De stadsgids Oostende

Koen Peeters: ‘Overal in België zijn de mensen gereserveerd. Maar in Oostende kun je met iedereen praten’

Op stap in Oostende met gids Koen Peeters, romancier en onderzoeker van de stad.

Koen Peeters in de zee bij Oostende . Beeld Pauline Niks

‘In het toerisme is er een wet die zegt: zoals een zalm, keer je terug naar de plek waar je als kind voor het eerst de zee hebt gezien.’ De Belgische schrijver Koen Peeters (60) staat in het Leopoldpark in Oostende. Peeters ging pas als adolescent naar de zee. Hij groeide op in Turnhout, aan de andere kant van België. Zomervakanties vierde hij ofwel in Spanje ofwel in een huisje in een bos.

‘En dan op mijn 19de, toen ik in Leuven studeerde, zeg ik tegen mijn ouders: ‘Ik heb al drie maanden een lief, ik ga morgen naar Oostende.’’

Zijn lief is nog steeds zijn vrouw. Ze is geboren in Oostende en ze hebben sinds een paar jaar, net achter de dijk in Oostende, hier een pied-a-terre. In deze stad sprak hij drie jaar lang elke maand af met zijn vriend, de Belgische schilder Koen Broucke. Ze bleven er telkens twee, drie dagen, en gingen op zoek naar verhalen over de stad, over haar inwoners, zowel de onbekende als de bekende. James Ensor en Léon Spilliaert. Hugo Claus. De Oostenrijkse schrijvers Joseph Roth en Stefan Zweig. Ze krabden aan de lagen in de tijd, soms letterlijk, in het verlangen sporen te vinden van de geschiedenis, die tot leven te wekken, erbij te zijn. In de pas verschenen roman Kamer in Oostende, met schilderijen van Broucke, schrijft Peeters zo mooi: ‘Als anderen uit de tijd stappen, kunnen wij even lopen in die verdwenen tijd.’

CV

Koen Peeters (Turnhout, 9 maart 1959) won in 2017 de ECI Literatuurprijs voor De mensengenezer. Hij studeerde communicatiewetenschappen en culturele antropologie, schilderde en schreef, maar koos voor een carrière in het bedrijfsleven omdat hij vond dat zijn gezin financieel niet te lijden moest hebben onder zijn artistieke ambities. Naast zijn baan, onder meer  als hoofd sponsoring en communicatie bij een bank, schreef hij in de avonduren een indrukwekkend en veelgeprezen oeuvre van veertien romans, novellen en poëziebundels bij elkaar. Sinds twee jaar is hij fulltime schrijver.

Gerenoveerde woning tussen nieuwe flats in Oostende. Beeld Pauline Niks

We hebben afgesproken in Brasserie du Parc. De zaak is ontsnapt aan de meedogenloze afbraakwoede die sinds de jaren vijftig over de stad waait. Het art-deco-interieur uit de jaren dertig is nog intact. Hier zit oude en nieuwe Oostenders bij elkaar, volks en chic. De filterkoffie is er beroemd. Naast ons gaat een oude dame zitten, op uitgaan gekleed, haar hondje zit op een handdoek naast haar op de bank. Hij mag straks mee-eten van haar broodje. 

Intussen vertelt Peeters over de aanloop naar Kamer in Oostende. Daarvoor moet hij terug naar de dichter Paul Van Ostaijen. Met drie goede vrienden, onder wie kunstenaar en historicus Koen Broucke, ondernam Peeters een aantal jaren geleden een bedevaart naar de plek waar de dichter Van Ostaijen was gestorven. Van Antwerpen, waar hij woonde, naar het gehucht Miavoye in de Ardennen, waar Van Ostaijen in een sanatorium stierf aan tbc. Peeters had zijn research goed gedaan, wist dat een gepensioneerde boer en boerin in het huis woonden waar ooit het sanatorium was. Ze waren welkom. Ze hebben zelfs geslapen in de kamer waar Van Ostaijen overleed. In het bed van de boer en boerin. Een historische sensatie was het, zegt Peeters. Dichter bij de dichter konden ze niet komen.

Een paar jaar later vroeg hij aan Broucke, in restaurant Benny in Oostende, of hij zin had in nog een keer zo’n avontuur. ‘Ik moest nog iets doen met Oostende. Ik kom er al zo lang. Het is zo’n unieke plek. Onze enige stad aan zee. Een volkse stad, ooit chic geweest. Van klein vissersdorp werd het garnizoensstad. En toen kwam koning Leopold II op de troon, halverwege de 19de eeuw, die had in Engeland de badplaatsen gezien, luxe kuuroorden, en die zei: zoiets moeten wij hier ook hebben. Toen zijn de omwallingen afgebroken en groeide de stad tot aan de zee.’

Interieur van de Grote Post, het voormalige gebouw van de posterijen. Beeld Pauline Niks
Exterieur van de Grote Post, het voormalige gebouw van de posterijen. Beeld Pauline Niks
Koen Peeters stopt stukjes Oostendes groen in zijn notitieboekje, die hij van een oude muur heeft geschraapt. Beeld Pauline Niks

Wilden jullie iets specifieks te weten komen over Oostende?

‘Nee. We wilden mensen ontmoeten, en dan zien wat er gebeurde.'

Hij kijkt om zich heen. Zegt: ‘Vergeet ondertussen ook niet naar de mensen te kijken.’ Een ouder echtpaar schuifelt langs op de stoep. ‘Chic van vroeger’, zegt Peeters. ‘ Ik vind het ook zo mooi hoe koppels op elkaar lijken, ook qua kleding. Kijk, dat stel, in spijkerbroek en hardrock T-shirt. Als de een vestimentair fout zit, dan is de ander het ook.’

We gaan op pad. Op steenworp afstand van Du Parc ligt De Grote Post. Het voormalige PTT-gebouw is nu een cultuurcentrum. Het is een van de gebouwen die vlak na de oorlog werden gebouwd, met dank aan de burgemeester van Oostende die ook verantwoordelijk was voor de wederopbouw van België na de Tweede Wereldoorlog, en zo veel geld naar zijn eigen stad kon sluizen. ‘Aan hem hebben we het Kursaal te danken, De Grote Post en het stadhuis: prachtige gebouwen, ontworpen door goede architecten.’

Over een van hen,  Gaston Eysselinck (1907-1953), de architect van De Grote Post, diepten Peeters en Broucke een verhaal op. ‘Geïnspireerd door Le Corbusier ontwerpt hij een streng gebouw, waarvan het voorste volume uitsteekt, daarop moest, en dat was volgens Eysselinck essentieel, een groot, wulps beeld komen om te contrasteren met de strenge lijnen. Ze beginnen met bouwen, en dan zegt iemand van de gemeente: dat beeld laten we weg. Eysselinck wordt woedend, krijgt een geweldig conflict, zo erg dat hem de toegang tot het bouwterrein wordt verboden. Privé lijdt hij bovendien onder een vechtscheiding. Zijn vriendin sterft na een kort ziekbed. Hij heeft financiële problemen, en dan, vlak voor zijn gebouw wordt onthuld, stapt hij uit het leven.’

In uw boek beschrijft u hoe Xavier Tricot, de grote Ensor-specialist, over de dood heen een vriendschap voelt met de schilder die hij zo bewondert. Heeft u dat ook met Eysselinck gehad?

‘Nee. Ik word wel geraakt door het reiken naar het hogere, zoals architecten dat durven. Dat ze een plek creëren die zoveel impact heeft in een stad.’

‘Ik ben als schrijver zeer pretentieus???. Mijn boeken worden steeds filosofischer. Ik ben voor een volgend boek bijvoorbeeld bezig met het onderwerp zelfdoding. Als ik daarover spreek, word ik bijna prekerig. Ik ben nogal Ubuntu-achtig. Ubuntu is een Afrikaanse filosofie, die zegt niet: ik denk dus ik ben, maar: ik ben omdat wij zijn. je bent mens door de anderen. Natuurlijk, ik ben ook zo liberaal dat ik geloof in het recht op zelfbeschikking. Alleen weet ik niet of iemand die uit het leven wil stappen voldoende heeft nagedacht over de vraag: is het oké voor de omgeving als ik dat doe?’

Met Peeters wandelen door Oostende is wandelen met iemand die veel stilstaat, anekdotes vertelt, praat over de ziel van Oostende en af en toe een foto maakt van weer een pand waar een bulldozer grote happen uit neemt – ‘alsof het een dinosauriër is’. Dan zegt hij dat hij er vroeger kwaad om kon worden dat de stad zo weinig gevoel voor historie had. Nu vindt hij: verandering hoort bij Oostende. ‘Het wordt er niet mooier op. Maar ik hou ervan hoe de stad schuurt, hoe een fraai belle époque-pand naast een ranzig hotel staat.’

Hij zegt onderweg ook dingen als: ‘Opmerkelijk hoeveel straten in Oostende de naam hebben van een andere stad. Alsof ze daaraan hun identiteit ontlenen.’ Of: ‘Overal in België zijn de mensen gereserveerd. Maar in Oostende kun je met iedereen praten.’ Hij krabt schilfers verf van de muren en bewaart die in zijn portemonnee. ‘Kijk, dit schilfertje is misschien wel honderd jaar oud. Ik hou van dingen die blijven.'

We zijn op weg naar de plek waar in de zomer van 1936 de Joodse schrijver Joseph Roth verbleef, in hotel La Couronne. Hoek Christinastraat en Vindictivelaan, aan de overkant lag vroeger de haven. De stinkende kant van de stad zegt Peeters, hier rook het altijd naar vis. De Christinastraat loopt in een rechte lijn naar de zee, en op de andere uiterste hoek van de straat, in hotel Floréal, zat Roths goede vriend en collega-schrijver Stefan Zweig. 

Hij probeert zich voor te stellen hoe het moet zijn geweest, in 1936. ‘Alles in Europa stond onder spanning. De boeken van Roth waren verboden en werden niet meer uitgegeven. Hij was op de vlucht voor de nazi’s, en Zweig, die als rijkeluiszoontje al in Oostende kwam, laat hem weten: kom hierheen, het leven is goedkoop, ik zet je in een hotelletje. En die twee ontmoetten elkaar hier regelmatig. Zweig is een autoriteit in Europa, zijn boeken worden overal vertaald, en hij is bezorgd over Roth, die een ernstig alcoholprobleem heeft, en een gat in zijn hand. Hij verdrinkt alles in visserscafeetjes, waar hij de hele dag zit te schrijven. Het is een ongelijke relatie, en tegelijkertijd is Roth een betere schrijver dan Zweig. De verhalen die hij schrijft voor de krant, heel literair, heel mooi geformuleerd, overstijgen de journalistieke waan van de dag.’

Peeters vraagt zich af, als hij aan het interbellum denkt, of de journalisten en de kunstenaars, de communisten, de intellectuelen en de vluchtelingen die zich in Oostende verzamelden, niet lijken op de migranten die elkaar nu rond Gare du Nord in Brussel ontmoeten. ‘Misschien,’ zegt hij, ‘gaat iemand daar over veertig jaar wandelen met een journalist en vertelt hij welke beroemde schrijvers daar in de vluchtelingenopvang zaten.’

Binnen bij hoedenwinkel Jacqueloot, ook aan de Christinastraat. In het boek Kamer in Oostende  koopt de schrijver hier een hoed en hoopt hij een snipper informatie te vinden over Roth en Zweig, die hier langs moeten zijn gekomen als ze elkaar opzochten. 

‘We zullen eens goeiedag zeggen’,  zegt Peeters en we stappen 104 jaar terug in de tijd. De herenpyjama’s liggen opgetast, de hoeden gestapeld in oude houten kasten. Achter de toonbank staat de derde generatie Jacqueloot, een vrouw van 62 die sinds haar 16de in de winkel staat. Ze moest van haar vader eerst een maand ergens anders werken, gewoon om te weten wat werken was. Ze koos bonbonzaak Leonidas. Dan snap je hoe Peeters te werk is gegaan, tijdens die drie jaar onderzoek: af en toe een vraag stellen als: zeg, marcheert het, of: is er al opvolging in de familie? Nee die is er niet, zegt de vrouw, haar dochters hebben allebei ‘een mooie baan'.  Wordt hier straks wéér een pand gesloopt.

Door naar de Kapellenstraat, vroeger een chique winkelstraat, nu een koopgoot. Moeilijk, zegt Peeters, om door al die lelijkheid nog een glimp op te vangen van de tijd dat hier op de hoek Léon Spilliaert woonde, een van de grootste schilders in het België van het begin van de 20ste eeuw. Hier maakte hij zijn zelfportretten, ze behoren volgens Peeters tot het beste dat hij heeft gemaakt. ‘Oostende is de stad van de zelfportretten. Dat komt door de zee. Die weerspiegelt jouw gemoedstoestand. Hier kom je jezelf tegen.’

Wat zag u toen u zelf in die spiegel keek?

‘Een man op zoek naar verandering. Ik heb hier de beslissing genomen te stoppen bij KBC, een Belgische bank. Overdag was ik bezig met communicatie en sponsoring en leidinggeven. 's Avonds schreef ik mijn boeken. Op mijn 58ste werd ik fulltime schrijver.’

Het winnen van de ECI Literatuurprijs en de publieksprijs, samen 60 duizend euro, voor  zijn vorige roman De mensengenezer, hielp natuurlijk mee.

‘En nu ga ik jullie de plek tonen waar Hugo Claus schrijver werd.’

We lopen inmiddels op de Albert I-promenade. Dagjesmensen in korte broeken, schoolklassen op excursie, jongens op steps; de zomervakantie is bijna begonnen. We staan voor de plek waar ooit Hotel Londres was gevestigd. Peeters is op dreef: ‘Het was 1946, of 1948. De familie Claus had gecollaboreerd in de oorlog, Hugo Claus zelf had zich als 15-jarige jongen aangesloten bij een fascistische jongerenorganisatie. In Oostende, ver weg van het kleffe, collaborerende Vlaanderen, vindt hij een mondaine wereld. Hij leert Elly Overzier kennen, een knappe Hollandse met alles erop en eraan, dochter van een rijke reder. Hier, op de bovenste verdieping, hokten ze.'

Met Broucke beleefde Peeters een magisch moment, toen ze tijdens het eerste jaar van hun onderzoek door een open deur naar binnen glipten en naar de bovenste verdieping gingen van het lelijke appartementencomplex dat in de plaats kwam van het hotel. Het appartement werd net gerenoveerd, er waren mannen met geweldige drilboren aan het werk. ‘Wij komen binnen, en zien wat Claus gezien moet hebben: de ongelooflijke weidsheid van de zee. En ik voelde iets van die macht die hij moet hebben gevoeld: net 20, zijn eerste roman, De Metsiers, geschreven, de wereld lag aan zijn voeten.’

Standbeeld van Leopold II; activisten hebben van een slaaf een hand verwijderd. Beeld Pauline Niks

In de verte liggen de Venetiaanse Gaanderijen. Gebouwd tussen 1900 en 1903, in opdracht van koning Leopold II.  We staan er stil bij het beeld Dank der Congolezen. De waanzin, zegt Peeters, dat Leopold privé-eigenaar was van Congo, een land tachtig keer zo groot als België. Hij  gebruikte het als persoonlijk wingewest, met de opbrengsten van Congolees rubber en katoen bouwde hij onder meer Oostende op. Hij vertelt hoe in 2004 een groep anarchisten onder de naam De Stoete Ostendenoare de hand van een van de Congolezen in het beeld afzaagde, en eiste dat er bij het beeld een tekst werd geplaatst met excuses. ‘Zij staan aan het begin van de dekolonisatiebeweging. In 2004 werd er amper gesproken over de figuur Leopold II en over Congo. De Congolese diaspora in Brussel had zich nog helemaal niet geroerd. Pas nu is er een nieuwe generatie Belgo-Congolezen die protesteren tegen het onrecht dat hun ouders is aangedaan, en tegen het alledaags racisme dat ze zelf dagelijks ondervinden. En ze hebben groot gelijk.’

Een Oostendse met hond in het park. Beeld Pauline Niks

Ontmoeten zij net zo veel agressie als de mensen die in Nederland zeggen: Zwarte Piet is racisme, of de namen van zeehelden moeten van de straatnaambordjes?

‘Het probleem van Belgen is: we zeggen niet wat we denken. Er wordt amper een maatschappelijk debat gevoerd. En als er dan verkiezingen zijn, stemmen ze op het nationalistische Vlaams Belang.’

Onze laatste stop in Mu.Zee in de Romestraat, waar Peeters ons langs de tentoonstelling James Ensor – dromen van parelmoer loodst. Voor hij beroemd werd met zijn schilderijen met maskers en schedels en optochten, schilderde hij van die donkerbruine, burgerlijke interieurs uit Oostende. ‘Je voelt de verveling, het wachten op de toeristen, je hoort de klok tikken. En kijk eens naar die lichtinval, hoe sfeervol. Terwijl: als je er dichtbij staat, lijkt het alsof hij gemorst heeft met zijn verf.’

Of we ook nog even meelopen naar boven? Daar hangen foto’s van de kunstenaar Jan Kempenaers. In het hele land legde hij monumenten vast die herinneren aan het Belgische koloniale verleden. 

‘Wist je, zegt Peeters, dat ik eigenlijk schilder wilde worden?’

In 1988, hij had net het manuscript ingeleverd voor zijn eerste boek, Conversaties met K., schilderde hij foto’s na uit zijn verzameling koloniale boeken over Congo. ‘Ik had antropologie gestudeerd. Daar werd toen al gezegd: het wordt tijd dat de mythe dat wij beschaving in Congo hebben gebracht, wordt gedeconstrueerd. Wonderlijk dat het zo lang heeft geduurd voor die wetenschap de samenleving bereikte.'

Kunstwerk van Arne Quinze. Beeld Pauline Niks

Ook leuk in Oostende:

Eten bij Benny’s, of Brasserie Albert, in de Thermen. Dansen bij Lafayette. Voor boeken naar de legendarische boekhandel Corman: ‘The very best. Heel rommelig en sympathiek.’ Slenteren door de belle époque-wijk Hippodrome. Drinken, liveoptredens en literaire activiteiten in Vrijstaat O., op de plek waar koning Leopold II vroeger zijn thee dronk.

Café Benny. Beeld Pauline Niks
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden