Buitenbenen

De benen zijn voor een schaatser het belangrijkste gereedschap. Ze zijn imposant en extreem ontwikkeld. Maar wat maakt schaatsbenen goed?

Bob de Jong Beeld Linelle Deunk

Laat een profschaatser een spijkerbroek passen en het gaat dikwijls als volgt: óf de broek komt net voorbij de knieën, of de tailleband zit veel te ruim. Wie fanatiek schaatst, krijgt dikke dijen.

Schaatsbenen zijn vaak grof, duidelijk gevormd en ogen zelfs in ontspannen toestand indrukwekkend. Of het nou gaat om de verder ranke Annette Gerritsen of om krachtmens Stefan Groothuis. Benen van een schaatser bevatten uitstulpingen van spieren, die qua omvang kunnen wedijveren met een knie.

Echt vrouwelijk zijn hun benen niet, zegt het gros van de schaatssters. De opvallendste spierbult zit net boven de knie, aan de binnenkant van het bovenbeen. Een centimeter of vijf hoger aan de andere kant zit er nog een. Dat grove oogt niet altijd fraai, vinden veel vrouwen. Maar uiteindelijk draait het daar niet om. Dat ze goed van pas komen tijdens het schaatsen is het belangrijkste.

Bij mannen is dat anders. Daar luidt de heersende filosofie: groot is niet lelijk, groot is imposant. Er zijn verhalen van schaatsers waarbij onderling pochen eindigde met een meetlint in de hand. Een bovenbeen van Gary Hekman heeft op het flinkste punt een omtrek van 66 centimeter. Ter vergelijking: een model dat aan de ideale maten voldoet, heeft een taille die 6 centimeter smaller is dan één been van Hekman.

Maar hoe komen toch die opmerkelijke spierbundels in de benen? Er zijn meer sporten waarbij de benen een hoofdrol spelen, wielrennen bijvoorbeeld. Wat omvang betreft, wint een schaatser het met gemak. Dat heeft alles te maken met de manier waarop spieren worden belast.

Gary Hekman Beeld Linelle Deunk

Hoge statische belasting

Schaatsen is een inspanning met een hoge statische belasting. Een schaatser zit in een gehurkte houding, waardoor spieren vrijwel voortdurend zijn aangespannen. Vers bloed stroomt pas in de spier als het been ontspant. Het moment waarop dit gebeurt, is bij een schaatser extreem kort in vergelijking met een fietser of een hardloper. Het gevolg: 'Een schaatser zet een spier eerder in zuurstofschuld', zegt bewegingswetenschapper Jos de Koning. Bij verzuring treedt automatisch krachtverlies op.

Bij het schaatsen worden uithoudingsvermogen en kracht gecombineerd. 'Ik ken geen andere duursport waarbij je spieren op die manier belast', zegt De Koning. Bij hardlopen en fietsen zijn de krachten tijdens het bewegen namelijk veel lager, waardoor een schaatser sneller te maken heeft met verzuring. Bovendien zit een fietser ook nog eens op zijn zadel. 'Doordat schaatsers in die houding zoveel kracht leveren én hun eigen gewicht dragen, hebben ze meer en dikkere spieren.'

Sprintster Thijsje Oenema bezit typische sprintstersbenen: niet te lang, flink ontwikkeld. Mensen met veel sprintvezels zijn vaak 'geblokt'. Dat wil zeggen dat zij veel spiermassa bezitten en niet zo groot zijn in vergelijking met veel stayers. Die zijn, naar eigen zeggen, langer en dunner. Jac Orie, trainer van Lotto-Jumbo en bewegingswetenschapper, deed ooit een onderzoek naar de lengte van topschaatsers op basis van de resultaten van wereldkampioenschappen tussen 2001 en 2007.

Orie berekende dat mannen die korter zijn dan 180 centimeter twee keer zo veel kans hebben om een goede 500 meter te rijden. Op de 1.000 meter was er geen significant verschil. 'Dat ging alle kanten op.' Voor de 1.500 meter en de 5.000 meter geldt: iemand die langer is dan 180 centimeter heeft twee keer zo veel kans om tot de top te komen. 'En boven de 185 centimeter werd dit vier keer zo groot', zegt Orie.

'Maar, let op: je kunt niets uitsluiten.' Er zijn in het schaatsen zoveel factoren van belang dat lichaamslengte geen bepalende factor hoeft te zijn. Stayer Bob de Jong, olympisch kampioen op de 10.000 meter in 2006, meet 'slechts' 180 centimeter. En het wereldrecord op de 500 meter is al zeven jaar in het bezit van Jeremy Wotherspoon, een Canadees van 191 centimeter. Orie: 'Ooit dacht ik: er bestaan straks geen korte schaatsers meer. Dat was in de tijd dat de Russen overheersten, allemaal grote mannen van minstens 185 centimeter. Ik had het nog niet gezegd, of er kwamen een paar kleine schaatsers voorbij en alle Russen waren weer van de baan.'

Stefan Groothuis Beeld Linelle Deunk
Thijsje Oenema Beeld Linelle Deunk

Afwijkende norm

De lengte van benen wordt vaker beoordeeld. Jan van Veen, de trainer van wereldkampioen allround Koen Verweij, ziet dat de benen van Verweij iets afwijken van de norm. 'De ervaring leert dat allrounders vrij lange jongens met lange benen zijn. Koen is een uitzondering, hij is niet klein, maar zijn onderbenen zijn in verhouding korter dan zijn bovenbenen. Bij Jan Blokhuijsen en Sven Kramer is dit andersom.'

De Koning deed ooit een onderzoek dat hierbij aansluit. Hij keek naar de verhouding tussen bovenbenen en onderbenen. 'Daar bleek dat topschaatsers in vergelijk met recreanten een betere verhouding hebben tussen hun onderbenen en bovenbenen. Met kortere bovenbenen ben je in het voordeel.' Bovenbenen zijn namelijk een hefboom. 'Hoe groter ze zijn, hoe meer kracht je moet genereren om in de houding te zitten.'

De bewegingswetenschapper noemt schaatsen een spel tussen biomechanica en fysiologie. Het gaat om het zo diep mogelijk zitten, om zo lang mogelijk te kunnen afzetten en zo aerodynamisch mogelijk te rijden - 80procent van de weerstand van een schaatser is luchtweerstand en hoe groter iemand is, of hoe hoger hij tijdens het schaatsen zit, des te meer weerstand. Tegelijkertijd is het belangrijk om de bloedstroom op gang te houden. En die twee doelen bijten elkaar. Lang diep zitten, doet pijn. De druk op de spieren neemt toe en er komt geen vers bloed in de spier. Dat is de reden waarom sprinters over het algemeen dieper zitten dan de schaatsers die lange tijd in de rondte rijden.

Ook de stand van benen speelt mee. Een jaar of tien geleden bestond het idee dat een schaatser met X-benen beantwoordt aan het ideaal-beeld. Dat was in de hoogtijdagen van de inmiddels gestopte Beorn Nijenhuis, de jarenlange houder van het Nederlands record op de 1.000 meter. Nijenhuis heeft X-benen, en voegde zich destijds bij een illuster rijtje. Ook meervoudig olympisch kampioene Marianne Timmer en drievoudig wereldkampioene Kristina Groves hebben lichte X-benen.

Door de stand van hun benen hebben schaatsers als Nijenhuis en Timmer eerder druk, zoals ze dat in schaatsjargon zeggen. Simpel gezegd gaat de schaatsbeweging als volgt: door afwisselend naar links en rechts af te zetten, glijdt de sporter naar voren. Daarbij wordt de voet naar binnen gekanteld. Een schaatser bij wie de voeten van nature al naar binnen staan, begint op het rechte stuk vlugger aan de volgende afzetbeweging dan iemand die 'recht' staat. Versnellen gaat daardoor eerder.

Maar, zoals ook Orie regelmatig zegt: elk voordeel heeft een nadeel. In de bocht, waar schaatsers altijd links afslaan, is een linkeronderbeen met een neiging naar de andere kant een beperking. 'Dan heb je wel een probleempje, want je been wil eigenlijk de boarding in.'

Jorrit Bergsma Beeld Linelle Deunk
Ireen Wüst Beeld Linelle Deunk

O-poten

De aanname over het ideaal van de X-benen duurde overigens niet lang. Orie: 'Na Nijenhuis kwamen er twee wereldkampioenen met O-poten en iedereen dacht er weer anders over.' Diezelfde twee wereldkampioenen zijn inmiddels ook olympisch kampioen. Michel Mulder en Stefan Groothuis hebben knieën die wat naar buiten staan. Wil dit zeggen dat O-benen inmiddels tot het heersende ideaalbeeld horen? Nee. 'Met O-benen zit je aan de verkeerde kant', zegt Van Veen. Dan gaat de voorkeur van de trainer van Team Corendon toch uit naar de X-variant.

Vooral op het rechte stuk werken O-benen niet in het voordeel. Hierbij geldt het tegenovergestelde van X-benen; het duurt langer voordat een schaats onder druk staat en de afzetbeweging wordt ingezet. Het terrein waarop iemand met O-benen wel een klein voordeel ervaart, is de bocht. Het linkerbeen staat van nature al de juiste kant op. 'Die knie draait al licht de bocht in en dus stuur je makkelijker mee', zegt Orie.

Als Van Veen en Orie de mogelijkheid hebben om de stand van benen te bepalen, zou hun keuze vooraf nooit op O-benen vallen. 'En ik zou ook niet zeggen: doe mij maar iemand met X-benen. Dan liever recht', zegt Van Veen. Het voordeel van rechte benen volgens Orie: 'Zowel op het rechte stuk als in de bocht heb je geen nadeel.' Maar daardoor ook geen expliciet voordeel.

Kjeld Nuis, de sprinter uit de stal van Orie, heeft wel kaarsrechte benen. Maar, ook al is Nuis succesvol, vooralsnog beschikt hij niet over een erelijst als die van Groothuis of Mulder. Van Veen: 'Als je uit anatomisch oogpunt zegt: O-benen zijn niet ideaal, wat maakt dan dat iemand daar toch olympisch kampioen mee wordt? Naast een goed lichaam spelen er nog zoveel factoren mee dat je het lichaam alleen niet als criterium voor een selectie kunt pakken.'

Volgens Orie komt dat doordat er in het schaatsen veel vrijheidsgraden zijn. 'Wij bewegen in drie vlakken.' De schaatser glijdt vooruit, maar beweegt om dit te bewerkstelligen naar opzij en ook nog eens achterwaarts als een been wordt bijgehaald. 'Daardoor lijkt het alsof er meer ruimte is om eventuele belemmeringen anders op te lossen als iemand anatomisch bijvoorbeeld net even anders in elkaar zit.'

Diane Valkenburg Beeld Linelle Deunk

Sprinten

Voor sprinters is de sprongkracht in de benen een belangrijke factor. Sprongkracht is een combinatie van coördinatie en explosiviteit. 'Met sprinten moet je krachten in een korte tijd leveren, daarom kan sprongkracht heel belangrijk zijn', zegt Orie. Maar dit geldt niet voor iedereen. Ooit zag hij een Amerikaan nauwelijks van de grond komen en dacht bij zichzelf: hoe is dit in vredesnaam mogelijk? De explosiviteit die vaak zo kenmerkend is voor 's werelds snelsten op de sprintafstanden ontbrak. Niet lang daarna werd Casey Fitzrandolph, de Amerikaan, olympisch kampioen op de 500 meter. 'Dat probleem loste hij op met een coördinatieve truc en een nog subliemere timing', zegt Orie.

Wie rondkijkt op de ijsbaan ziet schaatsers van allerlei formaten. Falko Zandstra, bijnaam: de gespierde spijker, was twintig jaar geleden de beste allrounder van de wereld. Zelfs zijn bijnaam is enigszins misleidend. De Koning: 'Zandstra was qua lichaamsbouw behoorlijk lang en smal, maar als je hem vergeleek met een normale atleet, had hij toch redelijk dikke bovenbenen.'

Orie geeft niet om omvang. Hij werkt niet aan dikke benen, zegt hij. 'Als het daarom draait, had elke bodybuilder wel wereldkampioen schaatsen kunnen worden.' De grotere benen zijn nou eenmaal een bijwerking van de trainingen die hij opstelt. 'Ik wil mijn atleten het liefst zo sterk en zo licht mogelijk hebben. Het een bijt het ander, want als je sterk bent, word je over het algemeen zwaarder.'

Orie vraagt zich af of een ideaal schaatslichaam wel bestaat. Hij berekent de groei die een rijder volgens hem nog kan maken. Hij test zijn sporters vooraf en kijkt vooral naar de manier waarop iemand rijdt. 'Ik zie of iemand makkelijk hoeken kan maken met het ijs. Dat is niet afhankelijk van lichaamsbouw, dat is timing. En dat is het allermoeilijkste om te leren.'

Er is een troost voor de vrouwen, waar het dikke benen betreft. Zodra een schaatser stopt, verdwijnen de gespierde dijen vanzelf, dan kunnen ze weer moeiteloos hun spijkerbroeken kopen. Het afnemen van die spieren verklaart meteen waarom ex-schaatsers vrijwel nooit meer een rondje meerijden zodra ze trainer zijn: ze missen de kracht om langdurig diep te zitten.

Anice Das Beeld Linelle Deunk

Zwaaiende armen

Al springen vooral de bovenbenen van schaatsers in het oog, hun bovenlichaam is niet onbelangrijk. Met armen wordt gezwaaid, ter begeleiding van de afzet. Hoe langer de afstand, des te vaker beide armen op de rug eindigen. Een arm op de rug creëert rust. Echte spierbundels lijken bij een armzwaai niet nodig, maar een getraind bovenlijf is wel degelijk van belang. 'Het is een ondersteuning van je strekketen', zegt trainer Jan van Veen. Daarmee bedoelt hij dat de armen onderdeel zijn van de gehele schaatsbeweging en bijdragen aan een effectieve afzet.

Wie het effect van armgebruik op het droge wil testen, moet volgens zijn collega-coach Jac Orie maar eens op een weegschaal gaan staan en het bovenlichaam naar voren en naar achteren bewegen terwijl het onderlichaam stil blijft staan. 'Dan slaat de weegschaal uit. Dat spelen met het lichaamszwaartepunt levert kilootjes op', zegt hij. 'Het bovenlichaam kan door het bewegen afzetkracht genereren. Dat zie je terug op het ijs.'

En er is een andere reden waarom het belangrijk is om niet alleen het onderlijf te trainen: 'Als het bovenlichaam niet sterk genoeg is, is het onmogelijk om het lichaamszwaartepunt onder controle te houden', zegt Van Veen. Een bovenlichaam dat groter en zwaarder wordt, heeft meer luchtweerstand. Wordt een bovenlichaam te zwaar, dan heeft een schaatser de neiging om te veel voorover te hangen. Het gevolg is dat het lichaamszwaartepunt verandert en spieren moeten wennen aan een andere balans.

Orie: 'Toevallig rijden er best wat schaatsers rond met een lang bovenlijf. Uiteindelijk is het een samenspel: heb je daarbij korte of lange bovenbenen? En hoe staat het met de onderbenen? Dat zijn allemaal aparte factoren.'

Annouk van der Weijden. Beeld Linelle Deunk
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden