog een sloot. Nu is alles dicht. Zo veel veiliger.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden