Betoverd door een beweging

De atletiekbondscoaches Marita van Zwol en Gert Damkat bewegen zich op het snijvlak van wetenschap en raadsel. Ze zoeken en perfectioneren de juiste techniek voor hun atleet....

Zij springt nooit over horden, ze sjouwt er hooguit mee over de atletiekbaan. Hij werpt nooit een kogel of discus, hij laat ze hooguit speels door zijn handen glijden. Toch zijn ze bondscoach: Marita van Zwol op hordenlopen, Gert Damkat op de werpnummers.

‘Bondscoach Gregory Sedoc’ en ‘bondscoach Rutger Smith’ worden ze wel eens gekscherend genoemd, naar de twee prominente atleten die ze begeleiden. Sedoc behoort tot de Europese top op de horden, Smith tot de wereldtop op kogel en discus.

Hoe hun atleten zich voelen als ze topprestaties leveren, zullen Van Zwol en Damkat nooit weten. Ze hebben nooit ervaren wat er gebeurt tijdens bij een hordenloop van 13,5 seconden, of bij een discusworp van 67 meter. Zij heeft zelfs nooit aan hordenlopen gedaan; hij was als werper een onopvallende recreant.

Als een gemis ervaren ze dat niet. Van Zwol (38) en Damkat (43) denken zelfs van specialisme te kunnen wisselen. Zij acht zich in staat om werpers te kunnen trainen; hij ziet niet in waarom hordelopen voor hem ondoorgrondelijk zou moeten zijn.

Van Zwol: ‘Het is een kwestie van de theorie kennen en de beweging goed analyseren. Het is veel belangrijker dat je oefenstof kunt doceren, dan dat je een sport hebt beoefend. Je moet je kunnen verplaatsen in een ander, in plaats van redeneren vanuit wat je zelf vroeger hebt gedaan. Dat is vaak het probleem van oud-topsporters die trainer worden.’

Damkat: ‘Je moet weten hoe een techniek in elkaar zit, zeker. Maar het is niet zo moeilijk om iemand een basistechniek bij te brengen. Op het hoogste niveau is het een kwestie van de juiste vragen stellen en de juiste conclusies trekken. Atleten vertellen jou voor een groot deel wat belangrijk is. Als je de goede vragen stelt, kun je er voor een groot deel achter komen wat voor hen werkt.’

Hoewel Van Zwol en Damkat het wisselen van specialisme mogelijk achten, zien ze het zichzelf niet snel doen. Ze zijn jong begonnen met training geven – toen ze 18 jaar oud waren. Gaandeweg hebben ze hun hart gegeven aan het onderdeel waarin ze het tot bondscoach hebben geschopt, mede dankzij het succes met Sedoc en Smith.

Ze zijn ze betoverd door een beweging. Thuis hebben ze een boekenkast vol lectuur over hun specialisme. De harde schijven van hun computers bevatten ontelbaar veel uren beeldmateriaal van eigen pupillen, concurrenten, en belangwekkende wedstrijden uit het verleden. Ze hebben op de atletiekbaan altijd een videocamera binnen bereik.

Van Zwol, een voormalige turnster, en Damkat geloven in permanent leren. Ze zijn net teruggekeerd van trainingsstages in de Verenigde Staten, voor velen het mekka van de baanatletiek.

Van Zwol verbleef met Sedoc in Florida bij Brooks Johnson, een Jamaicaanse trainer die al olympische atleten begeleidde voordat zij was geboren.

Damkat ging met Smith en twee andere discuswerpers naar Californië, waar de IJslandse trainer Vésteinn Hafsteinsson en sterke groep werpers om zich heen heeft verzameld.

Voor Van Zwol, die Sedoc sinds 2007 bijstaat, was het bezoek een openbaring. ‘Amerikanen durven zo groots te denken en te spreken. Dat is heerlijk.’

Vooral de mentale kracht viel haar op. In Nederland wordt Sedoc gekoesterd, als een van de twee toptalenten. In Amerika zijn wel tien hordenlopers die harder lopen dan hij, terwijl er maar drie naar grote toernooien mogen. De concurrentie is enorm.

Sedoc trok zich op aan de groep, kon meekomen en is huiswaarts gekeerd in het besef dat hij het Nederlands record van Robin Korving kan verbeteren. Dat staat op 13,15; zijn persoonlijke record is 13,37.

Van Zwol: ‘Het meest opvallende was dat trainingen wel drie uur duurden, bij ons hooguit twee. En dan werd er verwacht dat de laatste sprint of oefening de beste was. En was dan ook zo! Je kunt dus als trainer veel meer eisen dan ik dacht.’

Voor Damkat is de invloed van de Amerikaanse sportbeleving herkenbaar. Hij was al voor de derde keer in Californië, waar een ‘werpcultuur’ heerst. Hij herinnert zich nog levendig zijn eerste bezoek in 2000 met Rutger Smith, die destijds als een enorm talent te boek stond.

‘Rutger was toen al de man, het supertalent bij de junioren. Dus we gingen op stage. Hij mocht meedoen aan een discuswedstrijd. Zetten ze hem in de C-groep, in plaats van de A-groep. Mijn eerste gedachte was: ze kennen hem niet, ze weten niet wie hij is, hoe is het mogelijk! Maar in de wedstrijd wierp hij 58 meter. Hij won niet. Hij had niets te zoeken gehad in de A-groep.’

Zo’n ontnuchterende ervaring is belangrijk voor een atleet die in eigen land nauwelijks concurrentie heeft, meent Damkat. ‘Als een atleet denkt dat hij goed is en hij gaat naar Amerika, waar een groot deel van de wereldtop traint, dan zal hij ervaren dat er nog flink wat moet gebeuren om echt aan de top te komen.’

Mentale kracht is volgens de beide trainers van onschatbaar belang voor een topatleet. Psychologie is ook een belangrijk deel van hun vak. Maar het grootste deel van hun tijd wordt besteed aan het zoeken naar de juiste techniek voor hun atleet, en het perfectioneren daarvan. Ze geloven allebei dat de wereldtop alleen te bereiken is met trainingen die op het individu zijn toegesneden.

Wat ze doen is voor de buitenstaander nauwelijks te begrijpen, beseffen ze. Een leek kan een technisch slechte worp of sprong niet of nauwelijks van een goede onderscheiden. Hun bestaansrecht ligt in het tot stand brengen van kleine, neuromusculaire verschuivingen, zoals Van Zwol het uitdrukt.

Neem de horden. Als Sedoc erin slaagt bij elke horde eenhonderdste te winnen, verbetert hij zijn toptijd met eentiende seconde. Haalt hij er tweehonderdste af per horde, dan is hij bijna Nederlands recordhouder. Maar eenhonderdste is sneller voorbij dan een knipoog, weet Van Zwol. Het is niets en toch allesbepalend.

Ze weet wat Sedoc moet doen om tijd te winnen. Zijn start is goed en tussen de horden is hij ook goed. Hij kan vanwege zijn geringe lengte voluit sprinten, terwijl langere hordelopers zich een beetje moeten inhouden om niet tegen de volgende horde aan te botsen. Tijdwinst kan Sedoc vooral behalen boven de horde. Hij moet korter zweven en sneller neerkomen.

Van Zwol: ‘Alles staat of valt met de afzet. Wat fout gaat na de horde is al bepaald voor de horde, dat heb ik in Amerika weer eens bevestigd gezien. De afzet is oké. Alleen moet Greg leren sneller bij de grond te komen, zodat hij ook weer sneller naar de volgende horde kan sprinten.’

Damkat is in gedachten voortdurend bezig de werpbeweging op te delen en weer samen te stellen, in de hoop het ideaal te vinden. Hij heeft Smith als tiener onder zijn hoede gekregen en naar de wereldtop gebracht.

Het ging steeds beter, tot vorig jaar. Juist in het olympische seizoen stokte de progressie. Hij kent de oorzaak. Damkat loopt er niet mee te koop. Wie weinig afweet van de complexiteit van bewegingen, zal versteld staan. Hij was dat ook.

Het begon met een zwachtel. Het was Damkat vorig jaar opgevallen dat de beste kogelstoters hun onderarm afbonden. Die strakke zwachtel stelde de atleten in staat de kogel op het laatste moment een extra venijnige tik met de hand mee te geven, was zijn analyse. De stoothand klapte harder naar voren doordat er meer druk stond op de onderarmspieren.

Na overleg besloot Smith de zwachtel te proberen tijdens een trainingskamp op Tenerife, in het voorjaar. Hij stootte prompt trainingsrecords. Damkat: ‘Met die afstanden was hij olympisch kampioen geworden.’

Maar de zwachtel veroorzaakte ook een verandering die de trainer pas opmerkte toen het te laat was, kort voor de Spelen. De keten van bewegingen was verstoord. Door de strakke zwachtel zakte de elleboog van Smith tijdens de anderhalve draai om zijn as. Dat had effect op zijn heup. En dat zorgde er weer voor dat de rest van het lichaam uit balans was. De kracht stroomde niet langer vloeiend van de benen naar de stoothand. Dat scheelde decimeters, zo niet een meter.

Damkat: ‘Ik weet het: het klinkt lullig, als een excuus in de categorie ‘verkeerde wax onder je snowboard’, of ‘zeewier onder de roeiboot’. Daarom heb ik het tijdens de Spelen ook niet verteld. Ik wilde het eerst zeker weten. Aan het begin van de winter hebben we de zwachtel weg gedaan. En het liep weer.’

Hoe ongrijpbaar hun vak soms ook is, hoe broos het bestaan kan zijn – Van Zwol en Damkat laten zich niet uit het veld slaan. Zij bewegen zich op het snijvlak van raadsel en wetenschap. Ze doen niets liever. Van Zwol: ‘Dit is wat het leuk maakt. De zoektocht naar wat werkt en wat niet.’

Damkat: ‘Niet alles is wetenschappelijk te verklaren. De essentie is: uitvinden wat werkt voor de atleet. Mijn uitgangspunt is: als iemand slecht draait, moet het beter. Dat zit in me. Ik zal niet rusten voordat ik weet wat eraan schort, voordat het weer draait.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden