ReportageHeimweereizen

Een sentimental journey naar Camping Op ’t Eiland, tegen beter weten in

Beeld Inez van Vuren

Redacteur Sander van Walsum gaat op een sentimentele reis naar de plek waar ooit Camping Op ’t Eiland lag, waar hij in de jaren zestig vier heerlijke zomers doorbracht onder een strakblauwe hemel – in zijn herinnering, althans. Een ode aan het magische fenomeen nostalgie.

We blijven thuis deze zomer. Of we gaan naar plekken dichtbij huis, waar we lang geleden eindeloze vakanties hebben doorgebracht. ‘To renew old memories’, zong Doris Day in A sentimental journey. Om oude herinneringen te hernieuwen. Om weer even onderdeel te zijn van de wereld die op verbleekte foto’s is vastgelegd. Een hachelijke onderneming. Want oude herinneringen hebben doorgaans meer glans dan de plek waarmee ze zijn verbonden. Die plek ligt er niet meer zo bij als toen wij er het laatst waren, gesteld dat we haar überhaupt terug kunnen vinden. Er heerst verval. De natuur is er verwilderd of juist gekuist. Of een projectontwikkelaar heeft zich eraan vergrepen.

Zelfs als een dierbare plek niet door dit onheil is getroffen, valt ze vaak toch wat tegen. Kamers zijn kleiner, plafonds zijn lager, de natuur is minder magisch dan in onze herinneringen. Want veel van die herinneringen stammen uit onze jeugd – uit de jaren van verwondering.

Toch blijven we sentimentele reizen maken in de hoop dat we op de plaats van bestemming weer worden overweldigd door de indrukken van vroeger. Vaak tegen beter weten in. Zo begaf ik mij op de natste dag van dit voorjaar naar de plek waar zich ooit camping Op ’t Eiland bevond, een strook grasland aan de oevers van het Ganzendiep – een vertakking van de IJssel die uitmondt in het Zwarte Meer – waar ik in de jaren zestig vier heerlijke zomers op rij heb doorgebracht. Een bedevaart naar een drassig terrein waar ik nog moeiteloos de plekken kan vinden waar ooit onze tenten stonden, en waar ik dode mensen weer voor me zie.

Wat we zoal deden in de zomers van de jaren 1966 tot en met ’69? Zomers die volgens de archieven van het KNMI aan de koude en natte kant waren, maar die ik met wolkeloze luchten en aangename temperaturen associeer? We dobberden rond in een rubberbootje van het type Gemini 3 dat mijn moeder met de spaarpunten van Albert Heijn had gekocht. We zwommen in het Ganzendiep – waar we ook onbekommerd ons haar wasten met fosfaatrijke shampoos. Want de natuur was nog onverwoestbaar, in die tijd.

De voornaamste attractie op het Kampereiland was zeilen – eerst in een eenvoudige Hamburg Jol – om het te leren, later in een Volksboot met het nummer 898 in het zeil. Van zijn maidentrip herinner ik mij vooral dat hij bij zijn eerste keerpunt, ten overstaan van de samengedromde campinggasten, de oever opschoot omdat het roer te ver was opgetrokken. Met de buurman, een Kampense sigarenhandelaar, en zijn dochter maakten we tochten naar verre oorden, zoals Genemuiden en Vollenhove. In het laatstgenoemde plaatsje kochten we een lokale variant op de kruidkoek bij een bakkerij waar alles al decennia bij het oude was gebleven. Terwijl de hoogbejaarde bakker tergend langzaam onze bestelling inpakte, droop een taaie sliert slijm uit zijn mondhoek, om in de poriën van de lekkernij te verdwijnen. Meer spektakel boden die vakanties eigenlijk niet, en juist daardoor waren ze zo aangenaam.

Beeld Inez van Vuren

Na vier jaar begon de sociale cohesie op de camping toch wat te knellen. Individuele activiteiten, zoals lezen, werden krachtig ontmoedigd door gezellige mensen die het beginsel ‘hoe meer zielen, hoe meer vreugd’ waren toegedaan. Aanhoudend rekruteerden zij deelnemers aan zeil-, zwem- of viswedstrijden, klaverjascompetities, bingoavonden of gekostumeerde bals. Wij, de kinderen, zagen daar de lol nog wel van in. Maar mijn vader werd op den duur toch wat obstinaat. Zeker toen hij door goedlachse mannen in het Ganzendiep werd gejonast nadat hij kenbaar had gemaakt van deelname aan een touwtrekwedstrijd te willen afzien. Uit balorigheid zwom hij vervolgens naar het Zwarte Meer. Hij was zo lang weg, dat zelfs de naaimachinehandelaar, die bij het voorval betrokken was geweest, tekenen van wroeging vertoonde. ’s Avonds, nadat mijn vader in sterk onderkoelde toestand was teruggekeerd, moet bij hem het voornemen hebben postgevat om volgend jaar toch maar weer naar Joegoslavië te gaan.

Eenenvijftig jaar later biedt de vroegere camping nog volop visuele ijkpunten voor een sentimentele reis: de wasgelegenheid van toen doet nu dienst als bergruimte. De boomgaard aan de achterzijde van het hoofdgebouw – waar in een grote ton illegaal gevangen palingen werden gerookt – is enigszins uitgedund. Het haventje, eigenhandig uitgegraven door de campingeigenaar, is dichtgegroeid. Maar alles is er nog.

‘Sentimentalisme’

Onze herinneringen vormen maar zelden complete verhalen, maar bestaan uit fragmenten zonder samenhang. Ze zijn hoogst persoonlijk en hoogst individueel: anderen herinneren zich voorvallen van vroeger heel anders dan jij – of in het geheel niet. Herinneringen zijn manipuleerbaar. Je kunt ze ongestraft inkleuren, verfraaien, vermengen met andere geheugenflarden of uitvergroten van één zomerdag tot een eindeloos seizoen.

Een toets aan de werkelijkheid heeft doorgaans een ontnuchterend effect. Zo associeerde ikzelf, om duistere redenen, de zege van Lenny Kuhr bij het Songfestival van 1969 met stralend voorjaarsweer, trillende lucht boven het plaveisel en mijn grootmoeder die in ochtendgewaad op het balkon van de logeerkamer verscheen om de nieuwe dag te begroeten. Dit amalgaam van indrukken was niet tegen een vluchtige realitycheck bestand: het Songfestival van 1969 vond plaats op 29 maart, een dag waarop de temperatuur schommelde tussen min 5,5 en plus 8 graden – met een gemiddelde van 2,6. De zon scheen die dag krap twee uur. En toch dringen, elke keer als ik Lenny Kuhr De Troubadour hoor zingen, de oude beelden zich aan mij op. Simpelweg omdat ze zich in mijn geheugen hebben vastgezet, en omdat ze zoveel mooier zijn dan de werkelijkheid van een grauwe dag. Zolang je er geen waarheidsaanspraken aan ontleent en zolang nostalgie niet verkeert in de waan dat vroeger alles beter en mooier was, kan het ook geen kwaad.

Met het ouder worden – ik ben bijna 63 – hopen de herinneringen zich op, en neemt de behoefte toe aan reizen naar de plekken van vroeger: het geboortehuis, de school, de Groningse herenboerderij waar mijn broer en ik vaak logeerden, Zeeuwse recreatiewoningen. Steeds meer mensen die in de herinneringen figureren, zijn niet meer onder ons. Elke uitvaart – een veel rijkere gebeurtenis dan de viering van een verjaardag of een huwelijk – nodigt uit tot zo’n reis. En naarmate je ouder wordt, zijn er steeds minder mensen die je herinneringen kunnen corrigeren – gesteld dat je überhaupt de behoefte voelt om ze met anderen te delen. Een geurvlaag of een muziekfragment kan al een lawine aan zoete associaties ontketenen.

Beeld Inez van Vuren

Voor dat verschijnsel werd in de late 17de eeuw het woord ‘nostalgie’ gemunt: een samentrekking van de Griekse woorden voor ‘terugkeer’ en ‘pijn’. De kwaal werd voor het eerst gediagnosticeerd bij Zwitserse huurlingen die het, ver van huis, te kwaad kregen als ze het geluid van een koebel hoorden. Nostalgie werd destijds gezien als een aandoening, en zeker niet als een nastrevenswaardige toestand. Nog tot diep in de 20ste eeuw werd ze als psychiatrische stoornis aangemerkt: als een vlucht uit de werkelijkheid. Als een vorm van dweepzucht en eigenliefde waarvan de lijder genezen moest worden. Symptomen van nostalgie waren huilbuien, een verhoogde hartslag en anorexia. Een kwaal van alle tijden: Odysseus werd tijdens zijn zwerftocht over de Middellandse Zee verteerd door het verlangen naar Ithaca en zijn vrouw Penelope, die hij daar had moeten achterlaten.

Eeuwen later, in 1768, koesterde de Ierse schrijver Laurence Sterne juist het verlangen waaronder Odysseus zo had geleden tijdens een ‘sentimentele reis’ – de eerste keer dat deze woordcombinatie werd gebruikt – door Frankrijk en Italië. ‘Sentimentalisme’ was vervolgens de naam van de literaire stroming die naar het geromantiseerde reisverslag van Sterne was vernoemd. En daarin lag geen positieve waardering besloten. Sterne wilde in zijn boek A sentimental journey through France and Italy niet zijn kennis van die landen etaleren, maar de diepte van zijn gevoelens. Een vorm van subjectivisme waarmee zijn tijdgenoten, opgegroeid in het hoogtij van de Verlichting, geen raad wisten. En nog steeds wordt het sentimentalisme niet helemaal voor vol aangezien, getuige de omschrijving in Wikipedia: ‘Een overdrijving van romantische gevoelens, die zich uitte in een sterke overgevoeligheid, en het zoeken naar zaken die medelijden en tranen konden opwekken’. Ook in het spraakgebruik heeft ‘sentimenteel’ een veel negatievere lading dan ‘sentiment’ – het zelfstandig naamwoord waarvan het is afgeleid.

Intussen wordt nostalgie, waarvan het sentimentalisme een literaire afgeleide is, bij de ‘positieve emoties’ ingeschaald. Nostalgie wapent mensen tegen teleurstellingen en de grauwe alledaagsheid, stelden psychologen van de Universiteit van Southampton vast. Nostalgie herinnert aan degene die je ooit meende te zijn of had wíllen zijn, en kan daardoor bijdragen aan de vergroting van een gevoel van eigenwaarde. Mensen die nostalgie tot zichzelf toelaten, zouden, volgens de Tilburgse emeritus hoogleraar emoties en welbevinden Ad Vingerhoets, vrijgeviger en toleranter zijn dan mensen die deze emotie niet wensen op te roepen. En mensen zouden zich letterlijk aan hun nostalgie warmen: ze hebben minder last van kou dan mensen die ‘neutrale’ herinneringen ophalen. Nostalgie is dan ook geen basisemotie, zoals angst en woede, maar een secundaire emotie waarmee mensen zich van dieren onderscheiden.

Gemengde gevoelens

Voor mij is het Kampereiland de bestemming van een sentimentele reis. Voor voormalig campingeigenaar Gerrit van ’t Hul, 87 jaar inmiddels, is het de plek waar dromen vervluchtigden. Hij woont nog steeds in het huis dat hij in 1959 betrok. Aanvankelijk was hij helemaal niet van plan geweest om daar een camping te beginnen, maar de gemeente Kampen verbond aan de toekenning van een woonvergunning de voorwaarde dat het voormalige schoolgebouw een bedrijfsbestemming kreeg. ‘Zeg maar dat je er een camping van maakt’, fluisterde zijn schoonvader hem in. Van de reikwijdte van dit advies had Van ’t Hul destijds geen vermoeden.

Hij hield zijn baan bij de spoorwegen aan. Soms zag hij bij thuiskomst een tentje aan de oever van het Ganzendiep staan. Rijk werd hij daar niet van: hij inde 50 cent per tent en 50 cent per persoon. Maar toen steeds meer vaste staanplaatsen werden bezet, en hij de camping in de richting van het Zwarte Meer had uitgebreid, kon hij zijn betrekking bij het spoor opzeggen. Tijdens de topjaren stonden wel 65 caravans op het terrein. Deelnemers aan het zeilpunterkamp van de NCSV sloegen er hun tenten op. Een Duitse roeivereniging trok met groot materiaal naar het Ganzendiep.

Beeld Inez van Vuren

Maar Gerrit van ’t Hul was gekluisterd aan de plek waaraan zoveel passanten zoete herinneringen bewaren. ‘Ik denk met gemengde gevoelens terug aan de gezelligheid van toen’, zegt hij. ‘In principe zat hier goed volk op de camping, maar ik zou een fanatieke zeiler zijn geworden als ik een vrij man was geweest. Die kans heb ik nu niet gekregen.’ Hij noemt de namen van kinderen, inmiddels volwassenen, die op het Ganzendiep zeilen hebben geleerd, en die later in de grote vaart zijn terechtgekomen. Zij hebben gedaan wat hij altijd heeft wíllen doen. ‘Mijn leven speelde zich overwegend hier, op het eiland, af. Bij het Veluwemeer, hier een luttel aantal kilometers vandaan, was ik nog nooit geweest. Tot op de dag van vandaag kom ik liever niet op campings. Ik voel me er onprettig. Beklemd.’

Van ’t Hul en zijn vrouw Tiny maakten vele lange reizen per cruiseschip zodra ze daar tijd voor kregen. Op een wereldkaart heeft hij alle plekken gemarkeerd die hij heeft bezocht. Geen continent is vrij van plakkertjes. Maar nu, bijna vier jaar na het overlijden van Tiny, speelt zijn leven zich weer vrijwel uitsluitend af op de plek waar zich ooit camping Op ’t Eiland bevond – afgezien van zijn uitstapjes met de wandelclub. Maar ook die wandelclub is niet meer op volle sterkte.

Op het water is het stiller dan vroeger, zegt hij – zonder een spoor van weemoed. Het Zwarte Meer is op veel plaatsen zo ondiep geworden dat scheepvaart er vrijwel onmogelijk is. Soms ziet hij vanuit zijn zitkamer een skiff voorbij varen – met een oudere aan de riemen. ‘Want de jongeren wíllen niet meer roeien en kúnnen niet meer zeilen.’ Hijzelf heeft zijn boot nog niet in het water gelegd. Vanwege de coronacrisis. ‘Ik weet niet of het er nog van komt dit jaar.’

Hij heeft de deur al achter zich dichtgetrokken als ik mij opmaak voor een wandeling door het natte schimmenrijk. Daarbij word ik niet vergezeld door de mensen die hier vroeger de zomers doorbrachten. Evenmin komen vergeten herinneringen op. Als ik later via de wonderschone IJssel terugrijd naar de Randstad, zijn de recente indrukken alweer verdrongen door oude foto’s en ingekleurde herinneringen. Want die zijn toch het mooist.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden