Verpakt tussen twee moeders

Toch was die reactie zo vreemd niet. Zeventig jaar na de eerste publicatie schreef de The New York Times naar aanleiding van het verschijnen van Cheese: 'Elsschot possesses the rare knack for making a reader laugh, squirm and sob, all at the same time.'Missie geslaagd. Elsschot had immers geschreven, dat het er voor een schrijver 'slechts op aan komt zijn persoonlijk tragisch gevoel (om het even waar het om gaat) zoo in woorden te brengen dat het kan overgaan in de ziel van derden, althans van derden die er bevattelijk voor zijn.' In de inleiding tot Kaas poneert hij: 'Men kan niet schilderen zonder oppervlakte. Maar 't skelet zelf is bijzaak, want de hoogste stijlspanning kan bij 't miniemste gebeuren worden bereikt.' Niettemin is ook de keuze van de bijzaak kardinaal. De kaas van Elsschot is de zeesleper in De nieuwe man van Thomas Rosenboom, het object waarop de hoop van een naar verlossing snakkend mens wordt geprojecteerd, en dat maar niet uit de kelder (of de werf) komt; dat verlangens wekt, maar door zijn roerloosheid diezelfde verlangens weer in de nevelen der vergeefsheid laat oplossen.Dit boek was voor Elsschot 'een brok uit mijn leven, de uitdrukking van mijn walg tegenover publiciteit en handel. Omdat publiciteit een te abstract onderwerp was om over te schrijven heb ik kaas genomen. Het heeft vorm, kleur, het ruikt en het stinkt soms. Ik had ook vis kunnen nemen.' Als vijfde deel van het Volledig werk is thans Kaas verschenen in een kritische leeseditie. Door zorgvuldig tekstonderzoek kan de roman weer in de authentieke vorm worden gepresenteerd.Het boek begint met het hoofdstuk waarin Frans Laarmans, klerk bij de General Marine and Shipbuilding Company in Antwerpen, over het levenseinde van zijn kinds geworden moeder vertelt. Ter Braak schreef Elsschot in maart 1933, dat hij het enigszins jammer vond van het geheel, dat het begin 'meesterlijk' en de rest 'heel goed' is. Om zijn Hollandse bewonderaar te plezieren voegde Elsschot bij nader inzien het voorlaatste hoofdstuk toe, waarin hij Laarmans het graf van zijn moeder (en vader) laat bezoeken, zodat 'mijn kaas verpakt wordt tusschen twee moeders'. Had hij begin en eind weggelaten, wat hij ook overwoog, 'dan wordt het werkelijk een kaasgeschiedenis en dat was de bedoeling niet', zoals hij Greshoff schreef: 'Het begin moest vooral dienen om direkt inzicht te geven in de gevoelige persoonlijkheid van de hoofdpersoon. Wat volgt profiteert daarvan, al geeft de gewone lezer zich daar zoo geen rekenschap van.'Hoe verstandig, die verpakking tussen twee moeders. Want weliswaar is het wedervaren van Laarmans, die door de rijke bons Van Schoonbeke wordt overgehaald om als koopman namens een Nederlandse kaasfirma twintig ton (tienduizend bollen) volvette Edammers te slijten, wat hem niet lukt, waarna hij weer terugkeert in het klerkenbestaan, een onvergankelijk verhaal over illusie en ontgoocheling - maar het openingshoofdstuk is veel méér dan alleen het tikken met de stemvork, teneinde de juiste gevoelssnaar bij de lezer te raken. Kort voordat zij stierf was Laarmans moeder Adela een demente weduwe die manisch aardappels schilde en wol en kapok zat te pluizen. Ze was druk bezig, maar zonder te weten voor wie of wat. En als Laarmans 's nachts naar haar toe moet omdat zij sterven gaat, breken zijn zusters in wenen uit, terwijl hij geen woorden of tranen heeft. Bij de begrafenis komt hij in contact met Van Schoonbeke, een vriend 'en tevens klant' van Laarmans broer die arts is. Kort daarna stelt Van Schoonbeke hem voor, in zaken te gaan. Kaaszaken. Lucratieve handel, naar het schijnt. Maar het zaakje kan ook geducht gaan stinken.Laarmans moet iemand gaan spelen die hij niet is. Eigenlijk lijkt hij gedurende de hele kaasaffaire op zijn zieltogende moeder: hij is reuze bezig, zonder te weten hoe hij de kaas in klinkende munt kan omzetten. Zijn moeder bracht dagen en nachten door met dommelen en pluizen, 'en daar af en toe een glimlach doorheen, God weet tot wie'. Zó ver van de wereld raakt Frans Laarmans niet, maar in wezen is zijn kaasillusie een vergelijkbaar spartelen in het luchtledige. Er wordt met hem gespeeld, hetgeen Elsschot welsprekend tot uitdrukking brengt door telkens te refereren aan Laarmans' zwijgzaamheid. Zelf zegt de man nauwelijks iets: het is Van Schoonbeke die hem prest, de Hollander Hornstra die hem een contract geeft, zijn vrouw die prompt een onheilsclausule in dat contract aanwijst, zijn zoontje Jan die zowaar een hele kist met zevenentwintig Edammers verkoopt, zijn vreselijke buurvrouw Peeters die Hornstra weerstaat als die bij Laarmans komt checken of de zaken naar behoren marcheren.Laarmans overschreeuwt zich, bedenkt een ronkende naam voor zijn handeltje, maar besluit ten slotte een advertentie te plaatsen om vertegenwoordigers te ronselen voor zijn hopeloze opdracht. En al die tijd liggen de kazen in een opslagkelder muisstil te stinken.Schielijk geeft Laarmans zijn baantje eraan, om weer klerk te worden: even heeft hij geloofd iemand te moeten worden. Maar hij kon niet. Hij was niemand. Voorafgaand aan het kerkhofbezoek laat hij zich ook nog te grote en te veel chrysanten in de maag splitsen (laat de handel maar aan anderen over). Dan komt hij bij het graf. 'Het is hier ongelooflijk rustig. Af en toe valt een druppel uit een kalen boom.' Dat zijn de tranen die hij zelf maar niet vergieten kan. Wij zullen het voor hem doen. Tegelijk met Kaas is een nieuwe editie verschenen van Tsjip (1934) en De Leeuwentemmer (1940). Die kon ik niet direct tot me nemen. Eerst ontkazen.Willem Elsschot: Kaas.
Bezorgd door Peter de Bruijn.
Athaeneum - Polak en Van Gennep; 175 pagina's; euro 19,95.
ISBN 90 253 1137 7.