Mekka
C. Snouck Hurgronje

Mekka

Non-fictie - Steden & Reizen

Mekka

Onder Mohammedanen

Hij was een belangrijk arabist en groot kenner van de islam, schreef fameuze boeken over Mekka en Atjeh. Maar was ook zeer controversieel. Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936) bekeerde zich tot de islam en trok naar Mekka.Het domineeskind Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936) was een van onze grootste arabisten, auteur van fameuze boeken over Mekka en Atjeh, groot kenner van de islamitische wet en van de mystieke stromingen binnen de islam. Hij is ook met gemak een van onze meest controversiële geleerden. De manier waarop hij zijn kennis vergaarde zou uiterst kwestieus geweest zijn, en bovendien stelde hij die kennis ten dienste van een misdadig koloniaal bewind. Handlanger van Van Heutsz was hij, met het bloed van vele duizenden Indische slachtoffers aan zijn handen. Deze week verscheen de vertaling, uit het oorspronkelijke Duits, van zijn bekendste boek, Mekka.Snouck Hurgronje studeerde theologie en Semitische talen te Leiden en promoveerde in 1880 op een proefschrift over de bedevaart, Het Mekkaansche feest. Wie het boek leest, moet concluderen dat hier iemand aan het woord is die in staat was religie te beschouwen als een machtsstrijd en dogmatiek als een variant van tactiek.Die koele distantie laat onverlet dat in de frêle jongeman die ons van foto's aankijkt met de blik van een afgevaste valk, een hartstocht huisde als van een loeiende oven. Aan studievrienden als de theoloog Herman Bavinck verbond hem een levenslange trouw, domme arabisten als L.W.C. van den Berg of gewetenloze politici als Colijn werden in de literatuur bijgezet als mandarijnen, en op hetzelfde zwavelzuur. Evenals Busken Huet en later Hermans zou Snouck de oorlog verklaren aan de 'vaderlandsche onderonsjes'. Na zijn promotie wist Snouck een regeringsbeurs te bemachtigen. Voortaan zou hij twee heren dienen: zijn eigen behoefte om de werkelijkheid achter de literatuur over de islam te kennen en de behoefte van het gouvernement aan betrouwbare informatie over een religie die aangehangen werd door het overgrote deel van de bevolking van Nederlands-Indië.Snouck was een van de weinige westerlingen die in Mekka wisten door te dringen, en hij deed dat door zich tot de islam te bekeren. Hij liet zich zelfs besnijden, en als Abd al-Ghaffar trok hij op de avond van de 22ste februari 1885 Mekka binnen. Meteen deed hij zijn 'tawâf van aankomst', de zeven omgangen rond de Ka'ba. Het was 'de grote gebeurtenis' van zijn leven, 'het begin van een middeleeuwse droom' die vijf maanden zou duren. 'Door de studie van de Mohammedaanse wet en door mij zelf voor te bereiden op volledige aanpassing aan de Mohammedaanse gewoonten en gebruiken, was ik in staat "te schuilen in het volle licht", zoals een Javaans spreekwoord luidt, kon ik voortdurend zien zonder gezien te worden.'Het raakvlak van wetenschap en toepassing, zo kenmerkend voor zijn verblijf in Mekka, zou voor Snoucks verdere leven bepalend zijn, zelfs voor de receptie van zijn werk daarna. Na zijn unieke, avontuurlijke verblijf in Mekka, waar hij islamiet was met de islamieten, inclusief het bezit van een Ethiopische slavin, vertrok hij in 1889 naar Indië. Daar schreef hij zijn twee andere grote, antropologische studies, De Atjèhers (1893-1895) en Het Gajoland en zijne bewoners (1903). Ook daar leefde hij als Abd al-Ghaffar, de dienaar van de vergevende God. De mate waarin hij vergeving nodig had, zou het nageslacht bitter verdeeld houden, maar zo het Snouck een dilemma was, wist hij het in zijn met lood beklede gemoed te verbergen. En zoals hij in Mekka een slavin had achtergelaten, liet hij in Indië zijn Soendanese gezin achter. Hij liet ook een politieke erfenis achter, waarin op zijn advies geprobeerd was 'carrot and stick' te verbinden, hard militair ingrijpen gecombineerd met een doordachte welvaartspolitiek. De oorlog op Atjeh, die al vanaf 1873 aan de gang was, werd volgens Snouck islamitisch geïnspireerd en moest met functioneel geweld beslecht worden.

Daarna zou een evenwichtig en geïnformeerd beleid de vrede moeten handhaven. Het boek dat Snouck in 1888-1889 publiceerde onder de titel Mekka - Mit Bilder-Atlas, bestaat uit drie delen. Het eerste beschrijft de geschiedenis van Mekka vanaf de verovering door de profeet Mohammed, in 630, tot 1886. Het tweede deel, 'Aus dem heutigen Leben', geeft een gedetailleerde beschrijving van Mekka, gebaseerd op Snoucks eigen ervaringen. Het derde bestaat uit foto's van gebouwen, (groeps)portretten van stedelingen en pelgrims en van etnografische objecten. Het zijn deze laatste twee delen die nu door Atlas heruitgegeven zijn, vertaald en ingeleid door de Leidse Arabist Jan Just Witkam.De foto's alleen al zijn fascinerend. En het maken (of laten maken) ervan leverde hem de contacten en informanten die hij zocht. Snouck had een fijne neus voor informanten. Zo leverde zijn Ethiopische wederhelft, een intelligent en zelfbewust meisje, hem belangrijke informatie over het leven van vrouwen in Mekka. Ook de kennis en contacten van een directeur van de Nederlandsche Stoomvaart Maatschappij, Van der Chijs, waren van onschatbare waarde.Samen met het al wel bekende dagboekje van Snouck zijn het de brieven aan Van der Chijs, door de dochter van Snouck aan de Leidse universiteitsbibliotheek geschonken en nu voor publicatie vrijgegeven, die Witkam in zijn schitterende inleiding in staat stellen Snoucks wederwaardigheden vrijwel op de voet te volgen. Vooral zijn plotselinge uitwijzing uit Mekka door de Turkse overheid wordt gedetailleerd uit de doeken gedaan. Buiten zijn schuld raakte Snouck verzeild in een diplomatiek schandaal rond een Frans-Duitse archeologische vondst: niet zijn zogenaamde ontmaskering als onwaarachtige islamiet maar zijn wellicht wat naïef opereren in nationalistische rivaliteit kostte hem de kop.Toch was dat halve jaar in Mekka voor Snouck vruchtbaar als een granaatappel. Hij schetst het leven in de heilige stad met een directheid en een beeldend vermogen die het boek tot een literair document van de eerste orde maken. Dankzij de uiterst adequate vertaling van Witkam, die de stijl van Snouck, een loeiend vuur in een gietijzeren omhulsel, zuiver weergeeft, heeft de Nederlandse literatuur er een meesterwerk bij.De grondstelling van het boek is de overtuiging dat zelfs de meest eschatologische religie werelds geïnspireerd is. 'De hemelse voordelen die men in Mekka hoopt te verwerven', merkt Snouck op, 'worden in de gebeden altijd in de beeldspraak van winstgevende handel uitgedrukt.' Dat is wat religie im Grunde voor Snouck is: handel. Of het nu is om geld of om invloed, om rijkdom of macht. Dat betekent niet dat hij geen oog heeft voor oprechte devotie of diepe geleerdheid. Wel dat hij het leven in Mekka beschrijft op het stramien van de negotie. Langs ons oog passeren woekeraars en bedelaars, hoeren en gidsen, alsof Mekka niet een religieus centrum maar de metropool van het materialisme was.Het openbare leven wordt vooral gevangen in de beschrijving van de feesten van de religieuze kalender. In het tweede hoofdstuk, over het familieleven, gaat Snouck diep in op het leven van de vrouw, de polygamie en de weinig affectieve basis van het huwelijk. Ook bijgelovigheid, het boze oog en dito geesten komen aan de orde. In de behandeling van de belangrijkste dagen uit het leven van de man, naamgeving en besnijdenis, koranschool en verdere opleiding, bruiloft en begrafenis schildert hij een intiem stilleven. Ook de wetenschap, de rechtsscholen, de mystiek, de profane geleerdheid, bibliotheken en medersas - koranscholen - en een reeks van mufti's passeren de revue. En ten slotte ontvouwt hij, in de beschrijving van de Indische kolonie in Mekka een nieuwe islampolitiek voor het koloniaal bestuur.Controverses rond Snouck zijn nooit van de lucht geweest, en die kregen er in de jaren zeventig van de vorige eeuw een dimensie bij. De islam was in Snoucks ogen niet meer 'het stijve boerenjongetje van