Geluk in de Toneelschuur in Haarlem.
Geluk in de Toneelschuur in Haarlem. © Sanne Peper

Nogal wisselvallige kwaliteit in montagevoorstelling Geluk

Theater - Geluk (Nina Spijkers bij Toneelschuur Producties)

Nina Spijkers doet aan energiek zelfonderzoek naar onze obsessie met geluk, maar echt spannend wordt het niet. Sander Plukaard is fraai als vermoeide mindfulness-filosoof.

Geluk

Theater
Door Nina Spijkers bij Toneelschuur Producties, 8/2, Toneelschuur Haarlem.
Tournee t/m 24/3.

Het is een uitgelaten bedoening, dat zoeken naar geluk. Tenminste, als we regisseur Nina Spijkers en haar vier spelers moeten geloven. Vol vaart en bravoure wagen zij zich in een reeks losse scènes aan een even geëxalteerd als uitputtend zelfonderzoek naar onze hedendaagse obsessie met geluk.

Geluk moest het onderwerp worden van haar nieuwe voorstelling, en Spijkers - die eerder opviel met frisse versies van bekend repertoire (Schiller, Tsjechov) - kon er geen bestaande toneeltekst bij vinden. Misschien omdat geluk als onderwerp dramatische spanning mist? Hoe dan ook koos ze een andere aanpak: een montagevoorstelling met door de acteurs aangedragen ideeën en tekst. In een vlotte assemblage schieten de scènes zonder al te veel samenhang voorbij, tegen een intrigerend decor (door Ruben Wijnstok), bestaande uit een jungle van kamerplanten. Ervoor hangt een feestelijk glittergordijn, het instagramfilter dat de werkelijkheid aan het oog onttrekt, en hoog in de lucht, buiten ieders bereik, prijkt een opzichtig neonbord met 'Happiness' in felle, lichtgevende letters.

Tussendoor volgt een hoop nonsens, maar er zijn ook mooie scènes

De kwaliteit van het materiaal wisselt helaas nogal. Er zijn slimme vondsten, zoals het personage Gerben: een zuurstokroze amfibie-achtig geval met Limburgse tongval, die het lijden symboliseert. Hij zegt mooie, wijze dingen, zoals: 'Lijden moet gekoesterd worden, niet bevochten. Boksers vechten, dichters niet.' Toch willen wij, mensen, hem het liefst uitbannen. Dus wordt Gerben gedurende de avond opgejaagd en uiteindelijk hardhandig afgemaakt.

Tussendoor volgt een hoop nonsens, waarin de acteurs met zaklampen op zoek gaan naar het geluk, maar er zijn ook mooie scènes: Sander Plukaard als een soort vermoeide mindfulnessfilosoof, rokend, hardop denkend, ver verheven boven al dat aards geploeter. En opnieuw Plukaard die in een woedend crescendo tientallen zelfhulpboektitels opsomt, nee, uitspuugt. Tessa Jonge Poerink fantaseert hartroerend over de liefde, maar als die zich dan aandient, is steeds het licht niet goed, of de muziek of de man in kwestie, eigenlijk. Dat is geestig en pijnlijk tegelijk.

Mooie, betekenisvolle aanzet, die helaas niet verder wordt uitgewerkt

Fraai zijn de momenten waarop het geluk even gevonden lijkt. Het schuilt misschien in fantasie, in knutselen en kinderspel, in samen muziek maken of meerstemmig een lied zingen. En daarbij, toont Jonge Poerink mooi, is het verdriet nooit ver weg. Als de vier samen Komm, süsser Tod van Bach zingen kan zij haar tranen niet bedwingen. Inderdaad: zonder lijden geen Bach, geen schoonheid. Zonder lijden geen geluk. Dat is een mooie, betekenisvolle aanzet, die helaas niet verder wordt uitgewerkt.

De vorm van Geluk is de inhoud: we hoppen van hype naar kick naar het volgende fun event terwijl we onszelf ondertussen dodelijk uitputten. Dat wordt monter en energiek geïllustreerd, maar is als leidende gedachte te mager.