456 zwemmedailles op de Paralympische Spelen: hoe zat het ook alweer met al die klassen?

De Paralympische Spelen van Rio de Janeiro zijn begonnen. 528 onderdelen. Dat leest u goed. Dat komt omdat de sporters worden onderverdeeld in honderden klassen. Een ingewikkeld systeem. Hoe werkt dat ook alweer?

Marlou van Rhijn (oranje) tijdens het WK Beeld anp

Het codewoord van de Paralympische Spelen is 'classificatie'. Hiermee wordt bepaald in welke mate sporters gehandicapt zijn. Dat hoeft niet altijd ingewikkeld te zijn. Het bekendste Nederlandse voorbeeld is Marlou van Rhijn, de vrouw met de ietwat seksistische bijnaam 'blade babe'.

Ze komt uit in de klasse T43, die wordt gecombineerd met de T44. Van Rhijn, met twee blades, strijdt ook tegen sprinters met een enkele amputatie (T44). Uit de reglementen: 'In deze klasse komen atleten met beperkingen aan de ledematen voor, zoals amputaties. In klasse 42-44 hebben sporters een beperking aan de benen.'

Maar de Paralympische Spelen kent honderden van dit soort klassen, verdeeld over de verschillende sporten én afstanden. Laten we als voorbeeld de 100 meter sprint bij vrouwen nemen. Die wordt verlopen in de T43/44-klasse van Van Rhijn, maar ook nog in dertien andere klassen. De mannelijke 100 meter wordt zestien keer gelopen.

Of neem het zwemmen. Daar zijn 456 medailles te verdelen. Een greep uit de verschillende klassen (die weer meedoen op verschillende onderdelen; van de 50 meter vrij tot de 400 meter wisselslag):

Klasse 1: 'In deze klasse zwemmen sporters met aanmerkelijke beperking in spierkracht of controle in benen, armen en handen. (...) Sommigen hebben ook beperkte rompfunctie. Zwemmers in deze klasse zijn rolstoelgebonden.' Zwemmers uit klasse 9 zwemmen met 'beperkingen aan de gewrichten van één been, dubbele onderbeen amputatie of een beenamputatie boven de knie.' En de deelnemers uit klasse 10 hebben 'een minimale handicap, zoals een ontbrekende handfunctie of een voetamputatie'.

Hiernaast staan de tien erkende beperkingen. Het is uiteraard niet zo dat mensen met dezelfde beperking vanzelfsprekend tegen elkaar strijden. Of je nu een basketballer bent met een dwarslaesie, of twee geamputeerde benen: als je in een rolstoel zit, speel je in het rolstoelbasketbalteam.

Het Internationaal Paralympisch Comité (IPC) heeft tien beperkingen erkend

1. Verminderde spierkracht door bijvoorbeeld dwarslaesie of spina bifida

2. Beperking in de beweeglijkheid van gewrichten

3. Amputaties van ledematen als gevolg van trauma of ziekte, of een aangeboren deficiëntie aan de ledematen

4. Significant beenlengte verschil, aangeboren of door een trauma

5. Dwerggroei (Achondroplasie)

6. Hypertonie zoals Cerebrale Parese (spasmen)

7. Ataxie

8. Athetose

9. Visuele beperking, zowel in scherpte, gezichtsveld als (kleuren)waarneming

10. Verstandelijke beperking, gemeten in IQ (<75), een beperkte zelfredzaamheid én de voorwaarde dat dit voor het 18e jaar is geconstateerd

Teamsporten

Bij teamsporten wordt het lastiger om de samenstelling te bepalen. Om bij het rolstoelbasketbal te blijven: daarbij gaat het namelijk niet alleen om het feit dat je in een rolstoel zit, maar ook hoe je je in die rolstoel kunt bewegen.

Rolstoelbasketballers worden ingedeeld in acht klassen, daarbij horen 1 tot 4,5 punten. Zo zijn er spelers zonder rompfunctionaliteit (1 punt), maar ook spelers die wel met hun romp kunnen roteren en vooruit leunen, maar niet zijwaarts (3 punten). De basketballers die in klasse 4 vallen kunnen wel zijwaars leunen, maar dan 'veelal beperkt tot één zijde'.

Hoe wordt dan de samenstelling bepaald? Uit de spelregels: 'Elk rolstoelbasketbalteam, bestaande uit vijf spelers mag maximaal 14 punten tegelijkertijd in het veld hebben.'

Arbitrair

Bij het tafeltennis doen zowel motorisch- als verstandelijk gehandicapten mee. In totaal zijn er 11 klassen; sporters uit 1 tot en met 5 zitten in een rolstoel, 5 tot en met 10 kunnen staand spelen, categorie 11 is voor verstandelijk beperkten.

Klasse 1 is open voor spelers zonder zitbalans en een zeer beperkte speelarm, bijvoorbeeld door een dwarslaesie of polio. In klasse 2 wordt het arbitraire van deze indeling duidelijk. De officiële richtlijn: 'Deze spelers hebben geen zitbalans, maar een minder beperkte speelarm dan degene in klasse 1.'

Klasse 6 is weer duidelijker: 'De spelers hebben ernstige beperking aan beide armen en benen, bijvoorbeeld door incomplete dwarslaesie, amputatie of neurologische omstandigheden. Sommige spelers spelen als gevolg daarvan met het tafeltennisbat in de mond.'

Paralympische kwalificatietoernooi Beeld anp

Slechtziend

Sporters met beperkt zicht doen op verschillende manieren mee aan bepaalde sporten. Bij het verspringen lopen bijvoorbeeld twee coaches mee, die met een koordje de sporter begeleiden in de richting van de zandbak.

Bij het voetbal krijgen alle verschillende spelers een geblindeerde skibril op, zodat de handicap voor alle deelnemers gelijkgetrokken wordt. In de bal zit een belletje, zodat de spelers op gehoor de bal kunnen volgen.

Slechtziende en blinde wielrenners rijden op een tandem, waarbij de slechtziende achterop zit. Voor wielrenners met een evenwichtsstoornis is er een driewieler.

Een volledig overzicht van de sportklassen per sport vindt u hiernaast in het overzicht van het NOC*NSF.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden