EssayEinde der reizen

Nooit meer op reis na corona? Iris Hannema zag het einde van het reizen al langer naderen

Beeld Vilain&Gai

Het coronavirus heeft het (schrijven over) reizen zoals we dat kennen de nekslag gegeven. Reisschrijver Iris Hannema zag in hotels, op vliegvelden, in de reisboekensectie en op Instagram het einde al jaren naderen: de reiziger was zijn eigen beul.

Terwijl ik in de door Macron opgelegde coronaquarantaine zat, hoogzwanger in de Franse Alpen, liet ik dat wat nu voor altijd achter me ligt de revue passeren. Zo kwam de depressieve cameraman voorbij met wie ik jaren geleden een relatie had die ik veel te lang had laten dooretteren. Ik dacht terug aan dat ene moment dat gepaard ging met het definitieve inzicht dat we niet bij elkaar zouden blijven: hij had mijn eerste reisboek, toen net gepubliceerd, in tweeën gescheurd en in de hoek van een hotelkamer in Brazilië gesmeten. De seksuele escapades die erin staan hadden hem ‘gebrandmerkt’. Een periode van lijmen en proberen volgde, maar het was pas in retroperspectief, ruim nadat sleutels definitief waren teruggegeven, dat ik inzag dat aan dat ene moment in die hotelkamer al vele aanwijzingen voor een breuk waren voorafgegaan.

Zo was het de (schrijvende) reiswereld ook vergaan: lang voordat covid-19 het massale reizen zoals we dat tot nu toe kenden de nek omdraaide – en ook lang voordat de ecologische wind begon te waaien – tijgerde het naderende einde al jaren rond in ho(s)telgangen, vliegvelden, op reispagina’s in kranten, in de reisboekensectie van boekwinkels, op Instagram.

Desolaat

Niet het coronavirus, maar de reiziger zelf had voor beul gespeeld en de wereldse stilstand had dat pijnlijk zichtbaar gemaakt. Toen de straten van wereldsteden door het virus desolaat gefotografeerd werden, tuimelden we over elkaar heen: hoe mythisch! In wezen maakte het alleen nog maar zichtbaarder wat al tijden fluorescerend zichtbaar was: de wereld waarvan je als reisschrijver droomt, eentje die nog werkelijk plekken schuilhoudt die ontveld en ontdekt kunnen worden, bestaat echt niet meer.

Praktisch overal ter wereld kruisen de toeristische olifantenpaadjes en de darwiniaanse maagdelijkheid die ik hoopte te vinden, tja, die vond ik niet. Zelfs in uithoeken, op de grens van de Solomonseilanden en Papoea-Nieuw-Guinea, trof ik een bar met Australiërs aan en een duikwinkel gerund door een Amerikaans echtpaar, tevens de grootste sponsors van het eiland en actief in de eilandse gemeenteraad. Ook in Somaliland, toch off the zogenoemde beaten track, logeerde ik in een prima hotel, was er internet te vinden en, onder militaire begeleiding maar toch, iets toeristisch te doen. De Amazone afvaren met vrachtschepen klinkt avontuurlijk, is het ook, maar ik was niet de enige buitenlander die het idee te binnen was geschoten: ik deelde het bovendek, gereserveerd voor outsiders, met een Israëliër, een Engelsman en een Zwitser.

Geheime ritssluiting

Ach, hoe kan het ook anders: ook de moderne reisauteur komt pas ergens als hij over de plek heeft gelezen of gehoord. Wie dat ontkent liegt, en dat gebeurt nog weleens, onder reizigers en in de reisschrijverij.

De uitverkorene, de beroepsreiziger, doet nog altijd alsof zij de geheime ritssluiting naar het onontdekte kennen en dus wél kunnen vinden wat jij als gewone reiziger niet meer tegenkomt: van die onontdekte Balinese stranden zonder yuppen, de beste toko’s van Hongkong waar alleen locals komen en die geen buitenlander kent en wel ja, het Parijs van de local, het echte Rome, het ongeschonden Venetië, blijken ook allemaal nog te bestaan.

Toen ik de krantenfoto van zonnebadende toeristen op een mediterraan strand zag, een groepje mensen dat rustig onder hun parasol blijft zitten terwijl een rubberboot vol immigranten in de branding aanspoelt, dacht ik aan de reisschrijvende beroepsgroep. Ook die ziet de werkelijkheid heus wel – toeristen zijn nu eenmaal overal en er is jammer genoeg geen ontkomen aan – maar ze blijven stug de andere kant op kijken, als blinde believers. Maar dankzij het coronavirus kunnen we onszelf en onze houding tegenover het overdadige en destructieve reizen schadeloos heruitvinden en als non-believer uit de kast komen: toeristloosheid bestaat niet meer, voilà.

(Zelfs tijdens de oorlog in Afghanistan waren er backpackers in het land, liftend met vredeskonvooien en mee met kogels doorzeefde barreltaxi’s; ik kwam ze tegen in Pakistan, waar ze op adem kwamen van ‘een van de gaafste reisavonturen van hun leven’ en ‘hartstikke goedkoop’.)

Hoe het begon

Een paar dagen voordat ik ingeleid zou bevallen, keek ik het driedelige liefdesfilmoeuvre Before Sunrise (1995), Before Sunset (2004) en Before Midnight (2013). Maar niet in de goede tijdsvolgorde. Ik begon per ongeluk met het laatste deel, het koppel is inmiddels getrouwd en heeft samen een tweeling. Daarna keek ik deel één, over hun allereerste ontmoeting achttien jaar eerder in de trein op weg naar Wenen. En als laatste Before Sunset, de middelste, wanneer ze elkaar negen jaar na hun eerste ontmoeting bij toeval weer tegenkomen in Parijs, beiden nog met andere levens.

Ook als je het einde al kent, besefte ik, is het nog interessant om te weten hoe het begon. En hoe het leven is verlopen. Wachtend op de toekomst die op een zaterdagmiddag in maart ter wereld zou komen in een kliniek in Grenoble, dacht ik eraan hoe het reisschrijftijdperk eruitzag toen ikzelf begon. En hoe talloos de aanwijzingen over het naderende einde van de reisjournalistiek toen al waren, bijna achttien jaar geleden.

Iris Hannema op Schiphol.

Het was de tijd dat de persreizen floreerden en journalisten van allerlei pluimage, van serieuze kranten tot televisiegidsen, zich op dit soort luxereisjes lieten fêteren en daarna, want dat was de deal, een positief verhaal over de bestemming schreven, sunny side up. Alles werd voor de journalist betaald en de reizen waren altijd luxe, met goede hotels, veel drank en goed eten.

(Niet voor niks wordt deze vorm van persreisjournalistiek in de redactiegangen ook wel ‘hoernalistiek’ genoemd).

Zo vloog ik, 18 of 19 jaar oud, met een privéjet naar de opening van een Club Med op Mauritius alwaar ik me zo het leplazarus aan champagne dronk dat ik me van het eiland niets meer kon herinneren. In diezelfde tijd golfde ik voor een krant op een green op Aruba en belandde met een adjunct-hoofdredacteur in een bubbelbad waarna ik, niet hij, als persona non grata van het eiland werd gegooid. In Thailand reisde ik mee met een ‘thuis bij de local’-reis waarop een van de glossyjournalistes die mee was de haar toegewezen hut zo goor vond dat ze huilend op haar hoge hakken rondliep, de gastfamilie zat er buiten op het trapje beteuterd bij te kijken.

Van hotel naar hotel

Opvallend vaak had de krant of het tijdschrift zijn vervelendste journalist mee op persreis gestuurd. Van betaald op reis gaan leek je een chagrijn te worden, een drinkende zeurpiet, maar wellicht is dat ‘op de vorige persreis was alles beter’-type inmiddels met pensioen en reizen er tegenwoordig alleen nog maar leuke schrijvers, bloggers en influencers mee op georganiseerde perstrips.

Waar de volledig georganiseerde persreizen ook heen gingen, er werd door het meereizende journaille over geschreven alsof ze avonturiers avant la lettre waren, alsof ze niet met een airconditioned minibusje van hotel naar hotel waren gereden, maar als vagebonden met het openbaar vervoer de ziel van de bestemming hadden blootgelegd. (Datzelfde zie je op Instagram voorbijkomen bij de moderne hippie, bevrijd van werk en huis: alsof je serieus in sexy bikini, met dure drone, Macbook Air en een toedelhondje veilig waar dan ook ter wereld in je gesponsorde Volkswagenbusje kunt slapen.)

Afijn, dat vieze gevoel dat persreizen mij gaven, iets doen dat totaal niet door de beugel kon en tegen alle journalistieke codes inging, had ik zeker, maar negeerde ik in die eerste jaren van mijn reiscarrière. Zelf had ik bij lange na geen geld om zulke reizen te financieren, ik had net mijn rijbewijs betaald en was technisch failliet, en mijn opdrachtgevers betaalden alleen voor het verhaal en de foto’s, niet de onkosten en de reis zelf.

(Ik krijg nog geregeld mails met interviewverzoeken van studenten van scholen van journalistiek die graag reisjournalist willen worden ‘omdat het ze zo cool lijkt’. Bij ieder verzoek denk ik weer: het zou verboden moeten worden deze vorm van reisschrijverij journalistiek te noemen, maar wie ben ik om de droom van jonge mensen te kapseizen; en dan nog, wie gelooft mij nou, een voormalig reisjournalist?)

Beeld Vilain&Gai

Achtpersoonskamer

Toen ik bij National Geographic aan de slag mocht, dacht ik verlost te zijn van het soort reizen dat niets met onafhankelijkheid te maken had en ik vierde mijn journalistieke vrijheid met mijn ouders in een restaurantje aan zee. Te vroeg gejuicht. Wederom vloog ik weg met een van uur tot uur uitgestippeld persreisprogramma in mijn rugtas, nu naar Spaans Baskenland om wijnproeverijen, chocoladebaden, massagesalons en vijfsterrenhotels af te lopen. Nadat ik had aangegeven ter plaatse mijn eigen vrije onderwerpkeuzes te willen maken, wilde het tijdschrift niet meer met mij werken.

Iris Hannema ontmoet de koning en koningin van Tonga.

Daarna besloot ik nooit meer op persreis mee te gaan en leerde ik mezelf vliegensvlug met heel weinig geld heel lang weg te blijven. Zo vond ik mezelf terug als schrijver van verhalen over de exclusiefste resorts in de Stille Oceaan voor titels als Vogue en het FD, terwijl ik zelf ergens in een stapelbed op een aircoloze achtpersoonskamer lag, met dengue en staphylococcusontstekingen die kraters van gaten in mijn huid sloegen.

Uiteraard was er ook een markt voor het soort perfecte reisverhaal, waarin alles opgepoetst en toch echt lokaal was, niemand beroofd werd en altijd een vriendelijke lokale gids meereisde die zijn handen thuishield. Maar ik zocht een serieuze plek voor de andere kant van reizen, dat wat er gebeurde als je niets plande, het wijdewereld-soort van mensen zoals ik die op de bonnefooi vertrokken. Maar verhalen over het lijden, alles wat er onderweg misging, tijdelijke liefdes, problemen met corrupte politie, buitenlandse mannen met die onhoudbare drang om aan je te zitten en ’s nachts op je hotelkamerdeur te kloppen om massages aan te bieden, kortom: wat er echt gebeurde, die verhalen verkochten niet.

Iris Hannema bij de hyena's in Harar, Ethiopië.

Mijn big bang kwam toen een bekende uitgeverij mijn reisverhalen, de rauwe, besloot te bundelen en te publiceren. Pas toen viel de guillotine voor de verkoper van smetteloze droomwerelden en was ik eindelijk vrij (en armer dan ooit).

In de reisjaren die volgden, kwam ik erachter dat ook die Kerouac-on the roadwereld een stuk ontdekter en minder maagdelijk was dan dat ik me had voorgesteld. Het doel van dit type reiziger, de backpacker, de vrije geest, de schrijver, was in wezen hetzelfde als dat van de reisjournalist. We waren net zo goed op zoek naar het archetypische ongeschondene, naar de achterkant van de reiswereld, naar plekken die voor anderen onbegaanbaar waren en naar het tot op het bot ontvellen van ervaringen die nog nooit iemand had meegemaakt. Ook ik tekende die op. Maar de realiteit is dat wie achter dat rookgordijn van platgetreden paden wil komen, de filosofie die aan de basis ligt van het reisboekengenre, ook moet inzien waar de rook vandaan komt. En die rook, dat zijn we zelf, de reizigers, in welke vorm dan ook; alleen de thuisblijver is gevrijwaard.

Weemoed

Terwijl ik met mijn gigantische buik babykleertjes vouwde, blies het coronavirus de wereld omver. Ik liet de gedachte op en neer gaan: nooit meer op reis kunnen zoals ik zolang gedaan had, hoe zou dat zijn? Maar met die gedachte was ik allang in het reine: voor mij was die nieuwe fase al aangebroken. Ik dacht met een zekere weemoed terug aan het boek dat ik op reis non-stop meesleepte, zoals Amerikaanse missionarissen uit Utah in ontwikkelingslanden verkleefd zijn met hun dozen uitdeelbijbels. Narziss en Goldmund, de pagina’s vergeeld, gaffertape houdt de boel bij elkaar en op de achterkant staat de foto van de in 1962 overleden Herman Hesse die enorm op mijn opa lijkt: ouderwets, bebrild en streng. Zijn werk werd herontdekt in de jaren zestig en daarmee de lievelingsliteratuur van de hippies. Ik sleepte het vijftig jaar later, zeer post-flowerpower, ook nog eens de wereld over maar dat het boek een reiscliché was, zag ik natuurlijk niet. Zulke inzichten komen pas achteraf, als je naar jezelf kunt omkijken zonder die waas van schaamte, ouder en milder geworden.

Iris Hannema in Somaliland.

Ik haalde het uit de kast en herlas het. God wat mooi, dacht ik weer, maar dit keer viel het me op hoezeer het bij de coronatijd paste. De Duitse kloostervrienden Narziss en Goldmund zijn tegenpolen: Narziss de priester, Goldmund de bon vivant. In hun levenslange vriendschap vinden ze in elkaar de verloren gegane helft van zichzelf, noem het yin en yang, logo en eros, ascese en zinnelijkheid. Wie je in het leven wordt, is een soms vrijwillige, soms gedwongen keuze tussen die twee conflicterende kanten. Net als de keuze waar we nu massaal door natuurkrachten voor zijn gezet: vertrekken we nog, of blijven we nou eens een paar decennia thuis? Het moge duidelijk zijn waar de aarde het meeste profijt van zal hebben: van groots en meeslepend naar een klein leven met nul CO2-uitstoot;  van Goldmund naar Narziss.

Misschien dat mijn dochter, inmiddels op de dag af drie maanden en in blakende gezondheid, mijn reisboek(en) ook ooit in een hoek van een kamer zal smijten omdat ze het haar moeder kwalijk neemt dat ze ooit in zoveel vliegtuigen heeft gezeten en zo hard aan de destructie van de planeet heeft meegewerkt. Ik hoor het mezelf al zeggen: lieverd, je hebt helemaal gelijk, maar daar dachten we in die tijd nog niet aan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden