VolleybalLonneke Slöetjes

Alle ballen zijn voor Lonneke Slöetjes, steraanvaller van de Nederlandse volleybalploeg

Zij is de sleutel van het Nederlandse succes in de eerste WK-week. In vier duels in Japan sloeg Lonneke Slöetjes 91 punten bij elkaar. Vier van haar voorgangers over de rol van de vrije aanvaller in het volleybal, de diagonaalspeler.  

Lonneke Slöetjes in haar herkenbare cadans van sprong, smash, punt.Beeld Ronald Hoogendoorn

Een korte aanloop. De paardenstaart zwiept. Dan de uithaal met haar lange rechterarm. Punt. Dan meteen terug naar haar teamgenoten, die al in een rondje klaarstaan. Met een hupje treedt zij toe tot de blije massa.

Het is de rol die Lonneke Slöetjes bij het WK volleybal in Japan veelvuldig heeft. Zij is de sleutel van het Nederlandse succes in de eerste week. In vier wedstrijden (één duel werd zij gespaard) sloeg ze 91 punten bij elkaar. Anne Buijs, de nummer twee, haalde in vijf interlands 55 punten.

Slöetjes is de diagonaalspeler, de vrije aanvaller. Ze krijgt van het volleybalzestal de meeste ballen aangespeeld. Ook in noodsituaties, een lange rally, gaan de ballen naar de zijkant. Zij valt ook aan van achter de 3-meterlijn, een extra wapen, maar heeft geen taak in de verwerking van de vijandelijke opslag. De hoofdaanvaller moet altijd klaarstaan om de set-up van de spelverdeler een succesvol vervolg te geven.

Olof van der Meulen, de man die ­Nederland in 1996 olympisch kampioen maakte, noemde de rol van vrije aanvaller altijd die van ‘vuilnisman’. Een geuzennaam. Alle rotte ballen gaan naar de zijkanten. Daar mag de diagonaalspeler het opknappen.

Lonneke Slöetjes – in haar paspoort staan twee puntjes op de o – is de vuilnisophaalster bij de Nederlandse vrouwen. Soms wordt ze vervangen door Celeste Plak, de powervrouw met een dreun in de handen. Slöetjes (1.92 meter) is meer de hoogspringer die de bal gemakkelijk snelheid en richting geeft.

Vier ‘diagonalen’ uit het verleden kennen de bijzonderheden van het vak. Zij stonden tussen 1985 en 2015 in de nationale ploeg en waren Slöetjes’ voorbeelden: Henriëtte Weersing, Elles ­Leferink, Francien Huurman en Manon Flier.

Elles LeferinkBeeld Ronald Hoogendoorn

De opleiding

Elles Leferink: ‘Ik was een gewone aanvalster met een taak in het opvangen van de service, de passer-loper. Zo speelde ik in 1995 het jeugd-WK in Bangkok. Maar toen scheurde Harry (Henriëtte Weersing, red.) een bovenbeenspier en kwam ik voor het EK in Nederland plots op de diagonaal. Een noodgreep. Riëtte ­Fledderus was de spelverdeler, ook uit mijn juniorenteam. Alles ging goed, puur op gevoel hoor.’

Henriëtte Weersing: ‘Toen ik voor Ravenna speelde, trainde het mannenteam na ons. Met de Amerikaanse olympische kampioen ­Stephen Timmons. Die speelde diagonaal. We bleven na onze training kijken. Ik naar Timmons en Vullo, de spelver­deler. Van hun hebben we de tussenbal afgekeken, een slimme aanval, iets van de buitenkant af naar het onverdedigde midden van het net.’

Francien Huurman: ‘Ik kwam in 1996 bij de nationale ploeg en werd op de ­diagonaal geplaatst. Omdat ze op zoek waren naar lange mensen. Het was echt een spoedcursus. Aanvallen en blokkeren. Meer hoefde niet. Later ben ik naar het midden en andere aanvalsposities teruggegaan.’

Manon Flier: ‘Ik ben op het EK 2001 voor de leeuwen gegooid. Ik was 17, zo bleu als een tientje. Weersing stopte, met ­Leferink boterde iets niet. Ik moest het doen, wisselde af met Hanneke van ­Leusden, de diagonaalkoningin van Weert die een zomer in Oranje speelde.’

Het fysiek

Leferink: ‘Ik was een Twents porkje. Een klein varkentje, ja. Maar ik was natuurlijk met mijn 1.77 veel te klein voor de rol van vrije aanvaller. Nu zou ik niet eens meer geselecteerd worden voor de nationale ploeg. Al in mijn jaren werd lengte ­leidend in de selectie. Vergeleken met die anderen was ik maar een meisje.’

Henriette WeersingBeeld Ronald Hoogendoorn

Weersing: ‘Ik was van mezelf, van moeders kant, heel sterk. Redelijk atletisch. Had op niveau geturnd. Ik kon hoog springen. Mijn reikhoogte was 3.20. Ik ben zelf 1.87. Dat was lang voor die jaren. Nu niet meer. Ik werd in mijn laatste jaren bij het nationale team voorbijgesneld door steeds langere meiden als Visser, Fleurke, Huurman en Flier.’

Huurman: ‘Je hoort snel en beweeglijk te zijn, om zaken op te lossen van achter de 3-meterlijn. Maar ik ben natuurlijk geen type als Manon Flier. Ik was zwaarder. Ik ben 1.92 meter, maar had een ­reach van 3.22.’

Flier: ‘Ik was 17, toen ik door het Leo van der Kar-fonds werd uitgezonden naar Brazilië om beter te leren aanvallen. Ik ben 1.92 meter.’

De snelle arm

Weersing: ‘Mijn schouder is het altijd blijven doen. Eén keer is-ie uit de kom geweest. Bij een judoles op het cios. Mijn ballen waren hard. Dat had nog een oorzaak. Ik had grote handen. Dat scheelt in het raakvlak met de bal. Daarom raakte ik ze extra hard.’

Leferink: ‘Ik had een soepele schouder en een snelle pols. Ik ben linkshandig. Ook een voordeel. Als ik in de lucht hing, had ik altijd een fractie langer de tijd om mijn slag te bepalen. Mijn arm was echt snel. Het blok was dan vaak te laat.’

Huurman: ‘Ik heb het altijd van mijn harde slagen moeten hebben. Ik kon een tragere bal ook veel vaart geven. Ik was later een powerhitter op het midden.’

Flier: ‘Ik had een hele voorbeweging nodig, met het hele lichaam, om de bal vaart en kracht te geven. Zo kwam ik wel één meter van de grond. Ik mis een schouderspier, de infraspinatus. Dus mijn schouder heb ik altijd moeten bijhouden. Soms was het pappen en nathouden. Er is ook wel eens een spuitje ingegaan. En altijd met elastieken bezig om de spieren te trainen. Mocht ik niet vergeten.’

De favoriete slag

Weersing: ‘Ik sloeg de bal graag cross, voorlangs het blok van de tegenstander. Op linksvoor kwam ik vaak uit. Of ietsje naar binnenkomend, voor een bal op medium snelheid. Ik had die snelle polsbeweging om dan een actie te maken.’

Leferink: ‘Pierre Mathieu wilde als bondscoach mijn techniek veranderen. Ik deed nu eenmaal alles op gevoel. Maar dat was ook goed. Ik was geen gemaakte speelster. Mijn sprongservice was heel goed (de beste van WK 1998, red.). Ik had er geen verklaring voor. Het was allemaal op gevoel. En ik sprong hoog: mijn reikhoogte was 3.10 meter.’

Huurman: ‘Als diagonaalspeler moet je alle vormen van afmaken beheersen: de crossbal, de rechtuit, de handen van de blokkerende tegenstander gebruikend. Je moet behendig zijn.’

Flier: ‘Op rechtsvoor aanvallen had mijn voorkeur en dan de bal zo laat mogelijk raken, aan de buitenkant van het net. Dan kon ik hem rechtdoor langs de lijn slaan. Of, wat later kwam: het ­zogeheten roll-shot: een boogschot op half tempo, geslagen met een half open hand.

Francien Huurman Beeld Ronald Hoogendoorn

De hoeveelheid ballen

Weersing: ‘Vrije aanvaller is een heel zware rol in het volleybal. In 2001, na een EK-kwalificatie in Rotterdam, ben ik gestopt. Ik kon het niet meer opbrengen. Italiaanse clubvolleybal was al heel zwaar en ik was de jongste niet meer. Ik heb de 297 interlands gehaald. Het record, 514, is van Ingrid Visser (de international die in 2013 werd vermoord in Spanje, red.). Ik mag hopen dat het voor eeuwig haar record zal blijven.’

Leferink: ‘Ik was van lekker knallen. Ik speelde in een bijzonder getalenteerd team, met Boersma en Visser. Trainen was haast niet nodig, vond ik, zoveel kwaliteit hadden we in die jaren. Mij kostte het minder moeite, als ik bij een warme, familiaire club als Ulm acteerde. Daar, in Zuid-Duitsland, heb ik vier jaar gespeeld. Dat waren mijn mooiste jaren.’

Flier: ‘Op het hoogste niveau krijg je tachtig of negentig ballen in een wedstrijd. Ik ken records uit Japan en China, waar ik gespeeld heb, van vijftig punten door de diagonaalspeler.’

De verantwoordelijkheid

Weersing: ‘Ik kreeg van de druk en het ritme jeuk. Altijd op dezelfde plek op mijn lijf. Altijd op hetzelfde moment. Daarom ben ik ook niet doorgegaan als trainster. Al heb ik wel mijn cios-opleiding gedaan.’

Leferink: ‘Toen ik heel jong op die diagonaalplek terechtkwam, bij het EK van 1995, stond ik er heel ontspannen in. Giebelen met Riëtte Fledderus. Wat kon ons gebeuren. Wij hadden al een mooi WK jeugd gespeeld.’

Weersing: ‘Het mooie aan de rol van diagonaal is dat jij de wedstrijd kunt beslissen. Jij krijgt de ballen waar het om gaat. Als je wint, dan voel je je geweldig. Dat was het allerleukste gevoel.’

Flier: ‘In het begin is alles mooi. Ik ging er volle bak voor. Onbevangen. Dan kan er weinig misgaan. Maar als je dat stadium voorbij bent en je hebt aan bepaalde eisen voldaan, dan komen de verwachtingspatronen. Geeft niks, hoor. Want dan word je van individualist teamspeler.

Manon FlierBeeld Ronald Hoogendoorn

Het hoogtepunt

Weersing: ‘Voor mij was dat het EK van 1991 in Italië en de plaatsing voor de Olympische Spelen van 1992. Die kwalificatie hebben we meer gevierd dan het EK-zilver.’

Leferink: ‘We werden Europees kampioen in 1995. Ik werd dat jaar tot beste volleybalster van Europa gekozen. Maar in 1997 was ik zeker zo goed.’

Flier: ‘Voor mij was dat het winnen van de Grand Prix in 2007, in China. Ik werd gekozen tot MVP, beste speelster. En nog misten we de olympische kwalificatie voor 2008. Bizar.’

Huurman: ‘Het zilver van het EK in Polen in 2009 was het mooist. Alles viel toen op zijn plek.’

Slöetjes en het WK

Weersing: ‘Als Lonneke fysiek in orde is en blijft, in die dertien WK-wedstrijden, dan kan Nederland ver komen. Ik houd mijn vingers gecrosst. Ik ga voor een medaille. Je kunt Lonneke sparen in minder belangrijke wedstrijden, ze heeft een verleden met knie en schouders. Maar je kunt haar ook steeds inzetten, om zo’n pot snel af te ronden. Ik heb een zwak voor haar. Ik heb in 2012 als teammanager nog gezorgd dat zij nummer 10 kreeg. Dat was mijn nummer vroeger. Wij lijken op elkaar qua karakter. Ik kwam uit het noorden, zij uit het oosten. Wij komen voorzichtig binnen. Later ben je de informele leider. Van: geef mij die bal. Ik vind Lon geweldig. Ik hoop dat ze het op dit WK helemaal gaat maken. Dat ze de erkenning krijgt als wereldtopper.’

Huurman: ‘Het ziet er bij haar allemaal zo makkelijk uit. Fysiek is volleybal veranderd. Wij duwden op de training nog vele kilo’s weg om sterke armen te krijgen. Iedereen werd daarmee zwaarder. Later kwam het inzicht dat je aan snelle spieren moest werken, meer met het eigen gewicht. Het draait nu meer om souplesse.’

Flier: ‘Ik heb Lonneke zien komen. Als de rising star. Ze is net zo lang als ik, 1.92. Maar atletischer en fysieker. Ze komt gemakkelijker omhoog. Ze is nu fit, blessures aan knie en schouder zijn achter de rug. Ik had geen moeite mijn plaats aan haar af te staan in 2015. Zij was beter. Dan is het klaar. Op dit WK breken weer jongeren als Juliët Lohuis door. Het kan alle kanten op, maar ik hoop op een medaille.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden