Bekentenissen van een burger
S. Marai

Bekentenissen van een burger

Fictie - Literatuur & Poëzie

Bekentenissen van een burger

Afscheid van het avondland

Tien jaar voordat Stefan Zweig in zijn Braziliaanse ballingschap de balans zou opmaken van een beschaving die ten onder was gegaan en daarover in zijn Die Welt von Gestern verslag deed, had Sándor Márai in geschrifte al afscheid genomen van het avondland. Twee schrijvers, allebei opgegroeid met de zegeningen van de cultuur van de Donaumonarchie, een cultuur van aristocratisch veinzen en burgerlijk kosmopolitisme, de één een Jood uit Wenen, de ander een rooms-katholiek uit Kassa in wat toen Opper-Hongarije was en nu Slowakije. Zweig was van 1881 en had daardoor de Belle Epoque die voorafging aan de Eerste Wereldoorlog langer en actiever meegemaakt dan Márai. Die was pas veertien jaar oud en nog scholier toen in Sarajevo de eeuwige Europese vrede overhoop werd geschoten. Zijn klasgenoten zouden enkele jaren later bij bosjes sterven aan de Isonzo, in Noord-Italië, op het slagveld waar de toekomstverwachtingen en zekerheden van een cultuur evenzeer als bloederige illusies achterbleven als in de loopgraven van Vlaanderen en Noord-Frankrijk.Verklaart dat leeftijdsverschil waarom Márai's Bekentenissen van een burger een beter boek is dan Zweigs De wereld van gisteren? Hij had minder te verliezen of was althans minder vertrouwd met datgene wat verloren ging, hij had bovendien vermoedelijk minder met de onveranderlijkheid en duurzaamheid daarvan gerekend.Misschien dat dat het is wat, bij alle rommeligheid en verwardheid van zijn herinneringen, zijn boek zo aangrijpend maakt, zo snijdend scherp en gespeend van de enigszins larmoyante sentimentaliteit die Zweigs herinneringen kenmerkt. Zweig treurde, Márai stelt een diagnose, de een stond op het punt uit het leven te stappen, de ander moest daar, 34 jaar oud op het moment van schrijven, eigenlijk nog aan beginnen. De een kwam, bovendien, uit het hart van de cultuur die hij beweende, de ander van de periferie. Dat scheelt in de nauwkeurigheid van de waarnemingen en in het perspectief. En, natuurlijk, het maakt een enorm verschil dat Márai niet voor zijn leven had hoeven vrezen: hij was niet Joods en toen hij schreef was de Tweede Wereldoorlog nog ver weg, al was Adolf Hitler in Duitsland al aan de macht gekomen. Márai kon nog terloops mopperen op 'de Joden' uit zijn geboortestad en in Duitsland op een wijze die sindsdien als bedenkelijk antisemitisme te boek staat. Neurenberg en Auschwitz waren voor hem allebei nog ondenkbaar, Zweig was ervoor op de loop.Voor Márai stond het Europa waar hij afscheid van moest nemen in het teken van de burgerij. Zijn vader was jurist in een provincieplaats, in zijn familie van vaderskant wemelde het van juristen. Burgers waren zij, die vertrouwden op de orde van de burgerlijke samenleving, op haar waarden en codes, op haar schijnheiligheid en gezapigheid. Overtuigde burgers, misschien juist wel doordat zij aan de rand van het rijk woonden en de inspiratiebron voor hun overtuigingen, Wenen, zo ver weg was. 'In Opper-Hongarije kostte het veel moeite om burger te zijn', schrijft Márai, 'je moest je daarvoor inspannen, zoals een uitstekende leerling vrijwillig nog wat extra huiswerk maakt.' De waarden en de leugens van die cultuur zijn bekend; de hele 20ste eeuw door lekten zij immers nog na in de kleinburgerij. Talen leren en nieuwe boeken ter inzage ontvangen en dan vergeten ze terug te bezorgen, zodat de huisbibliotheek zienderogen aangroeide; pianospelen met de liniaal voor de mis tastende vingers in de aanslag; eindeloze zorg over de rituele finesses van de maaltijd; ongebruikte salons die blonken als een spiegelpaleis; bordelen om de hoek, zelfs in Kassa, de keukenmeid paraat als eerste minnares voor de oudste zoon des huizes. Jammer toch, dat niet alle idealen van de bourgeoisie mettertijd gezonken cultuurgoed van de kleinburgerij zijn geworden.Het interessante is dat Márai het er als gymnasiast al benauwd van kreeg: hij had dat schot in Sarajevo niet eens nodig gehad om de stap van de wereld va

n gisteren naar die van morgen te maken, hoezeer zijn literaire oeuvre ook in het teken van de terugblik zou komen te staan. Maar dat is dan ook de verrassing en de kracht van zijn Bekentenissen van een burger, dat hij levenslang geput heeft uit de schok die het jeugdige besef daar niet bij te kunnen horen heeft teweeggebracht. Zijn oeuvre is een reconstructie van een persoonlijk verlies, niet van een historische eigenaardigheid. Hij loopt al jong van huis weg en nog voor hij veertien jaar oud is, zit hij al op een kostschool in Boedapest. Thuis is een logeeradres, de cultuur van de burgerij een museum. Na die school volgt een reeks omzwervingen door de ruïnes die de Eerste Wereldoorlog van de vertrouwde wereld heeft achtergelaten. Hij doet alsof hij studeert, in Leipzig, Frankfurt en Berlijn. Maar in werkelijkheid ontwikkelt hij zich tot de flaneur, tot de minst sociale man van zijn tijd - tot de waarnemer bij uitstek. Is het verwonderlijk dat hij, in de wilde jaren twintig in Berlijn en even later in Parijs, journalist of liever: feuilletonist wordt? Natuurlijk niet - en wat zou je graag een bundel van zijn journalistieke werk lezen, nu er in het Nederlands inmiddels vier van zijn romans beschikbaar zijn en, na de herinneringen in Land, land!..., de jeugdherinneringen in deze Bekentenissen van een burger. Die omzwervingen, zo onzeker en labiel als ze de auteur ook maken, zijn een inspectietocht langs de morele puinhopen, zoals het slothoofdstuk, waarin hij het sterfbed van zijn vader beschrijft, ook de ultieme metafoor is voor de ondergang van het avondland zelf. In die voortdurende registratie van hoe Duitsers en Fransen - en, in mindere mate, Britten en Italianen - in dat eerste tijdvak na de Tweede Wereldoorlog zichzelf trachten te hernemen is Márai op zijn best, daar wordt de schrijver in de journalist geboren en wij zien hem schoksgewijs ter wereld komen. Hij hongert naar waarnemingen en ziet pas geleidelijk aan in dat daar zijn ware aard niet ligt. 'Wat levensbeschouwing, leefwijze en geesteshouding betreft, ben ik een burger', schrijft hij, 'maar ik voel me overal sneller thuis dan onder burgers. Ik leef in een anarchie die ik als immoreel ervaar en die toestand kan ik moeilijk verduren.'De wankelmoedigheid van zijn tijd en die van hemzelf lopen vloeiend in elkaar over. Vandaar dat hij er zo scherp over schrijft: hij wist waar hij het over had.