‘Het is doodeng als je verlamd raakt’

Wereldkampioene overleven is ze al...

Ook als ze niet aan de Open NK in Thialf meedoet, blijft Karen Venhuizen de meest besproken kunstrijdster. ‘Ik heb dit weekeinde geen seconde rust gehad’, vertelt de 24-jarige Venhuizen, die vanwege een heupblessure haar Nederlandse titel niet kon verdedigen en na acht jaar wordt opgevolgd door Manouk Gijsman.

Aan iedereen moet Venhuizen uitleggen waarom een rentree in Heerenveen te vroeg komt. Haar lichaam heeft dit jaar veel te verduren gehad en geeft opnieuw een signaal dat de wederopstanding nog niet is voltooid. ‘Ik wacht op de testen en een behandelplan’, zegt Venhuizen, in het restaurant van Thialf. ‘Het is een mentale tik, want ik dacht juist eindelijk hersteld te zijn. Maar ik moet het niet forceren. Het is immers een wonder dat ik weer op het ijs sta.’

Vlak nadat Venhuizen bij het EK in Zagreb voor het eerst tot de beste zestien behoorde, werd ze in februari geveld door het syndroom van Guillain-Barré, een spierziekte die jaarlijks tussen de 150 en 300 mensen treft. Venhuizen herstelde volledig, zij het na een enorme lijdensweg. ‘Bij dit syndroom vallen alle spierfuncties uit. Het is doodeng als je totaal verlamd raakt.’

Venhuizen was al opgenomen in het Universitair Medisch Centrum in Groningen, toen ze plotseling door haar benen zakte. ‘Ik dacht dat ik even uit bed kon, maar dat ging dus niet. Ik lag op de vloer en ik kwam niet meer overeind. Alleen door te tijgeren, bereikte ik de noodknop om een zuster te waarschuwen. Ik moest drie weken platliggen. Het probleem is dat men niet weet hoe de medicatie exact werkt.

‘Het verloopt niet bij iedereen even goed. De doktoren waarschuwen dat ze niet kunnen voorspellen hoe diep je nog naar beneden zakt. Ik had het dieptepunt al na twee weken bereikt, daarna begon de herstelfase.’

De weken in bed waren een helletocht, waarbij de studente communicatiewetenschappen geen houvast had. ‘De eerste paar dagen kon ik nog lezen. Maar als ik mijn hoofd voorover boog, begonnen de letters al te dansen. De nekspieren waren ook aangetast. Tv kijken werd ook steeds lastiger. De muziek heeft me er doorheen gesleept. Een iPod in mijn oren, dat ging nog net.

‘De krachten vloeiden weg. Het ging steeds slechter met me. Ik at met plastic bestek. Een metalen mes en vork waren loodzwaar. Alleen mijn pols kon ik nog bewegen. Daarna werd ik gevoerd, maar zelfs slikken ging moeilijk.’

De artsen hadden haar verzekerd dat Guillain-Barré geen dodelijke ziekte is. Venhuizen: ‘Maar ’s nachts had ik zoveel pijn dat ik wekenlang geen oog heb dichtgedaan. En overdag mocht ik niet slapen, omdat ze mijn bioritme niet wilden verstoren. Ik kreeg medicijnen tegen de zenuwpijn. Pas na anderhalve week mocht de dosis iets omhoog om een acceptabele bloedspiegel te krijgen.

‘Vooral de zenuwen en de worteluiteinden in mijn rug waren ontstoken. Ik lag op een bed dat zichzelf opblies. Als het bed omhoog kwam, verging ik van de pijn in mijn rug. Onbewust ging ik mijn adem inhouden om maar van die pijn verlost te zijn. Zelfs bezoek kon ik nauwelijks aan. Ik had letterlijk minder adem, omdat mijn longinhoud minder werd.

‘En tijdens bezoekuren moest ik telkens uitleggen wat er met me aan de hand was. We praten niet over mij, zei ik tegen mijn vriendinnen. Ik wil ook kunnen lachen om de dingen die op de universiteit of de schaatsbaan gebeuren.’

Figuurlijk dan, want ook lachen was een martelgang. Venhuizen: ‘Vooral de nachten waren verschrikkelijk. Ik moest letterlijk mijn emoties uitschakelen, want ik had geen kracht om te huilen en lachen of praten deed teveel pijn. Keek ik op de klok, waren er pas vijf minuten verstreken. Dan zette ik mijn iPod maar weer op.’

De ziekte was ook mentaal slopend, omdat Venhuizen besefte dat ze de controle over zichzelf verloor. ‘Zitten, staan en lopen zitten in je systeem. Maar als het lichaam iets heel anders doet dan wat je in gedachten hebt, schrik je enorm. De aansturing hapert, want de zenuwen functioneren niet. Daarom wilde ik ook pas weer schaatsen als mijn lichaam de dingen zou doen die mijn hoofd doorgaf.’

Na haar ontslag uit het ziekenhuis verbleef Venhuizen zes weken in een revalidatiecentrum in Haren. Venhuizen, glimlachend: ‘Ik dacht dat ik kon zwemmen, tot ik mijn eerste oefeningen deed. Ik zakte zo naar de bodem. Ik had een tuigje om zodat de therapeuten me uit het bad konden hijsen. Ook nu kon het lichaam de signalen uit het hoofd niet vertalen.

‘Ik wilde mijn armen en benen in beweging zetten, maar er gebeurde niks. Zo moet een mens zich dus voelen als hij verdrinkt, bedacht ik me. Het was schokkend. Maar het water was ook een verlossing. In bed voel je constant de druk op je lichaam, nu had ik even het gevoel dat ik zweefde. Ik wilde meteen nieuwe oefeningen doen, de topsporter in mij ontwaakte.’

Maar Venhuizen ontdekte al snel dat ze de wereld opnieuw moest veroveren. ‘Je leeft zo in een isolement dat je de drukte om je heen niet meer aankunt. Als ik vanuit het revalidatiecentrum naar het restaurant in Thialf was gekomen, zou ik gillend gek zijn geworden. Ik had zo lang in een tunnel gezeten dat elke indruk daarbuiten bijna teveel is. Alles om je heen beweegt, praat, maakt lawaai. Ik vond het een aparte ervaring.’

In april besloot Venhuizen dat ze niet mocht ontbreken bij de jaarlijkse voorstelling in de dansschool van haar moeder. ‘Jazz-, streetdance; ik deed alles. Mensen verklaarden me voor gek.

‘Terwijl ik nog in het revalidatiecentrum zat, bestudeerde ik de videobeelden van de pasjes die ik moest ik maken. Eind mei stond ik op het podium, een maand later lag er in Thialf al ijs en deed ik mijn eerste training. Alles voelde anders dan ik gewend was. Maar het was geweldig om weer te kunnen springen, ook al waren het kleine, enkelvoudige sprongetjes.’

Eind november reed Venhuizen in Groningen haar eerste wedstrijd. ‘Ik kreeg na afloop van mijn kür een staande ovatie. Het was ontroerend, al liet ik de emotie niet echt toe. Ik wilde presteren, niet langer het zielige meisje zijn dat na tien maanden weer mocht schaatsen.’

Het was niet de eerste keer in haar carrière dat Venhuizen de regie kwijt was. Tussen 2001 en 2004 leed ze aan de eetstoornis anorexia. ‘Ik heb tijdens mijn spierziekte wel aan die periode gedacht. Ook toen was ik er slecht aan toe, al had het een andere oorzaak. Maar ik ben een vechter, ook hier ben ik uit gekomen.’

Ze bedroog haar omgeving en vooral zichzelf. ‘Er zijn allerlei trucjes om anorexia te verbergen,’ zegt Venhuizen. ‘Ik heb het boek van Leontien van Moorsel gelezen, ik herkende mezelf. De blikken van mensen na je comeback. Het commentaar achter je rug, terwijl je de ziekte net hebt verwerkt. Je moet sterk in je schoenen staan om niet terug te vallen in de oude patronen.’

Soms lijkt Venhuizen even buiten zichzelf te stappen als ze de zieke Karen beschrijft. ‘Met een psycholoog kon ik niet zoveel. Je moet je aan hem overgeven en dat deed ik niet. Ik denk heel snel, leg meteen verbanden. Als een psycholoog mij een vraag stelde, wist ik al welk antwoord hij wilde horen.

‘En dan gaf ik dus het verkeerde antwoord. Ik had het gevoel dat ik als een van de vele anorexiapatiënten werd gezien, waarop een standaardverhaaltje werd losgelaten. Ze wilden hun mening opleggen, ik stond er niet voor open. Met behulp van een haptonoom heb ik de ziekte uiteindelijk overwonnen.’

Achteraf concludeert Venhuizen dat ze de controle over haar leven was kwijtgeraakt. ‘Ik had me geplaatst voor de Spelen van Salt Lake City, maar ik mocht van NOC*NSF niet deelnemen. De KNSB had me naar het WK gestuurd, waar ik me volgens de normen van de ISU had gekwalificeerd.

‘Toen moest ik van NOC*NSF aan hogere eisen voldoen. Mijn wereld stortte in. Ik zat nog in de puberteit. Mijn gewicht had ik wel in de hand. Ik verloor de controle over de rest en ging het extreem compenseren met mijn eetgewoonten. Tot ik nog maar 42 kilo woog.’

Wereldkampioene overleven is Venhuizen al. Bij de Spelen van Vancouver in 2010 moeten alle puzzelstukje in elkaar vallen. ‘Zes jaar geleden is me iets afgepakt. Het is de ultieme beloning als ik eindelijk aan de Spelen mag deelnemen. Ik moet ook nu voldoen aan de normen van NOC*NSF. Maar die vallen in het niet bij de tegenslagen die ik heb overwonnen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.