POSTUUM

'Niet vergeten, I'm the greatest!'

Postuum: Muhammad Ali (1942-2016)

In The Best American Sportswriting of the Century, de door de legendarische journalist David Halberstam samengestelde bijbel van het sportschrijven, lijkt bokser Muhammad Ali aanvankelijk niet voor te komen.

Muhammad Ali (c) wordt door Drew Bundini Brown toegeschreeuwd tijdens zijn laatste ronde als professioneel bokser. 1980, Las Vegas Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Tot je op pagina 699 bent aangekomen, bij het hoofdstuk The One and Only. Dan blijkt dat Ali in de ogen van Halberstam als enige sporter een apart hoofdstuk waard was: zes juwelen van verhalen over de man die op zeventien januari 1942 werd geboren in Louisville, Kentucky en die zou uitgroeien tot een van de grote culturele iconen van de Verenigde Staten van de twintigste eeuw.

Hij werd in 2000 door Sports Illustrated gekozen tot Sportsman of the Century. De BBC vond hem de grootste 'Sports Personality' van de voorbije eeuw. Volgens de rest van de wereld was hij de meest invloedrijke atleet aller tijden.

Zaterdag vroeg in de ochtend, Nederlandse tijd, stierf in Scottsdale, Arizona, Muhammad Ali, De Grootste, geboren als Cassius Clay, achterkleinzoon van slaven. Hij leed al ruim dertig jaar aan de Ziekte van Parkinson - een direct gevolg van zijn loopbaan als zwaargewicht en de klappen tegen zijn hoofd.

Muhammad Ali Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Kansloos kanonnenvoer

Op de middag van 25 februari 1964 kreeg sportverslaggever Robert Lipsyte van de New York Times een telefoontje van de redactie. Hij was in Miami, waar die avond in de Miami Convention Hall het gevecht om de wereldtitel zwaargewicht zou plaatsvinden tussen titelverdediger Sonny Liston en Cassius Clay. Liston was minstens 31 - zijn geboortejaar was niet bekend -, Clay was net een maand 22.

Uitdagers stonden niet in de rij voor Liston, die gevreesd werd vanwege zijn verschrikkelijke stootkracht. Hij had twee jaar eerder wereldkampioen Floyd Patterson in de eerste ronde knock out geslagen, en hem in een rematch in 1963 binnen de eerste ronde zelfs driemaal tegen het canvas gemokerd alvorens de beslissende ko uit te delen. Cassius Clay werd algemeen als kansloos beschouwd, als kanonnenvoer. Bij de bookies stond hij op 7:1 voor de zege. Of Lipsyte de route van Convention Hall naar het ziekenhuis wist, vroeg de bureauredactie in New York. Want dat was ongetwijfeld de weg waarlangs Clay binnen de kortste keren zou worden afgevoerd. Als hij al niet rechtstreeks naar het mortuarium zou worden overgebracht. Liston was ervan overtuigd dat hij Clay zou doodslaan - letterlijk.

Cassius Clay zelf was doodsbang. 'Sonny Liston', zei hij in 1998 tegen journalist David Remnick, 'de eerste keer. De eerste ronde. Hij zei dat hij me zou vermoorden.' Remnick, hoofdredacteur van The New Yorker, schreef over Ali een van de allermooiste sportbiografieën ooit, King of the World.

Cassius Clay werd professional bokser nadat hij in 1960 in Rome op 18-jarige leeftijd olympisch kampioen was geworden. Hij was nog jong, maar in alles al de provocerende entertainer/atleet die de wereld zou gaan veroveren. Regerend wereldkampioen Floyd Patterson was ook even in Rome. 'Hey Floyd', riep Clay toen hij Patterson ontwaarde. 'Op een dag ga ik jou slaan. Niet vergeten, I'm the greatest!'

Grote bek

Het gevecht tegen Liston zou zijn twintigste als professional worden. In het voorgaande, in juni 1963, was hij tegen de Brit Henry Cooper door het oog van de naald gekropen. Hij ging neer op een hoek van Cooper, maar die moest even later opgeven vanwege een hevig bloedende wenkbrauw.

Aan de vooravond van het gevecht maakte de wereld kennis met de geweldig grote bek van Cassius Clay. Die had er van jongs af aan een gewoonte van gemaakt zijn tegenstanders al voor de partij uit te dagen, te sarren en provoceren. Liefst in het soort trashtalk dat hem tot de eerste rapper maakte: korte rijmende zinnetjes, waarin hij voorspelde wanneer hij zijn tegenstander ko zou slaan. Listons gevreesde reputatie weerhield Clay er niet van zijn getreiter ook los te laten op de wereldkampioen. Hij maakte hem tijdens het wegen uit voor 'Grote lelijke beer' en kwam voor de eerste keer met het boksadagium dat beroemd zou worden: 'I'm going to float like a butterfly an sting like a bee', waarop een korte samenvatting van zijn boksfilosofie volgde: 'Your hands can't hit what your eyes can't see'.

Op YouTube is het gevecht te zien. En binnen drie minuten is ook duidelijk wat Clay zo'n bijzondere bokser maakte. Listons eerste zeven stoten raken alleen maar lucht: Clay's razendsnelle reflexen beschermen hem tegen de mokerslagen. De uitdager danst als een vlinder om Liston heen, een volledig nieuwe tactiek, zeker in het zwaargewicht waar het de gewoonte was dat twee logge reuzen elkaar statisch het licht uit de ogen probeerden te slaan.

Na de zesde ronde gooide Liston de handdoek in de ring. 'I must be the greatest!', schreeuwde Cassius Clay. 'I shook up the world! I can't be beat, I'm the king of the world!'

Muhammad Ali traint voor zijn gevecht met Larry Holmes in een hal bij Ceasar's Palace in Las Vegas. Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Maffia

Het boksen was in Amerika, na de glorieuze jaren veertig en vijftig, in handen gekomen van de maffia. Matchfixing was eerder gewoonte dan uitzondering. Boksers waren 'eigendom' van dubieuze investeerders en promotors, zonder wie een carrière in de ring onmogelijk was. Zij hadden het imago van the noble art of self defence zwaar beschadigd. Hoewel Clay ook werd 'gebracht' door een groepje investeerders uit zijn geboorteplaats Louisville, wist hij zich in de loop der jaren aan de macht van het maffiakapitaal te onttrekken - Muhammad Ali werd te groot om te worden gemanipuleerd - én de sport met zijn bijna elegante stijl te vernieuwen.

Na zijn zege op Liston trad Clay toe tot Malcolm X' Nation of Islam, een beweging waarin emancipatie van de zwarte Amerikaan en religie samen kwamen. Cassius Clay werd een fanatieke moslim die weigerde nog langer zijn 'slavennaam' te dragen, Clay werd Muhammad Ali. Toen Floyd Patterson weigerde hem voor een titelgevecht bij zijn nieuwe naam te noemen, achtervolgde Ali hem in de ring, slaand en schreeuwend: 'What's my name?' Onder invloed van de Black Muslims hield hij er aanvankelijk extremistische ideeën op na. De vredelievende man die later zou overstappen naar de soennitische islam en een jaar of acht geleden zelfs het soefisme omarmde - de mystieke poot van de islam - was voor volledige segregatie tussen blank en zwart. 'Een zwarte man zou gedood moeten worden als hij rotzooit met een blanke vrouw', zei hij in een interview met Playboy.

Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant
Muhammad Ali (c) tijdens zijn laatste gevecht als professioneel bokser. 1980, Las Vegas. Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant
Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Dienstplicht

Het fundament voor Ali's roem werd in de ring gelegd, maar zijn grote betekenis voor de Amerikaanse samenleving ontleende de bokser aan zijn activiteiten buiten het boksen. Die ontplooide hij noodgedwongen vanaf april 1967, toen hem zijn wereldtitel en bokslicentie werden afgenomen nadat hij had geweigerd als dienstplichtig soldaat naar Vietnam te gaan.

Hij was in 1964 afgekeurd voor militaire dienst, omdat hij amper kon lezen en schrijven en een IQ van 78 zou hebben. Twee jaar werd hij alsnog goedgekeurd voor deelname aan een oorlog die op dat ogenblik in de VS nog vrij onomstreden was. Hij weigerde te gaan. Voor rechtse Amerikanen stond Ali's dienstweigeren gelijk aan landverraad. Maar er groeide ook een ander Amerika, en daar broeide het in de tweede helft van de jaren zestig: dat van de zwarte getto's vol gefrustreerde zwarten en dat van de universiteiten vol opstandige babyboomers.

In even simpele als effectieve oneliners verbond en versterkte Muhammad Ali de sentimenten van die beide Amerika's. 'I ain't got no quarrel with them Vietcong', waren zijn beroemde woorden, 'no Vietcong ever called me nigger.' Voor de grote protesten tegen de oorlog uitbraken en nog voor de getto's in brand vlogen na de moord op Martin Luther King in april 1968, werd Muhammad Ali, de geschorste bokser, de stem van een generatie, van jonge zwarten en blanke babyboomers. Hij reisde het hele land door, van universiteit naar universiteit, om zijn mening te verkondigen.

Muhammad Ali betreedt de trappen van zijn mansion op Willshire Boulevard, Los Angeles. Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Cultureel icoon

Het is moeilijk te meten hoe groot de invloed van een individu op maatschappelijke ontwikkelingen is geweest. Maar het staat vast dat Muhammad Ali een belangrijke rol speelde in de emancipatie en het toegenomen zelfvertrouwen van de zwarten in de VS én dat hij een van de voorlopers was in het kantelen van de opinie over de oorlog in Vietnam, die er uiteindelijk toe leidde dat de Amerikanen uit dat land vertrokken.

Tegelijkertijd kantelde ook de overheersende opinie over Ali zelf: zijn religieuze en politieke overtuigingen, en de prijs die hij daarvoor bereid was te betalen, veranderden hem van een provocerende bokser in een populair cultureel icoon. Het waren de jaren zestig, waarin de populaire cultuur wereldwijd explosief groeide, met name dankzij dat in bijna alle huiskamers aanwezige nieuwe medium, de tv. Dat katapulteerde sporters in no time naar roem - wat in Nederland gebeurde met Ard Schenk en Kees Verkerk, voltrok zich mondiaal met Muhammad Ali.

Muhammad Ali Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Olympische vlam

Bij de eerste inauguratie van Barack Obama, in 2009, was Muhammad Ali een van de eregasten: de nieuwe president wist wie er belangrijk was geweest in het effenen van het pad voor de eerste zwarte president. En toen Ali, trillend van de Parkinson, in 1996 de lange trap op liep en de Olympische vlam ontstak voor de Spelen van Atlanta, werd hij Zeus in het Pantheon van sporthelden van de twintigste eeuw.

In 1970 sprak het Hooggerechtshof hem vrij en keerde Ali terug in de ring. Hij was niet langer de onaantastbare bokser van voor 1967. In 1971 verloor hij in Madison Square Garden in New York het eerste titelgevecht van Joe Frazier - die extra gemotiveerd was vanwege de beledigingen die Ali hem vooraf naar zijn hoofd slingerde. Na een nederlaag tegen Ken Norton in 1973 overwoog Ali helemaal te stoppen, maar op 12 januari 1974 heroverde hij na zeven jaar zijn wereldtitel, door Frazier op punten te verslaan.

Muhammad Ali (c) loopt met zijn bodyguards en broer Rachman over een parkeerterrein een paar uur voor het gevecht tegen Larry Holmes, zijn laatste gevecht als professioneel bokser. Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

'Rumble in the Jungle'

Hierna volgden de twee partijen die Ali definitief tot mythe zouden maken, The Rumble in the Jungle en The Thrilla in Manilla. Het zijn de twee bokspartijen die bij een generatie, ook in Nederland, in het geheugen staan gebeiteld, niet in de laatste plaats omdat ze 's nachts werden uitgezonden.

De eerste was op 30 oktober 1974, tegen George Foreman, in Kinshasa, Zaire. De fine fleur van het Amerikaanse New Journalism reisde af naar Afrika: George Plimpton, Hunter S. Thompson, Norman Mailer, wereldberoemd sinds The Naked and the Death. Mailer was gestuurd door Playboy. De afspraak was een verhaal van tienduizend woorden; het werden er dertigduizend, en die verschenen integraal in het mei-nummer van 1975: The Figth, een lange ode aan Muhammad Ali en zijn betekenis voor zwart Amerika.

Niemand gaf een cent voor Ali's kansen. Foreman had zijn voorgaande veertig profgevechten allemaal gewonnen, waarvan 37 op ko. Maar Ali won, vooral dankzij een uitgekiende tactiek die erop was gericht Foreman uit te putten door hem de kans te geven aan te vallen zonder tot gevaarlijke stoten te komen. En Ali paste psychologie toe. Toen Foreman na een woedende serie stoten Ali in zijn oor hoorde fluisteren 'Is that all you've got George?', brak hij.

Legendarische uitputtingsslag

Het gevecht in Zaire kreeg een mythische status. Behalve Mailer schreef ook Plimpton er een boek over (Shadow Box), werd er een prachtige documentaire over gemaakt (When We Were Kings), een film (Don King: Only in America) en er werden tientallen popsongs aan gewijd. Ali's bokshandschoenen uit het gevecht zijn te zien in het National Museum of American History in Washington.

Een jaar later, op 1 oktober 1975, stond Ali in Manila voor de laatste maal tegenover Joe Frazier. Het gevecht liep uit op een legendarische uitputtingsslag, die werd beëindigd toen de trainer van Frazier na de veertiende ronde de scheidsrechter verzocht er een eind aan te maken - hij verraste daarmee Ali, die in de andere hoek precies hetzelfde plan had, ook hij was totaal uitgeput. Ali hield aan het gevecht een levenslang respect over voor Frazier - overleden in 2011 - en hij bood zelfs zijn excuses aan voor alle eerdere beledigingen. Het gevecht omschreef hij als 'the closest thing to dying I know.' Getuigen verbaasden zich over de enorme mokerslagen die Ali incasseerde en die volgens Frazier een neushoorn zouden hebben geveld - maar niet Muhammad Ali.

Wereldtitel

Ali incasseerde na het epische gevecht de revenuen, in partijen tegen mindere goden. In februari 1978 verloor hij de wereldtitel aan Leon Spinks, om hem in oktober van datzelfde jaar nog één keer te heroveren - en de enige zwaargewicht te worden die dat staaltje drie keer herhaalde. In 1980 bokste een verzwakte Ali in Las Vegas tegen Larry Holmes en kreeg daar zoveel klappen te incasseren, dat het vermoeden bestaat dat met name dat gevecht bijdroeg aan het ontstaan van Parkinson. In 1981 bokste hij zijn laatste partij, en verloor van Trevor Berbick. In 1984 werd de diagnose Parkinson gesteld. 'Boksen beroofde Muhammad Ali van zijn middelbare leeftijd', schreef David Kindred van de Washington Post, 'hij was een oude man op zijn 41ste.'

Muhammad Ali wijdde het leven na het boksen aan being Muhammad Ali, reisde voor zijn liefdadigheidsstichting de wereld over, ging in 1991 naar Saddam Hussein om Amerikaanse gijzelaars vrij te krijgen en reisde in 2002 als 'VN Vredesboodschapper' naar Afghanistan. In 2005 werd in Louisville het imposante Muhammad Ali Center geopend, een museum met Ali-memorabilia, maar ook een debat- en studiecentrum over vrede en sociale verandering.

Muhammad Ali met zijn kinderen uit zijn tweede huwelijk. Links zit zijn vader. Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Koning van de Wereld

De Koning van de Wereld was vier keer getrouwd en laat zeven dochters en twee zoons na. Zijn dochter Laila werd ook bokser, en zelfs wereldkampioen.

Hij was voor het boksen wat Michael Jordan was voor het basketbal, Tiger Woods voor het golf, Roger Federer voor het tennis, Fanny Blankers-Koen voor de vrouwenatletiek en Lionel Messi voor het voetbal: geniale vernieuwers die hun sport opnieuw definieerden. Maar Muhammad Ali voegde daaraan zijn persoonlijkheid toe en zijn humor: 'Als je er ooit van droomt mij te verslaan, kun je maar beter wakker worden en je excuses aanbieden.'

Maar wat hem bovenal onderscheidde van andere sporthelden, was de moed zich met de grote maatschappelijke vraagstukken te bemoeien. Dat doet de moderne atleet, op advies van zijn zaakwaarnemer, niet meer.

In 2007 kreeg Muhammad Ali een eredoctoraat aan de Universiteit van Princeton - zijn definitieve revanche op de militaire test van 1964.

Muhammad Ali in zijn kantoor in zijn mansion op Willshire Boulevard, Los Angeles. Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

George Foreman vs Muhammad Ali - Rumble in the Jungle

Muhammad Ali vs Joe Frazier - The Thrilla in Manilla

Muhammad Ali vs Larry Holmes - Las Vegas

Muhammad Ali vs Henry Cooper - Wembley London

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.