De banaliteit van het voetbal

Heerlijk, volgende week begint het WK in Duitsland. Vier weken voetbal, vier weken strijd, vier weken spanning, maar ook: vier weken van heel veel geleuter....

Is dat erg? Nee, niets zo leuk als praten over voetbal. Het liefst na een gespeelde wedstrijd in een frituurvette kantine aan lange formicatafels vol glazen doodgeslagen bier. Maar ook tijdens een WK, de vierjaarlijkse voetbalhoogmis, is een half woord of één blik al voldoende om met een collega nog een keer het deelnemersveld door te nemen.

Je zou bijna denken dat voetbal belangrijk is, maar dat is het natuurlijk niet. Amerika en Iran zijn erbij in Duitsland, maar hun gezamenlijke aanwezigheid zal geen enkele bijdrage leveren aan de oplossing van het geschil over het Iraanse nucleaire programma. Succes van Oranje zal het Centraal Planbureau niet dwingen zijn prognoses voor de koopkrachtplaatjes van de minima bij te stellen. En hoe goed het WK ook georganiseerd zal zijn en hoe dankbaar we ook zullen zijn als de Duitsers bij wijze van vriendschappelijk gebaar het toernooi ruim voor de finale verlaten, wij zullen ze onverminderd blijven haten.

Dit belet ons niet om ons komende maand volledig over te leveren aan de illusie dat er niets belangrijkers is in het leven dan het voetbal en dat even alles anders zal zijn. Ons broze, door de welvaart verweekte zenuwgestel zal weer tot het uiterste worden beproefd. Oeroude driften die we in een eeuwenlang beschavingsproces hebben leren beteugelen, zullen hun woeste, atavistische kop opsteken. Geluk wordt brullend geuit en tegenslag moet onmiddellijk worden gewroken door groepsgewijs de bron van die tegenslag op te jagen en dood te knuppelen.

Maar één zekerheid hebben we: na afloop komen we tot bedaren, wordt alles weer glad getrokken, blijkt het WK niet duurzamer te zijn geweest dan een natte voetafdruk op het strand en ontdekken we dat het land en de wereld er nog net zo bij liggen als daarvoor. Wat rest is dat aan de herinnering hopelijk een nieuwe reeks van opwindende, betoverende of juist diep ontgoochelende voetbalmomenten zijn toegevoegd, waarover we nog tot in lengte van dagen kunnen napraten. Niets minder, maar ook niets meer.

Niet iedereen echter accepteert de banaliteit van het voetbal. Vooral de liefhebbers die hebben doorgeleerd, vinden die banaliteit ondraaglijk en zien meer in voetbal dan de gewone supporter. Een surrogaat voor religie, een spiegel van de maatschappij of gewoonweg een metafoor voor alles. Dat levert soms prikkelende gedachtenexperimenten op.

De Britse journalist David Winner legde onlangs in de Volkskrant (Forum, 11 mei 2006) een relatie tussen de uitschakeling op 1 september 2001 van Oranje voor het WK in Japan en Zuid-Korea en de crisis van de oude politiek die kort daarop uitbrak en uitmondde in de opkomst van Fortuyn. Ik betwijfel echter of daar een causaal verband ligt. Wat ik me herinner van die zaterdagmiddag, waarop we de wedstrijd in Dublin tegen Ierland verloren, is dat we er eigenlijk uit lagen voordat we er erg in hadden. Dat is de makke van beslissende wedstrijden in het voorseizoen: het besef van wat er op het spel staat, is dan nog onderontwikkeld, en daarmee ook de treurnis over de gevolgen van de nederlaag.

Wat me bovendien wantrouwig maakt, is dat Winner suggereert dat Nederland na de moord op Van Gogh werd geconfronteerd met ‘golven van geweld’. Dat woordgebruik roept bij mij visioenen op van razzia’s, waarbij moslims uit hun huizen worden gesleurd en afgetuigd. En dat nachtenlang. Ik heb het niet gezien, maar het kan natuurlijk zijn dat ik even niet oplette. Ik vrees echter dat het aan Winner ligt. Wie zijn (grote) woorden zo slordig kiest, denkt ook slordig. En geeft blijk van een hang naar effectbejag. Zo iemand houdt er van zijn observaties sexier te maken en volstaat niet meer met de constatering dat het Nederlandse totaalvoetbal een vernieuwing was, maar verklaart de esthetica daarvan uit de architectuur van de Amsterdamse School.Een andere publicist, Simon Kuper, schreef zaterdag in de Financial Times dat de Duitse voetballerij een van de weinige plekken is waar de door de nazi’s gecultiveerde soldatentraditie overleefde. Het Duitse voetbal: voortzetting van het nazisme met andere middelen, denk je dan. Op zulke momenten zou je wensen dat je in zulke voetbalologen een noodrem kon inbouwen.

Over voetbal moet je oeverloos kunnen leuteren. Ook over de mate waarin nationale karaktertrekken terugkomen in landenteams of over de parallellen met het gewone leven. Maar als dat te geforceerd gebeurt, wordt het ergerlijke nonsens. Voetbalgesprekken moeten vooral gaan over de schoonheid en bedriegelijke eenvoud van een steekpass, de onmogelijke hoek waaruit gescoord werd, de sublieme buitenkant voet van Ronaldinho, de verrassing van een passeerbeweging.

En in de kantine wil ik het vandaag hebben over zoiets triviaals als de achterlijke retro-pakkies van Oranje. Altijd gedacht dat je je tegenstander al bij het betreden van het veld moest imponeren. Maar met dit tenue gaan we tachtig jaar terug in de tijd. Retro in tempo, retro in imago. Hopelijk is het een afleidingsmanoeuvre.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden