Jongens zijn 't
Angela Crott

Jongens zijn 't

Non-fictie

Jongens zijn 't

Angela Crott beschrijft hoe jongens zijn overvleugeld door meisjes. Ze halen lagere cijfers op school en hebben thuis steeds minder te vertellen

Jongens zijn 't - en dat zullen ze altijd zijn. Boys will be boys. Lawaaiig, beweeglijk, druk. Overmoedig, opschepperig en brutaal. Met geen stok aan het huiswerk te krijgen, blind voor gevaar. Een plaag voor de leraar, een kwelling voor bezorgde moeders. Maar achter dat stoere vertoon klopt een onzeker jongenshart. Hij wil het heus goed doen, die jongen. Hij wil iets betekenen voor de wereld. Hartveroverend, dat zijn ze.

Tenminste, voor wie tegen typisch jongensgedrag kan. Dat kunnen steeds minder mensen. Nu, aan het begin van de 21ste eeuw, is de jongen een probleemgeval. Ouders, leerkrachten en pedagogen weten niet meer wat ze aan moeten met jongensgedrag. Het probleem met de jongen is dat hij zich, alle inspanningen ten spijt, maar niet wenst te gedragen als een meisje: coöperatief, invoelend en leergierig. Het meisje is de norm geworden, de jongen de hinderlijke afwijking. Jongens, wie vindt ze nog aardig?

Angela Crott wel. In 2011 promoveerde zij, historica, oud-onderwijzers en moeder van twee zonen, op een studie naar het beeld van de jongen in de opvoedingsliteratuur tussen 1882 en 2005. De titel van haar boek vatte de neergang van de jongen in de ogen van de opvoeders goed samen: Van hoop des vaderlands naar ADHD'er.

Een van de stellingen bij Crotts proefschrift luidde: 'Het diagnosticeren van drukke jongens als adhd'er kan gezien worden als een uitwas van het burgerlijk beschavingsoffensief.' Het boefje werd een patiënt. Zijn kwajongensgedrag diende te worden beteugeld. Eerst was hij ondeugend, toen onhandelbaar, en vervolgens pathologisch. Door het slikken van ritalinnetjes werd hij een stuk beter te verdragen.

Nu is er een publieksversie van Crotts proefschrift, met de al even rake titel Jongen zijn 't - Van Pietje Bell tot probleemgeval. Inhoud en strekking van de twee edities zijn grotendeels hetzelfde. Het nieuwe boek is nog leesbaarder. Crott vlecht haar persoonlijke verhaal door haar historische verhaal. Ze schrijft over haar ervaringen met haar leerlingen en vooral die met haar twee zonen, échte jongens, die zich niet in een keurslijf lieten persen en daardoor een moeizame onderwijscarrière hadden.

Aan het begin van de vorige eeuw kon de jongen nog een potje breken. De 'erfprins des hemels' werd hij genoemd, in een wereld waarin meisjes niets voorstelden. De jongen was ook toen al druk, lui en tot rottigheid geneigd, maar hem werd veel vergeven. Als hij was uitgeraasd, zou hij vanzelf een verantwoordelijke kostwinner worden. Ook zonder diploma.

Na de invoering van de Mammoetwet, in 1968, groeide het belang van diploma's. Bovendien kregen jongens op school concurrentie van meisjes, die nog niet zo dom bleken. Sterker, meisjes waren geknipt voor school, en de school voor hen. Tegen het eind van de vorige eeuw begonnen de meisjes de jongens te overtreffen. Ze raakten in de meerderheid op het vwo, bestormden het hoger onderwijs en veroverden eerbiedwaardige mannenberoepen als onderwijzer, arts en rechter. Jongens vormen nu de meerderheid op de laagste typen vmbo, in het speciaal onderwijs, en in ongeschoolde beroepen.

De anders zo competitief ingestelde jongens werden bepaald niet uitgedaagd door die overijverige meisjes. Hun gedrag bevestigde vooral dat school iets is voor braveriken, voor slijmerds en mietjes. Omdat de toekomstige rol van kostwinner en gezinshoofd hem werd ontnomen, raakte de jongen zijn gevoel van eigenwaarde, zijn doel in het leven, kwijt. En omdat machogedrag op school werd afgekeurd - en bestraft door de psycholoog met een label als adhd - moesten jongens hun manlijkheid in geperverteerde vorm uitleven op straat, met gangstergedrag en geschreeuw om 'respect!'.

Intussen werd, door de invoering van het 'studiehuis' en het 'nieuwe leren', met nadruk op zelfstandig leren, school steeds vervelender voor jongens. Puberjongens hebben sturing nodig, en duidelijke eisen. Werkstukjes maken en 'reflecteren' op hun

gedrag is niet hun fort. Helaas stond er nog maar zelden een meester voor de klas. Zo'n meester die jongens leuk vinden, die wel in is voor een geintje, en wat herrie kan verdragen. Mannen gingen het onderwijs mijden.

Crott wijst niet rechtstreeks de hoofdschuldigen aan van de val van de jongen. Wel waren er in haar ogen twee ontwikkelingen in de 20ste eeuw die in het nadeel van jongens uitpakten: de vrouwenemancipatie en de diplomamaatschappij. Hoewel veel jongens een uitgesproken hekel hebben aan school - een gevangenis, ver van het echte leven - moesten ze er steeds meer jaren naar toe. Want zonder diploma word je 'niks'.

Moeders gingen werken en gaven thuis minder aandacht aan hun jongens. In de kinderopvang, waar vooral vrouwen opereren, wordt het jongetje al vroeg gekneed tot het gewenste model; avontuurlijk en ondernemend gedrag wordt afgekeurd. Op de basisschool gaat dat al net zo. Het aantal echtscheidingen nam toe, waardoor jongens steeds vaker de sturende, maar ook begripvolle en minder bangelijke inbreng van hun vader misten. Van vrouwen kun je niet zo goed leren hoe je een man wordt.

Dit alles mocht bovendien niet hardop worden gezegd, want de heersende opinie schreef voor dat jongens en meisjes - en vaders en moeders - gelijk waren, en dat seksespecifiek gedrag kon en moest worden afgeleerd. Jongens hadden meer af te leren dan meisjes. Hun agressie bijvoorbeeld. Pas de laatste jaren wint de gedachte terrein dat jongens en meisjes wel degelijk 'van nature' verschillen, en dat voor beiden een andere aanpak nodig is.

Ook Crott neigt naar die nature-gedachte. Jongens zijn 't, en dat rammen we er niet zomaar uit. Dat moeten we ook niet willen. Zij hoopt op meer begrip voor de jongensziel en op meer waardering voor mooie 'manlijke' eigenschappen als moed, enthousiasme en daadkracht. Láát die jongens nou even uitrazen en hun eigen mogelijkheden en beperkingen ontdekken. Maar leg wel grenzen op, daar hebben ze behoefte aan. Bestempel ze niet tot losers met een label. Dwing ze niet eindeloos tot schoolgang, als ze daar beroerd van worden.

Crott voelt wel iets voor naar sekse gescheiden onderwijs, waar jongens niet worden afgeleid door mooie meiden, en waar ze minder stoer hoeven te doen. Ook pleit ze voor de herinvoering van de ambachtsschool, waar alles draait om de praktijk. Op zo'n school, blijkt uit haar onderzoek, hebben jongens zich altijd thuis gevoeld. Ook op niet-intellectuele arbeid mag je trots zijn, en via de praktijk kun je tot grote hoogte stijgen. Daar zit zeker wat in. Waarom iemand die walgt van school aan zijn schoolbank vastketenen? Waarom mag iemand die liever dingen maakt dan dingen leert, zijn hart niet volgen?

Toch zit er een keerzijde aan dit laat-die-jongens-nou-pleidooi. Het gevaar dreigt dat de opleidingskloof tussen mannen en vrouwen nog groter wordt. Want de meisjes blijven natuurlijk massaal naar de universiteit gaan. Je zou bijna gaan denken dat jongens echt minder hersens hebben, en dat het niet aan de 'gefeminiseerde' didactiek ligt dat zij falen. Alsof mannen niet door de eeuwen heen geweldige dingen hebben bedacht en uitgevonden, de mooiste boeken schreven en de beste muziek componeerden.

Als je jongens al vroeg van school haalt, lopen ze ook veel mis. Het is niet zo heel lang geleden dat slimme jongens uit de lagere sociale milieus, die graag naar de universiteit hadden gewild, zonder pardon naar de ambachtsschool werden gestuurd. Dat is nu gelukkig voorbij. Begrip voor jongens moet niet leiden tot onbenut talent en een glijbaan naar beroepen die weinig eisen.

Er zou ook begrip mogen zijn voor jongens die niet beantwoorden aan de stereotypie van hun sekse. Jongens die niet houden van vechten en stoeien en die de terreur van de groep liefst ontlopen. Jongens die wel intellectuele ambities hebben, of artistieke talenten. 'De jongen' is in Crotts boek wel heel erg het prototype van de drukke, niet-talig

e, met de handende werkende ruwe bonk. Begrijpelijk, want dat past goed in haar betoog. Maar bij jongens zijn er meer smaken. Ook de van het standaardmodel afwijkende jongen heeft tegenwoordig zijn etiket: hij is een nerd, of een asperger.

Uit Crotts boek spreekt een licht verlangen naar een wereld waarin moeders thuis hun zonen in het gareel konden houden, waar vaders zonder schuldgevoel aan het werk konden zijn, kleintjes niet werden gedumpt in crèches en kinderen erop konden vertrouwen dat hun ouders bij elkaar bleven. Maar die wereld bestaat niet meer.

Jongens zullen moeten leren leven met moeders die veel weten en kunnen (boeken schrijven over opvoeding van jongens, bijvoorbeeld). Ze moeten omgaan met een vrouwelijke werkgever of chef. Als een man niet alleen door het leven wil, moet hij verdragen dat zijn vriendin minstens zo hoog is opgeleid, en minstens evenveel verdient.

Die vriendin vindt het best leuk als hij er een beetje stoer uitziet, maar ze hoeft niet door hem gered en beschermd te worden. Ze wil graag dat hij haar computer repareert, maar ook dat hij de baby verschoont en een gevoelig luisterend oor heeft. De jongen die aan zulke eisen niet voldoet, staat straks wel erg eenzaam op zijn borst te roffelen. Oók een vorm van natuurlijke selectie.

Dat Jongens zijn 't af en toe uitnodigt tot tegensputteren, maakt het betoog niet minder waardevol. Elk interessant pleidooi doet dat. Crott schreef een geweldig gedocumenteerd, tegendraads en vrolijk boek, dat op alle pabo's en lerarenopleidingen tot de lesstof mag behoren.