Miek Zwamborn.
Miek Zwamborn. © -

Bladeren door een geschiedenis

REPORTAGE - Een botanische reis langs de Rijn

Op hun huwelijksreis langs de Rijn verzamelde een echtpaar 151 jaar geleden bloemen en bladeren in een herbarium. Schrijfster Miek Zwamborn vond het boek op een rommelmarkt en besloot hun reis over te doen.

Mijn reis begint in Heidelberg. Op 12 juli 1863 kwamen Mina en J.J. van G aan in deze stad die overschaduwd wordt door een imposant kasteel. 'Dort wo hohe Mauern glühen', schrijft Goethe over Schloss Heidelberg. Hoe vurig die muren zijn, zie ik pas de volgende dag, want ik moet eerst de helling op zien te komen met ruim 25 kilo bagage. Het zijn mijn eerste haarspeldbochten op de fiets. Slingerend en onvast op de pedalen worstel ik naar het hooggelegen hotel Molkenkur, waar het echtpaar vermoedelijk de nacht heeft doorgebracht.

De volgende morgen wandel ik door een mistig bos naar de Königsstuhl. Boven heb ik een groots uitzicht over de zijrivier de Neckar en het Rijndal. De industrie is opgerukt en het slot is in de tussenliggende anderhalve eeuw drie keer gerenoveerd. Van een oorspronkelijke burcht is al lang geen sprake meer, maar een van de richtingen waarin ik kijk, moet de blik van het echtpaar kruisen.

Worms, 13 juli
Bij het wegfietsen uit de stad pluk ik een catalpablad van de boom op het plein voor de herberg. Plukte ik louter iets om iets geplukt te hebben, vraag ik me af. Met welke aandacht zocht het echtpaar de bladeren en bloemen bijeen? Plukten ze het uitzicht of het gesprek? Een bloem of blad drogen zonder dat het beschadigt, vergt veel geduld. Vaak gaat de wind ermee aan de haal, vouwen de bladeren dubbel, verfrommelt de kelk of verschuift het groen door een onverhoedse beweging van mijn hand. J.J. en Mina staken de bladeren, nat nog, in het album. De vlekken op de linkerpagina's verraden dat. De flora als getuige van de reis en tegelijkertijd zijn zij ook getuigen van datzelfde groen geweest; zij hebben de bloemen gezien, opgemerkt en uitgekozen om deze veilig te stellen, drager te laten zijn van een moment, een plek, een beweging, op te laden met de herinnering aan die specifieke plek.

Met de bloemenpers achterop gebonden fiets ik pal aan de rivier naar Mainz, langs vervallen fabrieken, oude roestige tanks begroeid met vogelkers, een hijskraan die zijn bak loom in het hoge gras heeft gelegd.

Mainz, 14 juli
In het stadsarchief van Mainz vraag ik drie boeken op. Ik kom te weten waar je in 1892 het best kon slapen (kamer met licht en bediening), dat de stad in wasparels, geweren en optische instrumenten handelde, dat er dagelijks dampschepen voeren, stroomopwaarts en stroomafwaarts en dat Duitsland in 1863 uit honderdvijftig verschillende hertog- en vorstendommen en koninkrijken bestond. Er waren overal grenzen. Elk van deze staten had een eigen tijd, maat en gewichtsvoering. Er was nog geen landelijke rechtspraak.

Hoe durfde dat echtpaar de reis in die roerige periode aan?

Andernach-Stolzenfels, 14 juli
De weg naar Slot Stolzenfels ligt er verlaten bij. Het late middaglicht projecteert kastanjebladeren op de geasfalteerde weg. Ik loop onder de boog van een viaduct door, een poort van hoogstens 2 meter breed. Deze middelste smalle boog moeten Mina en haar man gepasseerd zijn.

Kom ik nog dichter bij het echtpaar dan hier, tussen deze zwarte stenen? Even maakt een tinteling zich van mij meester, dit is de plek waar we een paar seconden samenvallen in tijd.

Drachenfels, 17 juli
Net als Mina en J.J. moet ik vandaag de Rijn oversteken om in Königswinter te geraken. Hoe laat, vraag ik me af, namen zij een veer? Liepen ze zelf naar boven of huurden ze een ezel (1,50 mark) of een paard( 2 mark)? Ik smokkel en neem het kabeltreintje dat sinds 1893 van en naar de dode vulkaan de Drachenfels rijdt. Halverwege stap ik uit, het is een flinke klim door het bos, ik houd het struikgewas scherp in de gaten, zie varens op een richel, maar pluk niks tot ik boven ben. Tussen de muren van de ruïne fladdert een koninginnepage rond met een gehavende vleugel. Ik laat mijn blik van de vlinder naar de rivier glijden. Een paar minuten lang lijkt alles roerloos. De bomen bewegen niet en het is net alsof de Rijn is gestopt met stromen.

'De Rijn combineert elke kwaliteit die een rivier kan laten zien', schrijft Vicor Hugo. 'De snelheid van de Rhône, de breedte van de Loire, de rotsen van de Maas, de bochten en kronkels van de Seine, de doorzichtigheid van de Somme, de historische herinneringen van de Tiber, de koninklijke status van de Donau, de mysterieuze invloed van de Nijl, het gouden zand bij de glinsterende beken van de Nieuwe Wereld, en de spoken van sommige Aziatische wateren.'

Ik draai naar het noorden en volg de Rijn stroomopwaarts. Uit de akkers kun je de vroege loop van het water afleiden: een ingedamde rivier die haar voormalige omtrek durft te laten zien.

Keulen, 22 juli
Klokslag twaalf uur rijd ik na een zware regenbui Keulen binnen, de grote St. Peter luidt, ik kijk omhoog naar de torens: veertig jaren zijn er nodig geweest om deze te bouwen en weer staan ze in de steigers. Weiter, weiter, es muss gehen! Voorbij de dom zigzag ik om het glas op de weg. Ik ben de stad al weer uit. Het pad is deels onverhard, modder spat op, ik raak van top tot teen gevlekt.

Rheinhausen, 24 juli
Staande onder een brug over de Rijn in het Ruhrgebied ben je maar een nietig wezen. Ook een fiets lijkt naast de brede rivier een vervoermiddel van niks. Ik rijd een stukje op met een vrachtschip dat auto's en bestelbusjes vervoert maar na de bocht raak ik achterop en even later is het schip uit het zicht verdwenen.

Hoe dichter in de buurt van een stad, hoe groter, steviger en hoger het groen wordt, alsof het zich moet wapenen tegen civilisatie.

Langs de oever bij Rheinhausen draagt de zilverschoon nog de sporen van het hoge water. De gekartelde bladeren glimmen in de zon en zijn met fijn rivierzand bestoven. Door de wirwar van wilgenroosjes, zeepkruid, wolfsmelk, koningskaarsen, distels en dauwbraam probeer ik de monding van de oude haven te vinden waar het echtpaar van boord moet zijn gegaan, maar tevergeefs, alle sporen zijn gewist.

De Panne, 26 juli
De weg voert langs de met flats volgebouwde duinen. Hier en daar staat nog een grote teunisbloem, de bessen van de duindoorn zijn haast rijp en in de berm schieten klaprozen op, kollebloemen zoals ze in België zeggen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog schreef de Canadese militaire arts en dichter John McCrae er na het sneuvelen van zijn vriend in de Tweede slag om Ieper een gedicht over.

In Flanders fields the poppies blow
Between the crosses, row on row,
That mark our place; and in the sky
The larks, still bravely singing, fly
Scarce heard amid the guns below.
We are the Dead. Short days ago
We lived, felt dawn, saw sunset glow,
Loved and were loved, and now we lie
In Flanders fields.
Take up our quarrel with the foe:
To you from failing hands we throw
The torch; be yours to hold it high.
If ye break faith with us who die
We shall not sleep, though poppies grow
In Flanders fields.

Misschien moet ik hier langer bij stilstaan, maar ik nader Oostende al, fiets over de boulevard, langs de Toscaanse zuilen van de Koninklijke Gaanderijen en schiet onder de poort met koning Leopold II te paard de Koninginnelaan in. Onmiddellijk om de hoek langs de muur tref ik grote partijen dorstige varens aan, geschubde mannetjesvaren. De bladeren zijn bruin en hangen slap, maar aan de overkant staan groene exemplaren. Een man in een groen pak houdt de wacht. Hij werkt de helft van de week op de begraafplaats, de andere dagen in het park. Onder zijn toeziend oog pluk ik twee zwierige bladeren, die ik met moeite in de pers krijg omdat er een gemene wind staat die de bladeren telkens op laat waaien. Met vier stenen op de hoeken en twee stenen op de bladeren en een razendsnelle hand die de houten buitenplaten dichtklapt, snoer ik de varens in en keer ik met de buit om naar De Panne.

30 juli, Kew Gardens, Londen
Zeven miljoen gedroogde planten, opgeborgen in torens van groene linnen dozen, blad op blad op blad gestapeld. Bij binnenkomst in het Kew Herbarium moet ik mijn herbarium inleveren. Elk te identificeren blad wordt ingevroren (-40 C), zodat het steriel (zonder ongedierte) op naam kan worden gebracht en de collectie niet aantast.

Helemaal boven in een ruimte met zicht op de Thames worden de species opgeplakt, niet met smalle strips maar rigoureus met witte lijm, een dame bestrijkt ruim de achterkant van een eucalyptusblad, draait de tak om, blad voor blad wordt ingesmeerd, daarna draait ze de tak met bladeren om, ze legt ze voorzichtig op het blanke papier. Met een spons dept ze de overtollige lijm weg, de losse zaden veegt ze in een kleine envelop dat ze naast de takken plakt.

Ik laat het album van Mina en J.J. van G zien op mijn iPad. 'Oh, dit is een selaginella en dat is een adiantum capillus-veniris, echt venushaar, geef me een pen.' Snel schetst een van de botanisten de omtrekken van de bladeren op de pagina uit mijn album en krabbelt er de vermoedelijke namen bij. 'De bladeren zijn te vinden in the Princess of Wales Conservatory', besluit hij. Opgetogen begeef ik me naar de kas, waar in die hoek inderdaad de varens uit het album staan.

Na de rondleiding dwaal ik uren door de tuin. Kew is een rariteitenkabinet. In de palmkas zie ik een bloeiende hibiscus schizopetalus met een een onbeschrijflijke bloesem, uitzinnige meeldraad, carrousel van rozerode bladeren, geflambeerd haast. Diverse cactussen hebben zich neergevlijd op een kachel en verderop vind ik een bloeiende pleiocarpa mutica met dichte bollen om de kale tak, alsof iemand de witte bloemen er met de hand op geprikt heeft. Onder de plant op de zwarte aarde liggen honderden afgevallen kroontjes.

Plukken in Kew is diefstal. Ook het aanraken of oprapen van afgevallen bloemen en bladeren is niet toegestaan. Ik breek de regels wanneer ik in een container achter het Palmhouse een afgedankt palmblad zie liggen. Voorzichtig trek ik het onder het andere gebladerte vandaan. Ik keer het blad om, zet het rechtop, laat de steel op de grond rusten en kijk naar de puntige uiteinden van het blad die boven mijn hoofd uitsteken; een gevaarlijke paraplu. Snel overweeg ik hoe ik het blad op kan vouwen zoals ik dat in het herbarium heb zien doen. Dan gaat opeens de achterdeur open, ik leg het blad, hoe graag ik het ook wil meenemen, braaf terug.

De komende dagen leiden naar Crystal Palace, Guildhall, Windsor Castle, Barnes en Hampton Court, het slot met de duizend vertrekken waar ik de gelijknamige roman van Menno ter Braak wil lezen:

'Het groene gazon bij het slot... De stralende zon... gazon...

Toen kwam zij uit de poort. Zij: witte jurk, één en al lach. Was zij... was zij...? Het bloeit! het bloeit!'

Aan het eind van de week reis ik verder naar Isle of Wight. Daar zal ik botaniseren zoals het hoort: wortel, stengel, blad en bloem in tweevoud plukken, labelen in het veld, ze losjes persen, identificeren, ze als het blad slap is met de pincet tussen de kranten leggen en het herbarium aansnoeren met de herbariumknoop, zodat de druk op de pers gelijkmatig verdeeld wordt. Ik zal tekenen onderweg en een hoed dragen.