Kamervoorzitter Anouchka van Miltenburg geeft na afloop van de Presidiumvergadering een verklaring, 12 november.
Kamervoorzitter Anouchka van Miltenburg geeft na afloop van de Presidiumvergadering een verklaring, 12 november. © ANP

Presidium heeft fout advies gegeven

De Kamer moet het advies van het Presidium in de wind slaan en een tijdelijke commissie instellen die vertrouwelijk kennis neemt van het dossier van het OM en kijkt of er iets zit in de aanklacht dat een ambtsmisdrijf is gepleegd.

Presidium past met zijn advies de wet verkeerd toe, en is bovendien onverstandig en onwerkbaar

Kamerleden die collega-Kamerleden als verdachte moeten gaan horen in het kader van 'commissie stiekem-gate', dat werkt natuurlijk niet. Dat ziet Frank Hendrickx goed in de Volkskrant van 14 november, zoals ook eerder de Commissie-De Wijkerslooth, die zich in 2009 boog over het lekken van Prinsjesdagstukken (Rapport Publiek Geheim).

Dat had ook het Presidium van de Tweede Kamer zich moeten realiseren toen het op 12 november haastig adviseerde om een 'pseudo'-parlementaire enquêtecommissie in te stellen om de verdenkingen van ambtsmisdrijven van één of meer fractieleiders in de Tweede Kamer nader te onderzoeken. Dat advies past trouwens de wet verkeerd toe, en is onverstandig en onwerkbaar op de koop toe.

Artikel 119 van de Grondwet zegt dat leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen in geval van verdenkingen van ambtsmisdrijven terecht staan bij de Hoge Raad, en dat de opdracht tot vervolging alleen kan worden gegeven door de Tweede Kamer (respectievelijk de regering) zelf. Dit alles om te voorkomen dat Kamerleden lichtvaardig worden vervolgd.

Prille parlementaire democratie

Wie iets misdrijft in de politiek wordt daar niet door de strafrechter op afgerekend maar door de politiek zelf

Die bepaling reflecteert een reële angst uit de tijd van net na 1840 toen ministers en Kamerleden net een zelfstandige positie begonnen in te nemen ten opzichte van de Koning en de rechterlijke macht.

Onder de tektoniek van de prille parlementaire democratie dreven de schollen van de overheidsmachten uit elkaar. Met de inmiddels stokoude Wet ministeriële verantwoordelijkheid van 1855 werd invulling gegeven aan de strafrechtelijke procedure en strafrechtelijke aansprakelijkheid van ministers die in 1840 in de Grondwet was gekomen. De Wet werd nooit toegepast, niet omdat we zulke keurige politici hebben, maar omdat die links werd ingehaald door de politieke ministeriële verantwoordelijkheid die vanaf 1848 in de Grondwet kwam en zich vanaf 1868 in de politieke praktijk zette.

Wie iets misdrijft in de politiek wordt daar niet door de strafrechter op afgerekend maar door de politiek zelf: Ministers stappen op, Kamerleden worden aangesproken door hun fractie of partij - meestal met hetzelfde resultaat. Er is nog maar een hele kleine ruimte voor de strafrechter en het strafrechtelijke circuit: terecht, die heeft daar ook weinig te zoeken.

Met die achtergrond en dat doel van de wet houdt de brief van het Presidium veel te weinig rekening. Inderdaad, de Wet ministeriële verantwoordelijkheid zegt in artikel 9 dat wanneer er aanleiding is om nader te bezien of een zaak betreffende een ambtsmisdrijf (zoals lekken uit de commissie stiekem) van een Kamerlid moet leiden tot een verdere vervolging (een echte verdenking hoeft er niet eens te zijn), de Kamer een commissie in kan stellen (door de volledige Kamer te benoemen). En die commissie heeft dan van allerlei opsporingsbevoegdheden waaronder die tot het onder ede horen van personen waaronder Kamerleden.

Doorgeefluik

De wet zegt juist dat de Kamer eerst eens even naar het onderwerp van de klacht moet kijken

Maar de brief van de commissie slaat een stap over. Artikel 8 van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid zegt: 'De Kamer overweegt in de afdeelingen of de aanklagt een onderwerp van nader onderzoek zal uitmaken.' DAT is nagelaten.

Het Presidium zegt in zijn brief 'dat het wettelijk kader moet worden gevolgd' en dat daarom een commissie moet worden ingesteld. Maar dat is helemaal geen automatisme in de wet; de wet zegt juist dat de Kamer eerst eens even naar het onderwerp van de klacht moet kijken (ook bij Kamerleden), vooraleer tot nader onderzoek te besluiten. In dit geval dus de aangifte en het dossier dat het OM heeft liggen. Daarvan weten we dat het Presidium er nog niet in heeft gekeken. Sterker nog niemand dan het OM weet wat er in staat.

In de brief van het Presidium wordt alles verhaspeld. Wat eigenlijk (in 1855) bedoeld was als een toets van de Kamer om lichtvaardige vervolging van Kamerleden door het OM te voorkomen, dreigt te verworden tot een zelfstandig strafrechtelijk opsporingsonderzoek van Kamerleden naar collega-Kamerleden. Hun fractievoorzitters ook nog.

Doordat niet eerst in rust naar de aanklacht (inclusief OM-dossier) is gekeken, wordt een wettelijke stap overgeslagen, en de Kamer in één keer een commissie ingerommeld, met liefst zoveel mogelijk juristen, die als scherprechter moeten fungeren over zowat de hele commissie-stiekem. Niet de letter en zeker niet de bedoeling van de wet. Daarin is de Kamer een doorgeefluik (is er voldoende om verder te vervolgen?) geen politieagent, officier van justitie of rechter.

Drama

Het publiek verwacht dat de commissie gaat functioneren als een enquêtecommissie, en dat gaat teleurstellingen met zich meebrengen

Het voorstel uit de brief is ook onverstandig. Want al is die - zogenaamd automatisch uit de wet voortvloeiende - commissie geen parlementaire enquêtecommissie (deelt daarmee slechts een aantal bevoegdheden), het Nederlandse publiek verwacht inmiddels al niet minder dan dat die commissie wel zo gaat functioneren. Net als bij een enquêtecommissie onder ede horen in openbare vergaderingen, gerechtigheid voor het oog van de draaiende camera, drama. De Kamer moet immers van alle blaam gezuiverd. Dat gaat grote teleurstellingen met zich brengen.

Zo lijkt alom de behoefte te bestaan de identiteit van de in het OM-dossier genoemde fractieleiders geheim te houden: het kan zijn dat ze niets hebben misdreven. Maar dat is heel lastig te rijmen met openbare hoorzittingen. De wet parlementaire enquête (gedeeltelijk van toepassing verklaard) maakt besloten zittingen en geheimhouding wel mogelijk, maar alleen om gewichtige redenen (art. 12). Maar is nu de identiteit van een gehoorde wel een gewichtige reden?

Er is nog veel meer hoofdpijn te verwachten. Leden van de commissie-stiekem hoeven waarschijnlijk niet onder ede te verklaren op grond van art. 19 omdat zij zich kunnen beroepen op een verschoningsgrond. Dat wordt nog wel een ding want ook journalisten aan wie is gelekt zullen zich op hun door het EVRM beschermde (Goodwin-arrest en Hoge Raad 1996) beroepsgeheim beroepen.

Die commissie die er niet had hoeven komen, gaat dus waarschijnlijk niets horen, want niet alleen kunnen de fractieleiders die het aangaat zich verschonen, ze moeten dat eigenlijk ook doen op grond van hun geheimhoudingsverplichting als lid van de commissie-stiekem.

Tragedie op termijn

Neem dit hele circus van vergeten bepalingen over strafrechtelijke vervolging van Kamerleden nog eens onder de loep

De verschoningsartikelen van de wet parlementaire enquête zijn maar gedeeltelijk van toepassing verklaard in dit soort gevallen; bij de herziening van die wet in 2005-2006 hield niemand rekening met de mogelijkheid dat Kamerleden elkaar onder ede zouden gaan verhoren. Terecht.

Met dit verkeerde Presidium-advies zitten we de aankomende maanden met een tragedie op termijn. Het kan alleen maar fout of fout gaan. Zover hoeft het niet te komen. Wat de Kamer spoorslags moet doen is, anders dan de brief van het Presidium adviseert, een tijdelijke commissie instellen die vertrouwelijk kennis neemt van het dossier van het OM en zoals artikel 8 van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid wil, kijkt of er vlees op de botten van die 'aanklacht' over het ambtsmisdrijf zit.

Die commissie kan dat besloten en in vertrouwelijkheid doen en dan een van drie uitkomsten aan de Kamer bestellen: of concluderen dat de zaak niet door moet naar de Hoge Raad, of juist wel, of vaststellen dat de zaak ernstig is en nader moet worden onderzocht.

Als die tijdelijke commissie de zaak zo heeft gewogen (en dat hoeft echt geen drie maanden te duren) dan kan ze daarover adviseren aan de hele Kamer en die kan dan alsnog beslissen om een onderzoekscommissie - die nu direct wordt voorgesteld - in te stellen. Het is zorgvuldiger en linksom of rechtsom, het doofpotverwijt blijf je toch niet voor.

Mocht het toch tot een nadere onderzoekscommissie komen dan is het in moderne verhoudingen het best dat de rijksrecherche in opdracht van die commissie het strafrechtelijke nadere onderzoek uitvoert en niet de Kamercommissie zelf. Ieder zijn vak.

Beter is het dit hele circus van vergeten bepalingen over strafrechtelijke vervolging van Kamerleden van meer dan anderhalve eeuw oud nog eens onder de loep te nemen. Nu is het een tapijt van bananenschillen. En ook moet er nog eens goed naar de geheimhoudingsplichten van de commissie- stiekem te kijken. Ook dat werkt niet nu. Wat in ieder geval niet helpt is de onberaden brief van het Presidium. Die koopt geen tijd, die wrijft slechts in een vlek.

Wim Voermans is hoogleraar staatsrecht aan de Universiteit Leiden.

Volg en lees meer over:

Reacties (4)

U hebt javascript nodig om een reactie achter te laten.
Plaats een reactie Nog 600 tekens
  • Herr .Baffo -
    Maar als er een 'vertrouwenscommissie' zou worden ingesteld die moet bekijken of 'er vlees op de botten zit', dan is het probleem toch nog steeds niet opgelost? Dan oordelen Kamerleden, in een verkapte vorm weliswaar, toch nog steeds over andere Kamerleden?
  • Daysie -
    De slager die zijn eigen vlees keurt! Belachelijk!
  • Alberto -
    Uitkomst van de nieuwe commissie: 'Er is geen gerede verdenking dat er een ambtsmisdrijf is gepleegd'.
  • Blutch1 -
    Zo goed is de politiek dus op de hoogte van wat zij als haar kerntaak zou moeten beschouwen.