Op de fotocollage hierboven staan de 31 plaatsen waar het Gerechtelijk Laboratorium in het najaar 1991 monsters nam van het gerestaureerde schilderij Who's Afraid of Red, Yellow and Blue III . Bij punt 25 lag een van de grote sneden die op 21 maart 1986 door Gerard Jan van Bladeren met een stanleymes waren aangebracht.
Op de fotocollage hierboven staan de 31 plaatsen waar het Gerechtelijk Laboratorium in het najaar 1991 monsters nam van het gerestaureerde schilderij Who's Afraid of Red, Yellow and Blue III . Bij punt 25 lag een van de grote sneden die op 21 maart 1986 door Gerard Jan van Bladeren met een stanleymes waren aangebracht. © Stedelijk Museum

Reconstructie: het bizarre verhaal van Who's Afraid of Red, Yellow and Blue III

Who's Afraid of Red, Yellow and Blue III van de Amerikaanse kunstenaar Barnett Newman is vanaf morgen weer te zien in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Het doek raakte in 1986 zwaar beschadigd nadat een verwarde bezoeker het bewerkte met een mes. Er ging van alles mis tijdens de restauratie, een wethouder sneuvelde en er werden miljoenenclaims ingediend. Who's Afraid is sinds de restauratie nog een keer te zien geweest bij een tijdelijke tentoonstelling. Hieronder een uitgebreide reconstructie.

 
Juist omdat zij ambtenaar zijn, willen ambtenaren niet in de reuk van conservatisme komen te staan, vandaar hun voorkeur voor wat nu al 40 jaar heet: de 'avant-garde'
Carel Willink

'Spaar ons voor dit infantilisme, dat mij nog meer tegenstaat dan de officieel gesanctioneerde grappen van 'experimentelen', die met veel misbaar het dertig jaar oude paradepaardje der Dadaïsten opnieuw laten rondhuppelen', fulmineert Carel Willink in 1950 in het essay De schilderkunst in een kritiek stadium (Meulenhoff, Amsterdam), een 48 pagina's tellend polemisch geschrift waarin Willink tekeer gaat tegen de moderne, abstracte kunst.

Hij verwijt moderne vakgenoten gebrek aan vakmanschap. Ze hebben geen gevoel voor traditie. 'Kan men thans nog van een revolutionaire kunst spreken?', vraagt hij zich af, als er geen tegenbeweging meer is zoals in het begin van de twintigste eeuw.

Het sarcasme druipt er vanaf als Willink schrijft dat voor de nieuwe schilderkunst alleen nog 'liefde' en 'menszijn' nodig zijn. 'Met de aankoop van abstracte kunst kan de overheid haar streven naar vooruitgang demonstreren. Juist omdat zij ambtenaar zijn, willen ambtenaren niet in de reuk van conservatisme komen te staan, vandaar hun voorkeur voor wat nu al 40 jaar heet: de 'avant-garde'.'

Zelf behoort Willink tot de magisch-realisten, die na de oorlog snel hun populariteit verliezen en beschouwd worden als de onheilsprofeten uit het interbellum. Een stroming die hij zelf omschrijft als 'de confrontatie met de nooit geruststellende, nooit geheel kenbare verschijningswereld, waarin het kleinste en meest vertrouwde voorwerp plotseling een vreesaanjagend onbegrijpbaar 'ding' kan worden, een wereld, vreemd en afschuwelijker in haar hooghartige geslotenheid dan de benauwendste angstdroom.'

Paniek en chaos
Het moet ergens in 1986 geweest zijn als Amsterdammer Gerard Jan van Bladeren, een onbekende realistische kunstenaar, De schilderkunst in een kritiek stadium in handen krijgt. Hij raakt bezeten door de teksten van Willink en voelt dezelfde paniek en chaos die Willink voelt als een gids - 'een dame met scherpe trekken en harde stem' - zegt dat alle kunst 'slechts voorgeschiedenis was; de traditie is nauwelijks van betekenis meer, slechts nog ezelsbrug om het nieuwe, de abstracte kunst, te begrijpen'.

Van Bladeren ziet abstractie in de kunst als 'een plaag', zo verklaart hij later. De miskende kunstenaar heeft hevige angstaanvallen en is paranoïde. Hij raakt er steeds meer van overtuigd dat er iets gedaan moet worden tegen deze plaag van abstractie die de kunst in zijn greep houdt; een daad van verzet, iets om de kunstwereld wakker te schudden. Op een koele ochtend op 21 maart vertrekt Van Bladeren naar het Museumplein in Amsterdam. Bestemming: het Stedelijk Museum.

 
Je hoefde eigenlijk alleen maar de witte, monumentale trap van het Stedelijk naar boven te nemen, en het rood straalde je al tegemoet. Afkomstig van dat monsterlijk grote doek
Volkskrant-kunstcriticus Rutger Pontzen

Monsterlijk groot doek
In de erezaal van het Stedelijk hangt het immense, abstracte Who's Afraid of Red, Yellow and Blue III -  224 bij 544 centimeter - van Barnett Newman. 'Je hoefde eigenlijk alleen maar de witte, monumentale trap van het Stedelijk naar boven te nemen, en het rood straalde je al tegemoet. Afkomstig van dat monsterlijk grote doek', schrijft kunstcriticus Rutger Pontzen. 'Dertien vierkante meter groot; bijna volledig gevuld met een opzichtig, alles verzengend rood, dat links en rechts wordt geflankeerd door twee dunne stroken blauw en geel.'

Newman (1905-1970) schilderde het doek drie jaar voor zijn dood. Het komt uit een serie van vier vergelijkbare schilderijen. De bovenmaatse afmetingen waren van groot belang voor Newman. Een schilderij was voor hem geen venster op een andere, illusoire wereld.

Pontzen: 'Het was een beschilderd stuk linnen dat door de zinderende kleuren die andere wereld wás. Newman beoogde een 'sublieme' beleving. Hij keek niet naar een schilderij, hij betrad een ruimte, badend in atmosferisch licht. Hij gaf zelfs kijkinstructies dat je zijn werk van dichtbij moest bekijken.'

Het doek wordt opgehangen tijdens een tijdelijke tentoonstelling (tekst loopt door na de foto)

De opvattingen van Newman waren volstrekt nieuw, toen hij samen met zijn collega's Mark Rothko en Jackson Pollock in de jaren veertig en vijftig dit soort schilderijen begon te 'creëren'. Abstract, gedurfd en van bovenmenselijke proporties. Niemand, en zeker niet in Europa, had het ooit eerder gezien. Newman wilde iets nieuws, als een afrekening met West-Europese kunst die hij nostalgisch en achterhaald vond.

Amerikaanse kunst
Who's Afraid III is in 1969 aangekocht door museumdirecteur Edy de Wilde, die verantwoordelijk was voor de introductie van Amerikaanse kunst in Nederland. Door het schilderij jarenlang zo pontificaal in de erezaal van het Stedelijk te presenteren wilde hij zeggen: we houden onze ogen voor vernieuwingen niet gesloten; het 'oude continent heeft zijn beste tijd gehad'.

Het vormt het perfecte doelwit voor de daad die Van Bladeren in gedachte heeft. Met een stanleymes snijdt hij vier lange horizontale en vier verticale incisies in het doek. Hij is helemaal de weg kwijt en beschouwt de toegetakelde Newman als een meesterwerk.

Paranoïde schizofrenie
Deskundigen laten er geen misverstand over bestaan: de vernieler lijdt aan schizofrenie van het paranoïde type. Hij verdwijnt voor 8 maanden achter de tralies en wordt daarna nog een jaar behandeld in een psychiatrisch centrum.

Van Bladerens daad staat niet op zichzelf. In april 1982 stapt de Duitse Jozef Kleer, een depressieve 29-jarige student diergeneeskunde, de Nationalgalerie in Berlijn binnen. Een paar dagen voordat Who's Afraid of Red, Yellow and Blue IV aan het Duitse publiek wordt getoond, de aankoop had 2,7 miljoen Deutschmark (1 miljoen dollar) gekost en was mede tot stand gekomen door publieke fondsen, hakt Kleer met een plastic paaltje in op het werk.

Met de actie van Van Bladeren begint een schandaal dat nog steeds niet helemaal is opgelost.

Het begint ermee dat het schilderij gerestaureerd moet worden. Na een uitvoerige studie naar de schade volgt museumdirecteur Wim Beeren het advies van Newmans weduwe en stuurt hij het schilderij naar de Amerikaanse firma Goldreyer, met Daniel Goldreyer als hoofdrestaurator. Geschatte kosten: 1 miljoen gulden.

Overgeschilderd
Vier jaar later is de klus geklaard en in 1991 wordt het gerestaureerde doek onder veel belangstelling gepresenteerd aan het publiek.

Al snel blijkt dat er iets helemaal mis is. Restaurator van het museum Elisabeth Bracht heeft Beeren dan eerder al, voordat het schilderij was teruggekeerd naar Nederland, na een bezoek aan het restauratieatelier van Goldreyer in New York laten weten dat het schilderij is overgeschilderd.

In een rapport dat Bracht een half jaar na de thuiskomst van het doek presenteert, staat dat Goldreyer voor zijn rode overschildering xyleen heeft gebruikt, een oplosmiddel dat de oorspronkelijke olieverf, waarmee Newman heeft geschilderd, zou aantasten. Dramatische conclusie van Bracht: door het gebruik van xyleen is de overschildering niet meer te verwijderen (wat indruist tegen de 'eis van reversibiliteit' onder restauratoren).

Voor altijd vernietigd
Doordat de kleur die Goldreyer aanbracht sterk afwijkt van het origineel, zal het schilderij 'voor altijd vernietigd zijn'. Het is in de woorden van Bracht een 'levenloos' schilderij geworden. Goldreyer heeft de 'zwak glanzende' verflaag van Newman veranderd in een donkerder oppervlak dat er 'mat en ruw' uitziet. Het museum is 'schaamteloos te grazen genomen', vindt kunsthistoricus Ernst van de Wetering. De teruggekeerde Who's Afraid is 'een karikatuur van het oorspronkelijke schilderij'.

Goldreyer is in zijn wiek geschoten. Zijn reputatie is geschaad en hij eist 250 miljoen gulden van de gemeente Amsterdam en het museum. Alleen al van Stedelijk-directeur Wim Beeren eist hij een ruim 40 miljoen gulden, omdat die het doek na restauratie 'invalide' heeft genoemd. In het contract stond dat hij zich niet kritisch over het herstel mocht uitlaten.

Goldreyer beweert de restauratie te hebben gedaan volgens de methode Newman, met gebruik van miljoenen individuele stipjes waarmee hij zijn schilderijen opbouwde.

Wanprestaties
Het resulteert in een vijf jaar slepend gevecht voor Amerikaanse rechtbanken en een interne strijd in het Amsterdamse gemeentebestuur. D66-cultuurwethouder Marja Baak sneuvelt in 1992 nadat een 'motie van treurnis' wordt aangenomen die is ingediend door PvdA en Groen Links. Ze zou de gemeenteraad tussen mei en december 1991 'cruciale informatie over de restauratie' hebben onthouden.

PvdA-raadslid Annemarie Grewel vergelijkt Baak 'met een ongeëmancipeerde huisvrouw die verbaasd is dat ze de schuld krijgt als de familie ziek wordt van het borrelende en rottende kliekje dat ze opdient omdat ze het zonde vindt weg te gooien', schrijft het Algemeen Dagblad er later over.

Juridische gevechten
Ondertussen duren de juridische gevechten met Goldreyer voort. Tegenover de claim van 250 miljoen gulden staat de claim van het museum en de gemeente van ongeveer de tien miljoen gulden wegens 'wanprestaties' van de firma Goldreyer.

De zaak wordt in 1997 beslecht. Dat jaar gooit Amsterdam het bijltje erbij neer, in de wetenschap dat doorgaan nog meer geld gaat kosten. De juristen van de gemeente hebben destijds het idee in een Amerikaanse advocatenserie te zijn beland. Ze moeten het opnemen tegen een overmacht aan gehaaide Amerikaanse advocaten. In een schikking, waarbij Amsterdam zo'n 77 duizend euro moet betalen, komen de partijen overeen dat de gemeente zich niet meer kritisch mag uitlaten over de restauratie.

Nogmaals in de fout
Van Bladeren is op dat moment alweer een paar jaar op vrij voeten. Hij verblijft onder de radar, maar zijn obsessie met Who's Afraid is alles behalve verminderd. In november stapt de lange Van Bladeren opnieuw het Stedelijk binnen. Waar hangt het? Een psychotische Van Bladeren gaat volledig buiten zinnen het museum door. Het idee dat ze Who's Afraid hebben gerestaureerd houdt hem al jaren in de ban. Hij had er toch een meesterwerk van gemaakt?

Hij heeft een stanleymes op zak en hoopt zijn werk te kunnen herstellen. Maar Who's Afraid is nergens te bekennen.

Dan valt zijn oog op Cathedra, een ander werk van Newman dat hij in 1951 schilderde en in 1975 door het museum is aangekocht. Er zijn geen suppoosten in de zaal en alle agressie en haat van Van Bladeren keren zich tegen het grote, blauwe doek. Drie horizontale halen en twee kortere verticale sneeën met een totale lengte van zo'n vijftien meter verwoesten het doek. Het mes snijdt tot in de muur en de knokkels van Van Bladeren zijn zichtbaar in de ravage die hij op het canvas achterlaat.

 
Ik ben naar 'Who's Afraid' op zoek gegaan, maar kon het niet vinden. Toen ik dat schilderij stuk had gemaakt, was het een meesterwerk. Ik heb er elf jaar lang over lopen tobben dat ze het hebben opgeknapt. Daarmee is het weer vernietigd
Jan van Bladeren

Na zes uur weer op vrije voeten
Suppoosten vinden hem volledig uitgeput en leeggestreden als een zandzak hangend tegen de muur. Het mes zo stevig in zijn hand geklemd, dat het moeite kost om het los te krijgen. Van Bladeren wordt opgepakt, maar staat na zes uur alweer op straat. Langer kunnen daders van vernielingen niet in voorarrest worden gehouden.

Een dag later wordt hij aan het woord gelaten in het Radio 1 Journaal: 'Ik ben naar 'Who's Afraid' op zoek gegaan, maar kon het niet vinden. Toen ik dat schilderij stuk had gemaakt, was het een meesterwerk. Ik heb er elf jaar lang over lopen tobben dat ze het hebben opgeknapt. Daarmee is het weer vernietigd. In 1986 vond ik de museumwereld veel te abstract. Dat is een soort plaag. Intussen heb ik ook de pest gekregen aan het realisme waar ik toen nog warm voor liep. Ik weet nu wat het mooist is: kapotte abstractie en kapot realisme. Ik kan me voorstellen dat men boos is. Maar daarom kan ik nog wel gelijk hebben.'

De rechtbank volgt uiteindelijk het advies van de deskundigen op. Zij oordelen dat de schizofrene Van Bladeren was bevangen door een psychose toen hij het schilderij met een stanleymes bewerkte. Het is volgens hen niet ondenkbaar dat hij zijn daad nogmaals zal herhalen. Hij was volgens hen daarom niet toerekeningsvatbaar en ze adviseren een langdurige psychiatrische behandeling. Hij wordt één jaar gedwongen opgenomen in een psychiatrisch centrum.

Daarna blijft het heel lang stil rond Who's Afraid of Red, Yellow and Blue III.

 
We zullen eindelijk te weten komen hoe het precies is gerestaureerd. De conclusies zijn goeddeels bekend, maar de duivel zit in de details
Jhim Lamoree

Twintig jaar in een kluis
Vier jaar geleden wordt het dossier weer nieuw leven in geblazen door kunsthistoricus en journalist Jhim Lamoree. Hoewel het meeste wel bekend is over het schilderij heeft hij heeft zijn zinnen gezet op het dossier dat al een dikke twintig jaar in een kluis ligt: het onderzoeksrapport van het Gerechtelijk Laboratorium van het ministerie van Justitie. 27 pagina's forensisch onderzoek, uitgevoerd in het najaar van 1991. Met foto's en grafiekjes met de metingen van de slotvernis, de rode bovenlaag en een dertigtal verfmonsters genomen voor de beschadiging en na de restauratie.

De gemeente weigert het rapport vrij te geven uit vrees voor schadeclaims van de erven-Goldreyer. Maar Lamoree is volhardend en vorige week besliste de Raad van State, na enkele jaren procederen, dat Amsterdam het rapport binnen zes weken openbaar moet maken.

'We zullen eindelijk te weten komen hoe het precies is gerestaureerd. De conclusies zijn goeddeels bekend, maar de duivel zit in de details. Hoeveel lagen verf heeft Goldreyer erop gesmeerd? Welke verf? Dermate agressief spul dat de verflagen van Newman zijn aangetast? Is de kleur rood dezelfde als die Newman heeft gebruikt?'

Vorig jaar kreeg de Volkskrant het rapport in handen. De conclusies sluiten aan bij eerdere bevindingen van de restaurator Elisabeth Bracht. Die nieuwe laag verschilde 'qua pigmentsamenstelling en qua bindmiddel' van de verf die schilder Barnett Newman gebruikte. Bovendien bracht Goldreyer over de rode verf nog twee vernislagen aan. Ook heeft hij een deel van de gele strook, rechts op het schilderij, overgeschilderd met een andere verfsoort.

Conform de afspraak
Het rapport laat nogmaals zien dat Goldreyer altijd is blijven ontkennen het rode vlak in zijn geheel te hebben voorzien van een nieuwe rode verflaag. In een fax aan Beeren liet hij de directeur weten enkel de vernielde delen van het schilderij te hebben ingeschilderd met 'dots and points of color (...) to match the original color and patina' - conform de afspraak.

Wel gaf hij toe de vernislaag met een roller te hebben aangebracht. De kritiek van 'mrs. Bracht' schreef hij toe aan haar 'gevoelens van afwijzing en professionele jaloezie'.

Uit de correspondentie tussen het Stedelijk en de gemeente Amsterdam blijkt dat Beeren in december 1991 had kennisgenomen van het standpunt van zijn restaurator, maar dat hij nadien bleef volhouden dat het schilderij 'good and satisfactory' was hersteld. Ook toen hij eenmaal de beoordeling van het Gerechtelijk Laboratorium in handen had.

Who's Afraid is sinds de restauratie nog slechts een keer te zien geweest, bij een tijdelijke tentoonstelling. Het museum toont vanaf morgen verder werken van Newman uit de eigen collectie, zoals Cathedra, The Gate, Right Here. Ook is de etsenserie Notes te zien. Newman maakte deze serie van 12 etsen in 1967-1968 toen hij ook Who's Afraid of Red Yellow and Blue III schilderde. De weduwe van de schilder schonk de etsen in 1979 aan het museum.

Het Stedelijk heeft extra veiligheidsmaatregelen genomen rond de tentoonstelling, die tot en met 13 juli duurt.