WK BMX

BMX’ers zijn geen halve zolen, maar topsporters

De BMX-selectie hoopt op de WK in Zolder de successen van de laatste jaren een vervolg te geven. Wat is het geheim achter de Nederlandse dominantie? 

Niek Kimman tijdens een training op de BMX-baan op sportcentrum Papendal. Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Een volledig Nederlands podium op het EK bij de mannen. Een Nederlandse nummer één en twee bij de vrouwen. Een regerend wereldkampioene en leiders in het wereldbekerklassement bij zowel de mannen als vrouwen. De Nederlandse fietscrossers heersen meer dan ooit bij BMX.

Tijdens het WK in het Belgische Zolder zijn zaterdag alle ogen gericht op de rijders van bondscoaches Raymon van der Biezen en Rob van den Wildenberg. Aan het starthek staan onder anderen Europees kampioen Niek Kimmann en huidig Europees en wereldkampioen Laura Smulders.

Hoe kan het dat Nederland uitblinkt op de kleine fietsjes, de zandcircuits met haakse kuipbochten en de springschansen? ‘We zijn altijd goed geweest. Alleen presteren we de laatste jaren veel constanter’, zegt Van der Biezen, die evenals Van den Wildenberg jarenlang tot de Nederlandse selectie behoorde. Volgens hem plukken ze nu de vruchten van het in 2005 ingezette beleid.

Toen het Internationaal Olympisch ­Comité (IOC) bekendmaakte dat BMX in 2008 aan de olympische kalender zou worden toegevoegd, kwam de sport meteen in het vizier van het NOCNSF. In Nederland werd wel gefietscrosst, maar een trainingsprogramma voor de nationale selectie was er tot dan toe nog niet.

Van der Biezen: ‘Je trainde bij je club. Alleen in aanloop naar grote wedstrijden kwam je als nationale selectie bij elkaar. Dat was het dan wel.’ Van den Wildenberg: ‘Tegenwoordig leven de crossers voor hun sport. Toen wij begonnen hadden we geen idee wat topsport inhield.’

Topsport

Met Bas de Bever stelde de bond een coach aan die een programma moest opzetten. ‘In het begin kwamen we één keer per week bij elkaar’, zegt Van den Wildenberg. Samen met Van der Biezen behoorde hij tot de eerste lichting die op Papendal trainde. Vorig jaar volgde het duo De Bever op.

‘Het was vrij primitief’, herinnert Van der Biezen zich, terwijl hij uitkijkt over op de 10 meter hoge startbult en het immense parcours dat tegenwoordig op Papendal ligt. ‘Het enige wat wij hadden was een klein hekje voor het oefenen van onze starts. Verder trokken we sprintjes op de fiets. Dat was het.’

Anno 2019 draaien de BMX’ers een fulltime-programma. Een krachttrainer, voedingsdiëtiste, fysiotherapeut en mental coaches behoren tot de begeleidingsstaf. Volgens Van den Wildenberg, die als vijfde eindigde op de Spelen van 2008, behoort het Nederlandse programma tot de beste ter wereld. Sportkoepel NOCNSF steekt jaarlijks 556 duizend euro in de sport.

Nederland is een van de weinige landen waar de nationale selectie gezamenlijk traint. In fietscrossgekke landen als Amerika en Frankrijk volgen de BMX’ers hun eigen pad. Het is een van de voordelen van het compacte landje waarin wij wonen, zegt Van den Wildenberg. ‘Door de besten met elkaar te laten trainen maken ze elkaar nog beter.’

Het helpt de 23-jarige Kimmann naar ­eigen zeggen om elke dag het beste uit zichzelf te halen. De crosser uit Overijssel doorliep het talentprogramma en veroverde in zijn eerste jaar bij de elite in 2015 meteen de wereldtitel. ‘De onderlinge verschillen zijn heel klein. Als ik merk dat Joris Harmsen of Twan van Gendt sneller gaan, wil ik weten wat zij anders doen. Als je in je eentje traint, heb je toch al snel het idee dat je heel hard gaat.’

Maakt Kimmann zijn concurrenten op deze manier niet onnodig sterk? Nee, luidt het afgemeten antwoord. Zijn redenatie: als zijn trainingsmaten beter worden, moet hij zichzelf ook verbeteren om niet achter te blijven. ‘Het is beter om op de WK tweede te worden achter een Nederlander, dan als eerste Nederlander als zesde te finishen.’

Startsnelheid

Want niet alleen de Nederlandse BMX’ers groeien. Kimmann merkt dat het niveau in het algemeen omhoog is gegaan. Toen hij in 2015 in Zolder de wereldtitel veroverde, was hij na 2,53 seconden als eerste onder aan de startbult – een belangrijke graadmeter voor de rest van de race. Met die tijd zou hij nu in de middenmoot rijden. Dit seizoen deed hij er 2,48 seconden over om vanaf het starthek de 10 meter hoge startbult af te dalen.

Naast een aantal Europese en wereldtitels, leverden de investering, centrale trainingen en aangescherpte topsportcultuur tot nu toe twee olympische medailles op. Smulders veroverde brons op de ­Spelen van Londen in 2012. In Rio won Jelle van Gorkom, die begin 2018 zo zwaar ten val kwam dat hij zijn carrière moest opgeven, een zilveren plak. Het doel is nu: goud in Tokio 2020.

Toch heeft bondscoach Van der Biezen, die op de Spelen van 2008 in de halve finale strandde, het gevoel dat de sport in Nederland niet altijd serieus genomen wordt. ‘De buitenwereld denkt nog vaak dat wij een stel halve zolen zijn die zich met gevaar voor eigen leven van de startbult storten. Maar de BMX’ers zijn tegenwoordig op en top professionals.’

Het geeft Kimmann in Zolder geen garantie op een tweede wereldtitel. ‘Het is en blijft BMX. Een klein foutje of een moment van onoplettendheid en het is voorbij.’  

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden