Bert Keizers boeken zijn troostrijk voor ongeneeslijk zieken
©

Bert Keizers boeken zijn troostrijk voor ongeneeslijk zieken

Waarom de boeken van Bert Keizer, hoewel hij akelige dingen zegt, zo troostrijk zijn voor iemand die zit opgezadeld met een ongeneeslijke ziekte, en wat hij te zeggen heeft over een nog altijd beladen onderwerp als euthanasie.

Ik ben halverwege de vijftig en langzaam, stap voor stap als het ware, word ik invalide. Ze zeggen dat dat tien jaar duurt met parkinson. Ik zit precies op de helft en tel mijn zegeningen. Ik slaap op rare uren. Vergeet namen en nummers. Ook heb ik een falend hart. Het doet het nog maar half. Daardoor tob ik met een weifelende potentie, al kan dat ook aan de bètablokkers liggen. Of zou het toch de parkinson zijn?

Van Bert Keizer lees ik al jaren alles. Filosoof en schrijver, tot eind vorig jaar verpleeghuisarts in Amsterdam en overigens al heel lang, tegen wil en dank vermoed ik, het geweten van het nationale euthanasiedebat. Hij heeft genoeg demente ouderen zien sterven, en helpen sterven, om de akelige dingen te kunnen zeggen die bijna niemand horen wil. Dat we nu eenmaal allemaal doodgaan bijvoorbeeld, omdat er 'anders alleen staanplaatsen over blijven'. En dat dementie geen pretje is, hoewel we dat bijna allemaal willen geloven, maar tegen het eind een 'onvatbare halfdood'.

Non-fictie
Bert Keizer
Vroeger waren we onsterfelijk
Lemniscaat; 296 pagina's; euro 19,95.

Keizer was al SCEN-arts - degene die bij een verzoek om euthanasie een second opinion moet geven - en is na zijn pensionering gaan werken voor de Levenseindekliniek, waar mensen terecht kunnen als hun eigen huisarts niets wil weten van euthanasie. Over die wereld schrijft hij columns in Trouw en in het artsenblad Medisch Contact. Hij doet dat zo geestig dat je soms even vergeet hoe verbijsterd hij voortdurend is.

In zijn columns vol reviaanse wendingen en ironie proef je dat hij solidair is met de schimmen die door de gangen van het verpleeghuis dwalen. Al vanaf Het refrein is Hein (1994), waarmee hij doorbrak, verbaast Keizer zich over de 'diagnoseverslaving' van collega-artsen die een 95-jarige patiënt maar blijven behandelen, die scans blijven maken 'tot halverwege de crematie', terwijl ze haar netjes zouden moeten laten sterven.

Waarom doet een man dat? Waarom zou je zo lang zo intens bezig willen zijn met de dood? Tussen de alzheimerpatiënten valt er voor een doorsneedokter niet veel te halen, je redt geen levens, je weet niet eens of die mummelende oude vrouw het leven nog een beetje draaglijk vind, een goed gesprek met haar is hooguit het residu van een gesprek. En ondertussen wordt er om je heen elke dag stevig gestorven.

De dokter was een man om bang van te zijn

In een nieuwe bundel columns, Vroeger waren wij onsterfelijk, legt Bert Keizer zich uit. Hij is van '47. Zoon van een bescheiden katholieke middenstander in Amersfoort; zijn vader had een schildersbedrijfje. In de jaren vijftig, schrijft hij, was God net zo gewoon als 'de mededelingen voor land- en tuinbouw'. Ook de dood had een plek: je lichaam ging naar het kerkhof, je ziel naar de hemel, na een kort oponthoud in het vagevuur.

Doodgáán was andere koek. Het leven van Keizer loopt wonderlijk parallel met de geschiedenis van het euthanasiedebat. Zijn jeugd wás ook naïef, het laagland was nog diepgelovig, en de dokter was een man om bang van te zijn, een kettingroker in een witte jas die jou liever niet vertelde dat je kanker had, vooral niet als je eraan doodging. Ook verzweeg de huisarts dat hij je met een dubbele dosis morfine over de rand van dit aardse bestaan ging duwen, zonder je te vragen of dat goed was. Daar kwam maar gedonder van. Het was toch beter zo?

Artsen vonden het barmhartig.

De wet noemde het 'moord'.

Niemand zei iets hardop.

En toen, schrijft Bert Keizer, ging alles schuiven. In the sixties werden god, seks en abortus bespreekbaar, en ten slotte ook de dood. Keizer trok in die jaren achter een lief aan naar Engeland, deed op haar toneelschool een jaar lang de vaat en behaalde een bachelor-graad in de filosofie. Terug in Nederland werd hij alsnog arts. Hij koos, na enige tijd in Kenia te hebben gewerkt, voor de 'marge van de geneeskunst', het 'afvalputje van de zorg': het verpleeghuis.

De meeste taboes rond de dood verdwenen in de jaren zeventig en tachtig, en God niet veel later. Voor het eerst in een kleine eeuw regeerden vanaf 1994 geen christendemocraten. Dat gaf lucht, al moest het nog acht jaar duren voordat Els Borst ('Het is volbracht', zei ze per ongeluk) als minister van Volksgezondheid 'haar' euthanasiewet kreeg, de eerste in de wereld.

Eind goed, al goed, zou je denken. Een rebelse denker als Bert Keizer, groot geworden met de Beatles, Samuel Beckett en Bertrand Russell, is in deze eeuw niet meer zo nodig. Het lijden hebben we bij wet opgelost en de zorgverzekeraars vergoeden de euthanatica. Zo normaal is de zelfgekozen dood dat we onze euthanasie nu bespreken alsof het een afspraak bij de kapper is.

Toch schuurt er iets. Want niet alle taboes zijn verdwenen.

De Nederlandse euthanasiewet ademt het libertijnse, niet meer door een christelijke moraal gedwarsboomde beginsel dat elk individu vrij is. Vrij om zelf te beschikken: hoe te leven, hoe te sterven. Meestal zijn Nederlanders trots op die wet, zoals ze dat ook zijn op het homohuwelijk. Maar achter dat kijk-ons-eens-humaan-sterven steekt een onmachtig aarzelen.

De euthanasiewet is ook en nog steeds doortrokken van Hollands pragmatisme en calvinistische dwingelandij. Waar het zelfbeschikkingsrecht in andere, vooral Angelsaksische landen absoluut is - wie anders zou moeten besluiten dat ik dood mag? -, wordt het hier beperkt door 'de gemeenschap'. Niemand leeft voor zichzelf, zei de ooit gereformeerde theoloog Harry Kuitert. En sterven doe je evenmin alleen.

Euthanasie is geen recht en artsen zijn tot niets verplicht

Dit land is te klein voor absolute waarden. We middelden ons naar een wet die van alles niet regelt: euthanasie is geen recht en artsen zijn tot niets verplicht. In dat compromis hebben we de struikelblokken - dementerende bejaarden, psychiatrische patiënten en ouderen die niet ziek zijn maar wel 'klaar met leven' - 'even' geparkeerd. Dertig jaar later zijn die hiaten nog altijd onbespreekbaar.

Als oma vergeetachtig wordt en onhandig, als ze van een vriendelijke vrouw verandert in een angstig en vals secreet, kan het lang duren voordat de kinderen haar durven te vertellen dat ze dementeert ('daar praat je toch niet over'). En als ze niet meer thuis kan wonen, willen we geloven dat ze 'best gelukkig' is, ook al herkent ze haar kinderen niet meer, en sluipt ze elke avond in haar nachtpon door haar kamer op zoek naar de nooduitgang.

Het taboe rond dood en dementie is hardnekkig. We spelen stommetje. Daarom schrijft, denk ik, Bert Keizer gewoon door, om ons te laten aanvaarden dat euthanasie bij een dementerende bejaarde bijna altijd onmogelijk is, hoe geschrokken de kinderen ook claimen dat 'vader dit echt niet had gewild'. Geen enkele dokter, herhaalt Keizer al jaren, maakt iemand dood die niet meer weet wat dat is, dood.

In zijn columns zie ik hem aarzelen. Wanneer je als arts nou eens niet alleen langs de dagopvang loopt, maar je in die oude man inleeft, en op zoek gaat naar zijn verlangen te sterven, dan kan het misschien toch een enkele keer. Daarna heeft ook Bert Keizer alleen troost te bieden en de compassie van een arts die zegt: 'Ga eens zitten, geef me je hand, kijk me in de ogen, weet dat je gaat sterven.'

Volg en lees meer over:

Reacties (0)

U hebt javascript nodig om een reactie achter te laten.
Plaats een reactie Nog 600 tekens
Uw waardering