Chinezen angstaanjagend superieur

Eenhonderdenvijfenzestig keer het Chinese volkslied: Mars der Vrijwilligers...

Net zo vaak de gezongen strofe ‘laten we met ons vlees en bloed een nieuwe grote muur optrekken’. En 165 keer de rode vlag in top, met de gele sterren: vier kleine en een grote. Dat waren de Aziatische Spelen van Doha.

In China hebben de regisseurs van de tv-stations de neiging de huldigingen uitvoerig te tonen. Ze worden zelfs herhaald, wordt vanachter de Chinese Muur gemeld. Het is een gewoonte uit de tijd dat China nog geen grote sportmacht was en dat er – volgens communistisch gebruik – aan propaganda werd gedaan.

Mao Zedong, de roemruchte partijleider die de Gele Rivier overstak, gaf ooit toe dat zijn land ‘de zieke man’ van Azië was. In de sport betekende het internationaal geïsoleerde China toen hoegenaamd niets. In 1970, bij de Aziatische Spelen van Bangkok, behaalde China één gouden medaille, op een totaal van 18 plakken.

In 1978, toen de economische hervormingen begonnen, werd nadrukkelijker aan de opbouw van de sport gewerkt. Economie – nu booming – en sport gaan gelijk op, zo had ‘De Gote Roerganger’ Mao betoogd. Hij kreeg gelijk. Twintig jaar later, bij de Aziade in Peking in 1990, veroverde het thuisland 341 medailles; 183 waren van goud.

Nu, 27 jaar na de entree van China in de olympische familie, is het land de meest gevreesde wereldmacht in de sport. In 2004 werd het land tweede bij de Olympische Zomerspelen van Athene. De Chinezen waren de immer oppermachtige Amerikanen tot vier gouden medailles genaderd: 36-32.

Sindsdien luidt de meest gestelde vraag in de internationale sport: gaat China de Verenigde Staten voorbij? Het toneel voor die manoeuvre lijkt ideaal. De Spelen van 2008 zijn in Peking, de hoofdstad van China. Dat betekent het vaak onnavolgbare thuisvoordeel.

De Aziatische Spelen van Doha, enkele weken voor het aanbreken van het preolympische jaar 2007, waren een schouwtoneel voor de laatste ontwikkelingen in sportland China. Zijn de signalen, zoals een verloren wereldtitel van de volleybalvrouwen of het gemiste wereldkampioenschap door hordeloper Liu Xiang, tekens aan de wand?

Was het bedoeld als misleiding? Of was het werkelijk bedoeld als leerproces, voor de jonge Chinese sporters die naar het 39 sporten tellende evenement van Qatar werden afgevaardigd? China stuurde 341 mannen en 306 vrouwen naar Doha. Van hen bezaten 167 de olympische ervaring van Athene ’04.

Vaststaat dat China voor de rest van Azië veel te sterk is. Hun suprematie neemt angstaanjagende vormen aan. ‘Proberen bij China aan te haken’, zijn goedbedoelde uitlatingen van de nummers twee (Zuid-Korea) en drie (Japan), maar de locomotief van het nummer één land in dit werelddeel rijdt steeds verder weg van zijn wagonnetjes.

China zal het in Peking met de rest van de wereld lastiger krijgen, luidde de vaststelling van kopman Liu Xiang, de Chinese wereldrecordhouder op de 110 meter horden. Hij werd in 2004 olympisch kampioen, werd een jaar later bij het WK verslagen door de Fransman Doucouré en keerde dit jaar sterk terug met de verbetering van het wereldrecord (12,88) in Lausanne.

Liu werd in Doha moeiteloos Aziatisch kampioen en relativeerde direct zijn verrichting. ‘Zelfs ik ben straks niet zeker van olympisch goud.’ Hij erkende dat zijn land ‘in atletiek en zwemmen nog steeds in de problemen’ verkeert.

De traditionele grootmachten zullen op die twee van de drie meest prestigieuze sporten van de Spelen niet verdrongen worden door China. Al zijn er sportprofessoren die wijzen op de mogelijkheid van een geheim dopingprogramma voor een geheim gehouden ploeg. Liu: ‘Europeanen en Amerikanen hebben een voorsprong van de natuur gekregen.’

China zal werken aan zijn collectieve kracht, maar zal daarbij vooral gericht zijn op de successen in de relatief kleine sporten: tafeltennis, gewichtheffen, badminton, worstelen, schieten (27 van de 42 medailles in Doha), judo en schoonspringen. In al die sporten is China de gigantische rode machine, die na een druk op de knop kampioenen uitspuwt.

In die ene ‘grote’ olympische sport waar China wel heerst, het turnen, lijkt de hegemonie steviger dan ooit. De WK in Denemarken van oktober waren een puur Chinese aangelegenheid, zoals die bij de Aziatische Spelen ook aan de orde was.

Bij de teamsporten is China zijn enige olympische toppositie, die bij het vrouwenvolleybal, kwijt. Ook bij de teams geldt wat de Chinese chef de mission Liu Peng in Doha debiteerde: ‘Aziatische Spelen en Olympische Spelen zijn twee verschillende werelden.’

De Chinese voorzitter van het olympisch comité COC sloot af met de verwachting ‘straks in Peking zwaardere tegenstand te treffen’. ‘En daarom zullen we onze inspanningen verdubbelen’, aldus Peng.

Laten die stress en dat onwaarschijnlijk harde trainen nu juist de valkuilen zijn, waarvoor iedere buitenlandse waarnemer het land de laatste jaren heeft gewaarschuwd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden