Een herdenkingsplaats in de buurt van het winkelcentrum in München
Een herdenkingsplaats in de buurt van het winkelcentrum in München © AP

Walging of verering is aan de aanschouwer

Ombudsvrouw Annieke Kranenberg

Zelfonderzoek bij media is na de reeks aanslagen toe te juichen, structureel informatie mijden niet.

De foto toont een knap jongensgezicht met een baardje. De 19-jarige Franse Algerijn - die maandag werd doodgeschoten nadat hij een 85-jarige priester in Normandië de keel had doorgesneden met een mede-pleger - lacht breeduit. Sommige Franse media publiceerden de foto, anderen uit principiële overwegingen niet. De krant Le Monde wil niet meewerken aan potentiële 'postume verheerlijking', nieuwszender BMF TV wil voorkomen dat zij worden gelijkgesteld aan slachtoffers.

Praktisch gezien is het voor de Volkskrant een klein stapje om geen foto's van aanslagplegers te publiceren. Dat doet ze uit privacybescherming ook niet bij verdachten of daders in Nederland. Eenmaal de grens over delft privacy het onderspit en wint nieuwsgierigheid. De redactie publiceerde toevallig geen foto van de Franse Algerijn, maar plaatste er op de site wel een van zijn medepleger. Eerder liet zij ook daderfoto's zien van onder andere Nice, Orlando en Würzburg.

Propaganda

Of met bewondering, walging of interesse naar een foto wordt gekeken, is aan de aanschouwer

Principieel gezien zou het wel een grote stap zijn om foto's te mijden wegens postume verheerlijking. Bij Le Monde ging er een fundamentele beslissing aan vooraf. Onder de kop 'Verzet tegen strategie van haat' maakte de krant woensdag duidelijk dat zij haar verantwoordelijkheid wil nemen in de strijd tegen een 'vijand' die iedereen bedreigt. Media, aldus het hoofdredactionele commentaar, kunnen niet worden gevrijwaard van zelfonderzoek.

Dat laatste is toe te juichen, zeker nu de ene na de andere aanslag zich aandient. Zodra propaganda een criterium wordt voor berichtgeving, begeeft de krant zich op een hellend vlak. In het geval van IS mag duidelijk zijn wie de slechterik is, in andere gevallen wordt informatie subtieler gestuurd. Of met bewondering, walging of interesse naar een foto wordt gekeken, is aan de aanschouwer.

Wel is het noodzakelijk IS-propaganda voortdurend inzichtelijk te maken. Dat begint al bij het 'opeisen' van aanslagen. Voorheen betekende dit dat een groep daadwerkelijk bij een aanslag is betrokken. Nu is dat niet het geval. Reeds in 2014 riep IS zijn volgelingen op geweld te plegen. Er is geen toestemming nodig, een volgeling hoeft alleen maar steun te betuigen aan de kalief. Inmiddels eist IS alles wat in zijn ideologische straatje past op en leidt dit meestal tot nieuwskoppen.

Ook op de Volkskrantsite: 'Islamitische Staat eist bomaanslag Ansbach op', 'IS: schutter Orlando is soldaat van het kalifaat'. Eigenlijk zou er moeten staan: 'IS bekent schuld, maar levert geen bewijs voor betrokkenheid bij aanslag'. Verder is een aanslag niet terroristisch omdát IS deze heeft opgeëist. Daarmee wordt IS - dat angst wil zaaien - in de kaart gespeeld. Er moet bewijs zijn.

Psychische stoornissen

Er valt geen keiharde scheidslijn te trekken tussen een verwarde en een terroristische dader

Een steunbetuiging aan IS zegt ook niet alles. Uit onderzoek blijkt dat politiek gemotiveerde eenlingen fundamenteel verschillen van deelnemers aan terrorisme in groepsverband. Zelden is er alleen een ideologische motief, meestal staan persoonlijke krenkingen centraal. Ook blijken zij vaker te kampen met psychische problemen. In de VS gaat het om 40 procent, zo blijkt uit onderzoek naar 'lone wolfe-terrorisme' van Mark Hamm en Ramon Spaaij. De politieke motivatie voor een daad blijkt achteraf soms een legitimatie te zijn voor een complexe combinatie van persoonlijke problemen en frustraties, vertelde Spaaij eerder in deze rubriek.

Ook de aanslagplegers van Orlando, Nice, Würzburg, München, Ansbach en Saint-Étienne-du-Rouvray kenden een geschiedenis van mentale problemen. Nu valt er geen keiharde scheidslijn te trekken tussen een verwarde en een terroristische dader, zoals maandag ook bleek uit de analyse 'Wanneer wordt een lone wolf een terrorist?' De reactie op een door IS georganiseerde aanslag is evenwel heftiger dan op die van een verwarde eenzaat.

Terminologie met twee maten

Het is niet aan de krant te bepalen wie een terrorist is

Dat verschil zou ook tot uitdrukking moeten komen in de terminologie en maatvoering van de krant. 'Aanslag' heeft een zwaardere lading dan 'schietpartij'. Na 13 november was duidelijk dat Parijs was getroffen door een terroristische aanslag, maar soms is dat niet meteen duidelijk en zal de krant een slag om de arm moeten houden. Na de aanval in München op vrijdagavond luidde de opening van de eerste editie van de zaterdagkrant: 'Terreur in München'. De avondploeg leunde sterk op de politie die uitging van een terroristische aanslag. Toen later die avond niet meer over drie, maar over één dader werd gesproken en een Tristan van der V.-scenario opdoemde, werd de voorpagina aangepast in 'Aanslag in München'.

Er is nog een reden om - in lijn met het eigen Stijlboek en dat van andere nieuwsorganisaties - terughoudend te zijn met terrorisme-labels. Het is niet aan de krant te bepalen wie een terrorist is. Eerder pleitte ik er in navolging van Reuters voor 'emotieloos taalgebruik' na te streven, zodat iedereen zijn eigen oordeel kan vormen op basis van feiten. Specifieke termen zoals schutter of kaper verdienen de voorkeur.

In de berichtgeving over Duitsland maakte de redactie zich kwetsbaar voor het verwijt met twee maten te meten. Zo werd de 17-jarige dader van de bijlaanval in Würzburg, waarbij geen doden vielen, een terrorist genoemd, maar de 18-jarige schutter in München, die negen migranten doodde, niet. Dat lijkt inconsequent, maar de correspondent heeft de lijn van de Duitse autoriteiten gevolgd. Sinds woensdag werd bevestigd dat de dader van München inderdaad een rechts-extremist is, wordt hij in Duitsland ook een terrorist genoemd - en als het goed is nu ook in deze krant.

Copycat

Kennis vergroot het gevoel van controle, terwijl onwetendheid onrust en complottheorieën voedt

Of de gevestigde media een belangrijke rol spelen bij de verering van martelaren is maar de vraag. Dat vindt hoe dan ook plaats op sociale media en in de onlinemagazines van IS en Al Qaida. Media spelen wel een rol bij copycatgedrag. In ongeveer eenderde van de ruim 120 solistische daders die Hamm en Spaaij bestudeerden, was sprake van een zeker inspiratie- of copycat-effect. Die bevinding komt overeen met onderzoek naar massamoorden op scholen. Om die reden zou de redactie enige terughoudendheid kunnen betrachten, dat doet zij immers ook bij suïcide waarbij een copycat-effect wetenschappelijk is vastgesteld. Gedetailleerde beschrijvingen over de methodiek of het middel kunnen mensen die op het randje balanceren op een idee brengen.

Dat mag een van de belangrijkste journalistieke taken niet in de weg staan: inzicht bieden in de oorzaken van radicalisering. Wie begrijpt waar het vandaan komt - een stoornis, krenkingen, politieke ideologie, een combinatie - weet waar men kan zoeken naar oplossingen. Kennis vergroot het gevoel van controle, terwijl onwetendheid onrust en complottheorieën voedt.

De redactie zal zich telkens moeten afvragen of ze het blikveld van lezers vergroot of louter inspeelt op sensatiezucht. Dat geldt ook voor het tonen van beelden. Het ene moment kan een foto van een lachende jihadist het zicht op de slachtoffers vertroebelen, het andere moment doet deze beseffen dat hij ooit deel uitmaakte van de samenleving.