Betaald voetbal verdient overheidssteun

Betaald-voetbalclubs moeten hun eigen broek ophouden, maar als zij sneuvelen op de markt, is er geen competitie meer mogelijk. Pieter Verhoogt vindt derhalve dat zij overheidssteun verdienen....

Het zijn enerverende tijden voor de liefhebbers van betaald voetbal. Gek genoeg vragen niet eens de laatste speelronden van de competitie de meeste aandacht. Het belangrijkste voetbalnieuws heeft vooral betrekking op raadsvergaderingen en reddingsplannen. In onder meer Utrecht, Arnhem, Enschede, Breda, Waalwijk, Nijmegen en Oss hebben de profclubs zich ten einde raad tot de lokale politiek gewend. Wanneer de hoop op andere geldbronnen is vervlogen, blijken gemeenten vaak de laatste strohalm. Door aankoop van het stadion, een gift of het verstrekken van een lening kan de de club worden gered en het voetbalminnend deel van de bevolking worden gerustgesteld.

Gemeenteraden stellen zich bij de besluitvorming steeds twee centrale vragen: willen wij het betaald voetbal redden? En mogen wij hiervoor gemeentegeld inzetten? De eerste is een politieke vraag, de tweede een juridische, waarbij vooral de staatssteunregels een belangrijke rol spelen.

Ten aanzien van de eerste vraag moet mij van het hart dat de maatschappelijke discussie rond de gemeentebesluiten over het algemeen weinig genuanceerd is. Dat geldt in veel gevallen ook ook voor het commentaar in de media. Het ondersteunen van een lokale voetbalclub wordt snel gelijk gesteld aan het over de balk gooien van gemeenschapsgeld. Wethouders die zich sterk maken voor het behoud van de club worden ervan beticht zich te laten leiden door emoties en vooral uit te zijn op stemmenwinst. Alsof er geen legitieme argumenten zijn om als gemeente actief bij te dragen aan het voortbestaan van een betaald-voetbalclub. Alsof betaald voetbal de gemeenschap uitsluitend geld kost. De tienduizenden handtekeningen die de Utrechtse burgemeester moesten stimuleren de plaatselijke FC te redden tonen aan dat betaald voetbal een aanzienlijk sociaal-maatschappelijk belang heeft. Daarnaast hebben club en stadion ook een economische spin-off.

Probleem is echter dat waar eventuele reddingskosten hard en concreet op de gemeentebegroting drukken, de baten van profvoetbal voor een gemeenschap in de meeste gevallen lastig in euro's zijn uit te drukken. De politieke voorstanders van reddingsoperaties zouden er verstandig aan doen de economische en maatschappelijke waarde van het betaald voetbal in hun gemeente scherper in kaart te brengen. Dat komt de politieke discussie ten goede. En hopelijk ook de berichtgeving over de besluitvorming.

Indien de lokale politiek besluit om de club financieel te ondersteunen, komt de tweede vraag in beeld: mag dit? De Europese Commissie ziet betaald-voetbalclubs als normale ondernemingen die hun eigen broek moeten ophouden. Directe financiële steun van gemeenten aan clubs beschouwt de Commissie als ongeoorloofd. Maar de Brusselse steunjuristen lijken niet happig op het lastige voetbaldossier. Begrijpelijk, want voetbal staat altijd in de spotlights en de relatie tussen het betaald voetbal en de lokale overheden in diverse Europese landen ligt op z'n zachtst gezegd 'nogal gevoelig'.

Het Europese beleid ten aanzien van steun aan voetbalclubs is nog in ontwikkeling. Vooralsnog worden gemeenten geconfronteerd met vage definities en criteria die ruimte laten voor eigen interpretaties. Dit leidt tot uitgebreide juridische discussies over de vraag of specifieke steunconstructies wel of niet binnen de regels blijven. Voor acute reddingsplannen is er geen andere optie dan het creatief benutten van de mogelijkheden binnen het geldende jurisch kader. Voor de lange termijn lijkt een andere aanpak van de steun nodig.

Er pleit - zeker vanuit (sport)economische optiek - veel voor een meer genuanceerde kijk op publieke ondersteuning van betaald voetbal. Voetbalclubs zijn geen normale bedrijven en zouden dan ook niet volgens de normale steunregels moeten worden behandeld. Vrijstelling gaat te ver. Maar een uitzonderingspositie voor de sport, vergelijkbaar met zorg en cultuur is verdedigbaar.

De markt voor betaald voetbal is een bijzondere markt. In de eerste plaats is het voor aanbieders op de sportmarkt (de clubs) niet mogelijk om individueel hun producten (wedstrijden) op de markt aan te bieden. Zij hebben daar altijd hun concurrenten als mede-producenten nodig. Alleen gezamenlijk kunnen zij competitiewedstrijden aan de consument aanbieden. In tegenstelling tot producenten op de meeste reguliere markten, zijn voetbalclubs niet gebaat bij het faillissement van hun concurrenten. Sterker nog, hoe beter de concurrentie, hoe spannender en waardevoller de competitie. De aanwezigheid van een voldoende aantal competatieve clubs is cruciaal voor een goed werkende sportmarkt.

In de tweede plaats worden Europese sportmarkten in het algemeen, en de voetbalmarkt in het bijzonder, gekenmerkt door een scheve verdeling van inkomsten. Financieel is er sprake van een beperkt aantal structurele winnaars en veel structurele verliezers. Slechts een paar clubs kunnen een structureel gezonde begroting realiseren. De meerderheid van de clubs is commercieel niet of nauwelijks interessant en heeft daardoor jaar in jaar uit moeite om - zelfs bij bescheiden sportieve ambities - uit de rode cijfers te blijven. In normale markten worden dergelijke 'verliezers' vanzelf weggesaneerd. In sportmarkten staat dat gelijk aan het opheffen van de competitie. Onwenselijk, dus moeten de noodlijdende clubs overeind blijven.

Eén mogelijkheid is een deel van de inkomsten van rijke clubs aan te wenden om hun arme mede-producenten in stand houden. Dit soort horizontale solidariteit, die in de Noordamerikaanse profcompetities gebruikelijk is, stuit in Europa echter al snel (ten onrechte?) op de antikartelwetgeving.

Ook kunnen noodlijdende clubs overeind gehouden worden met overheidsgeld. Precies wat momenteel gebeurt. Alleen gebeurt het in een soort gedoogcultuur waarin zowel de Europese Commissie als gemeenten en clubs zich ongemakkelijk lijken te voelen. Wat mij betreft mag de overheid, onder voorwaarden, clubs steunen. Enige haast is daarbij geboden, want sommige clubs opereren al diep in blessuretijd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden