P. C. Hooft-prijswinnaar Karel van het Reve in 1982 met zijn broer Gerard (die de prijs in 1969 ontving).
P. C. Hooft-prijswinnaar Karel van het Reve in 1982 met zijn broer Gerard (die de prijs in 1969 ontving). © ANP

Opinie op zondag - Sebastien Valkenberg: 'Onleesbaarheid troef in literatuurwetenschap'

Prikkelende opinie op een dag dat u er tijd voor heeft: de Volkskrant presenteert elke zondag een bijdrage van een vaste club van zeven auteurs. Vandaag filosoof Sebastien Valkenberg.

Nog steeds is het onleesbaarheid troef

35 jaar terug kreeg Karel van het Reve de P.C. Hooftprijs voor zijn essayistisch werk en terecht. Het is nog even urgent als toen. Het raadsel der onleesbaarheid, de Huizinga-lezing van 1979, had gisteren geschreven kunnen zijn. Waarom produceren literatuurwetenschappers toch zulk taai proza?, vroeg Van het Reve zich af. Om de discipline vervolgens tot aan de knieën af te zagen.

Sindsdien is er weinig veranderd. Tenminste, zo lijkt het. Nog steeds is het onleesbaarheid troef. Zie de webpagina van de UvA-literatuurwetenschappers, waar je hun recente publicaties vindt. Bodies We Fail (over de manier waarop media lichamen afbeelden, onder meer die van queers), is een van de meest prikkelende titels. Verder vinden we: The Reparative in Narratives (hoe geef je mensen een stem die iets traumatisch hebben meegemaakt?) en Indiscretions: At the Intersection of Queers and Postcolonial Studies (hoe progressieve idealen, zoals seksuele gelijkheid, tegenwoordig worden misbruikt om een islamitische onderklasse te disciplineren).

De laatste titel wordt als volgt aangeprezen: 'This volume inquires into the possibilities and limitations of a parceling out of objects alternative to the common scheme, crude but often apposite, in which Western sexual subjectivity is analyzed and criticized by queer theory, while postcolonial studies takes care of non-Western racial subjectivity.' 
 
Zinnen als deze zijn doodnormaal in de literatuurwetenschap. We hebben hier, voor alle duidelijkheid, niet van doen met een UvA-kwaal. Zin om te lezen krijg je niet van zulke teksten. Toegegeven, dat geldt voor de meeste wetenschappelijke artikelen. Toch is er een verschil met de chemicus of AI-onderzoekers die zich nauwelijks bekommeren over de toegankelijkheid van hun proza. Voor literatuurwetenschappers ligt de lat hoger. Dat hoop je althans. Zij drukken zich uit in het medium dat ze bestuderen.

Jargon

We moeten ons zorgen maken

Sinds Van het Reve zijn lezing uitsprak, heeft zich een verandering voorgedaan. Het jargon doet je nog steeds duizelen, maar wordt nu ingezet voor andere doeleinden. Destijds speurde men naar formele eigenschappen van een tekst die zouden maken dat we met literatuur van doen hebben. De opeenvolging van bepaalde klinkers, dat soort zaken. Waarom dat tot bellettrie leidt, bleef doorgaans ongewis.

Dat was eind jaren zeventig. Edward Said, Michel Foucault, Jacques Derrida - ze moesten nog doordringen in het curriculum. Zij leerden studenten dat teksten niet zomaar een verzameling zinnen zijn. Er komen machtsstructuren in tot uitdrukking. Die onttrekken zich misschien aan de oppervlakkige lezer, maar de literatuurwetenschapper weet wel beter. Hij kreeg een nieuw begrippenapparaat en steeds vaker ging het over de constructie van de Ander, hegemonie en logocentrisme. Een hele klus om te achterhalen wat het betekent. Maar één ding staat vast: we moeten ons zorgen maken.

Literaire teksten analyseren werd voortaan: naspeuren wie er toegang hebben tot de letteren en wie niet. Meer in het algemeen: wie er macht uitoefent en wie er onderdrukt wordt. Deze benadering maakte van de literatuurwetenschap een bloedeloos gebeuren, voor zover het dat niet al was. Literatuurwetenschappelijk onderzoek werd een invuloefening. Een kwestie van de juiste stappen volgen.

Gemeengoed

Allicht kom je in De avonden (1947) geen allochtonen tegen. Net zoals Multatuli geen vrouwelijke hoofdpersonages opvoert in zijn Max Havelaar (1860), of het moet Adinda zijn. Alleen: hoe erg is dat?

Stap 1: de student die zich aan zijn scriptie zet, neemt een tekst. Of liever nog een film, want we leven tenslotte in een beeldcultuur. Dat leert een blik op de database met UvA-scripties. Je vindt er analyses van: de zombietelevisieserie The Walking Dead, gender in de televisiejournalistiek, de verbeelding van de vrouw in de roadmovie.

Stap 2: ga na hoeveel vrouwen/gekleurde personages/homoseksuelen of andersoortige minderheden erin voorkomen. Dat aantal, het laat zich raden, valt steevast tegen. Of kijk hoe deze groepen worden geportretteerd. Antwoord: fout natuurlijk. Wat weinig verrassend is, aangezien de exercitie immers begon met het vermoeden een schrijnend onrecht aan te treffen.

Stap 3: laat zich samenvatten in één woord. Hebbes! De literatuurwetenschapper heeft de auteur (of televisie- of filmmaker) gesnapt en ontmaskerd. Zijn telarbeid bewijst de dominantie van de gevestigde orde. Dit is doorgaans een ander woord voor onderdrukker. De grens tussen wetenschappelijk onderzoek en activisme is soms flinterdun. Daarvan kon Reve de literatuurwetenschap destijds niet beschuldigen.

De uitkomsten van veel literatuurwetenschappelijk onderzoek laten zich zelden betwisten. Allicht kom je in De avonden (1947) geen allochtonen tegen. Net zoals Multatuli geen vrouwelijke hoofdpersonages opvoert in zijn Max Havelaar (1860), of het moet Adinda zijn. Alleen: hoe erg is dat?
    
Veel teksten gaan al eeuwen mee, sommige millennia. Ze weten - en nu klink ik als iemand van de afdeling leesbevordering - steeds weer nieuwe generaties lezers aan te spreken. Kennelijk snijden ze universele thema's aan. Laat die aan bod komen in het klaslokaal, zonde om literatuur terug te brengen tot rekensommetjes en vervolgens de schuldigverklaring uit te spreken. Literatuur is geen rechtvaardigheidsvraagstuk.

Het is overigens onwaarschijnlijk dat het tij keert. De denktrant van de literatuurwetenschap is gemeengoed geworden, sla er de opiniepagina's maar op na. Daarop gaat het vrijwel dagelijks over organisaties die een afspiegeling moeten zijn van de samenleving en quota om die te realiseren. Van het Reve schreef het al: 'ik denk niet dat de gretigheid waarmee de literatuurwetenschappers zich aan nieuwe modes vastklampen in de komende halve eeuw zal afnemen.' Hij heeft gelijk gekregen.

Sebastien Valkenberg (1978) studeerde filosofie in Amsterdam en Leuven. Hij schreef de boeken Het laboratorium in je hoofd (2006), Geluksvogels (2010) en Op denkles (2015).