De mythische oom
Mariët Meester

De mythische oom

Non-fictie - Literatuur & Poëzie

De mythische oom

Meester reist terug in de tijd naar ingeblikt Nederland

De huizen van Lynden in de Amerikaanse staat Washington hebben trapgevels en in de windmolen zit de dorpskroeg. Mariët Meester ging op familiebezoek in een goed geconserveerde Hollandse enclave.

Nederland is groter dan we denken. In het noordwestelijke puntje van Amerika, tegen de grens met Canada, ligt een enclave waar het 'echte' Nederland is ingeblikt, het plaatsje Lynden. Veel inwoners hebben Nederlandse namen als Jansma of Schouten. Thuis spreken ze Nederlands en eten ze stamppot en draadjesvlees. Veel gebouwen, tot de openbare toiletten aan toen, hebben een trapgevel. Het post office heet 'postkantoor', bij de bakker koop je speculaas en bij de kruidenier de onmisbare pakken Brinta voor het ontbijt. Zelfs nasikruiden hebben ze er.

Wat Lynden bovenal tot een museale versie van een verdwenen Nederland maakt, is het protestantisme. Als schrijfster Mariët Meester, die haar geëmigreerde familie komt bezoeken, voor het eerst door Lynden rijdt, valt haar op dat er in elke straat een kerk staat. Nostalgische houten kerkjes en lelijke loodsen. Het welvarende plaatsje met 11.000 inwoners heeft 35 kerken.

Die kerken zullen een hoofdrol spelen in het boek dat Meester van plan is te schrijven over haar verblijf. Weliswaar zijn de meeste Nederlandse immigranten in Lynden gereformeerd, maar er zijn talloze afsplitsingen, die elkaar verbeten bevechten, waarbij het meestal gaat om de interpretatie van passages in de Bijbel, of de mate waarin erfzonde haar stempel drukt op de nietige mens. Veel van die kerkgenootschapjes richtten ook weer hun eigen afgesplitste scholen op. Het lijkt Maarten 't Harts Maassluis wel.
Meesters familie is gereformeerd-vrijgemaakt, maar ook binnen die zuil zijn er gewichtige nuances en deinzen de leden er niet voor terug elkaar te excommuniceren of elkaars kinderen van school te sturen. Alleen al de leden van de familie Maystar, zoals ze zich noemen, gaan naar drie verschillende kerken. De schrijfster, die niemand voor het hoofd wil stoten, bezoekt elke zondag braaf twee kerkdiensten.

Er is een voelbare bloedband tussen de Nederlandse nicht en haar oom Peter, zijn zeven kinderen en talloze kleinkinderen. In Peters geval is het een letterlijke bloedband. Tien jaar geleden bleek hij, de 'mythische' oom in Amerika die ze alleen kende uit wonderlijke verhalen, aan leukemie te lijden. Chemokuren haalden weinig uit; de enige kans op genezing was stamceltransplantatie. Peters bloed bleek overeen te komen met dat van zijn oudste broer Jan, de vader van de schrijfster. Jan Meester woonde nog altijd in de Drentse gevangeniskolonie Veenhuizen, waar hij hoofd van de School met de Bijbel was geweest, en waar zijn dochter opgroeide. Hij zette zich over zijn vliegangst heen en reisde naar Lynden. Zijn gezonde cellen werden in de bloedbaan gebracht van zijn jongste broer. Het wonder geschiedde: de nu bijna 80-jarige Peter tennist nu weer als een jonge god. Voor de schrijfster is het schokkend hoezeer Peter op haar vader lijkt, alsof met diens stamcellen ook zijn karakter en motoriek in Peter zijn overgegaan.

Mariët Meester schreef het levensverhaal van haar oom Peter en zijn nazaten op als non-fictie, een familieverhaal. Als participerende verslaggeefster, die zich grondig heeft gedocumenteerd, kijkt ze rond en noteert. Maar ze doet ook mee aan alle familieactiviteiten. Ongemerkt verandert de sfeer van Lynden de schrijfster. Ze hoort zichzelf moeizame discussies voeren over homoseksualiteit en abortus, beide zeer zondig volgens haar oom. Zelf is hij arts en toxicoloog, maar om principiële redenen - het onderzoeksinstituut dat hij leidde deed aan in-vitrofertilisatie, waarbij overgebleven embryo's werden weggegooid - stopte hij met onderzoek en werd hij bedrijfsarts. Stamceltransplantatie mocht dan weer wel van God. Die had immers de mens hersens gegeven om te gebruiken tot heil van de medemens. Meester hoort het verwonderd aan - en schrijft over die v

erwarring.

Die afwisseling van observatie en reflectie geeft het boek een mooie, vanzelfsprekende golfslag. 'Ik leef als een Lyndeniet', schrijft ze na een maand. Ze bakt koekjes met haar nichten, ze helpt pakjes naaien voor een optreden van de plaatselijke school. Ze verheugt zich op het eerste kleinkind van nicht Paula. In de kerk weet ze precies wat de preek die keer zal vertellen.

Al psalmen meezingend, beseft ze dat ze een zondig mens is. 'Ik heb geleerd dat er geen kruid tegen me gewassen is. Ik doe van alles wat niet mag en moet dan tot de orde worden geroepen en gestraft.' Ze verbaast zich over haar eigen brave gedrag, zo ver van de Amsterdamse grachtengordel. De veilige nestgeur, daar komt het door. Die kent ze van thuis, zij het in een lichtere versie. Stukken veiliger dan de gesprekken met haar intellectuele vrienden, die tegen elkaar opbieden in eruditie en cynisme. De Lynden-kolonie doet haar wellicht denken aan het gesloten Veenhuizen, waar ze opgroeide, ook al maakt ze die vergelijking niet.

Maar bekeerd wordt ze niet, en er zijn ook momenten van afkeer. Zo wordt Mick, een ex-junk met terminale kanker die door haar nicht Susanna liefdevol wordt verzorgd, genegeerd door de familie; het stel is immers niet getrouwd - een ontroerende verhaallijn. En als een overlevende van Auschwitz op school haar verhaal komt vertellen, besluit de school dat de vrouw niet hoeft terug te komen: zij had gezegd dat ze 'geluk' heeft gehad, terwijl het toch God is die haar heeft gered.

De hoofdstukken waarin de schrijfster rondloopt in Lynden worden afgewisseld met het verhaal over Peters jeugd, en zijn eerdere jaren in Amerika. In die hoofdstukken is Peter, de springlevende oom met wie de schrijfster koffiedrinkt, naar de kerk gaat en gesprekken voert, ineens een personage, een fictieve figuur, wiens gedachten door de verteller worden bedacht. Die aanpak levert een vreemde, onnodige stijlbreuk op. Omdat de feiten 'gedekt' worden door de gesprekken met de oom, had zijn geschiedenis net zo goed verteld kunnen worden door de vertelster in Lynden.

Achteraf was er gedonder. Oom Peter las het boek, vond het mooi, maar schrok van enkele felle passages over de kerk. Daarom veranderde Meester wat namen, wat het boek echter niet minder 'waar gebeurd' maakt. Ook de slome afbeelding op het omslag, van een meisje in traditionele kledij van pioniers, contrasteert vreemd met de inhoud. Dat de diepgelovige Lyndenieten er hypermodern uitzien, ambitieus zijn en op internet zitten, geeft juist zo'n mooi contrast.

Echt storen doet het niet, want Meesters verhaal over de diepgelovige oom in wiens bloed haar vader mee ruist, is goed geschreven en meeslepend. Het drama diende zich vanzelf aan, in de laatste week van Meesters verblijf. Alsof God op de valreep toch even woedend van zich deed horen - een passend slot, dat de schrijfster zomaar cadeau kreeg.