Neurowetenschap heeft slechts de schijn van vooruitgang
© ANP

Neurowetenschap heeft slechts de schijn van vooruitgang

Berust de 'vooruitgang' in de neurowetenschappen wel op gedegen wetenschappelijk onderzoek?

De afgelopen decennia heeft neurowetenschappelijk onderzoek steeds meer grip gekregen op de publieke opinie en maatschappelijke besluitvorming. Is dat terecht? Volgens sommige wetenschappers wordt de invloed van neurowetenschappelijk onderzoek deels bepaald door factoren die helemaal niets met de kwaliteit van het onderzoek zelf te maken hebben. Zo stellen McCabe & Castel (2008) dat mensen meer onder de indruk zijn van de wetenschappelijke bewijsvoering van een studie wanneer deze wordt vergezeld van een of meerdere hersenscans. Wat maakt nu precies dat een hersenscan zoveel overtuigingskracht heeft?

Veel mensen lijken er van uit te gaan dat een hersenscan vergelijkbaar is met een foto, in die zin dat het een directe representatie is van de werkelijkheid. Zoals een foto van een boom een afbeelding is van een echte boom, zo zien zij een hersenscan als een afbeelding van wat er 'echt' gebeurt in de hersenen. Deze vergelijking gaat echter mank.

Belangrijk verschil

Er zijn een groot aantal interpretatiemomenten en methodologische stappen nodig om op basis van een hersenscan tot een conclusie te komen

Een belangrijk verschil tussen een foto en een hersenscan is dat er een veel bredere kloof bestaat tussen een hersenscan en dat wat het moet aantonen. Er zijn een groot aantal interpretatiemomenten en methodologische stappen nodig om op basis van een hersenscan tot een conclusie te komen. Van een foto kun je zeggen dat deze niet overeenkomt met de werkelijkheid, en dus is mislukt. Bij een hersenscan ligt dat een stuk ingewikkelder. In dat geval kun je niet afgaan op wat je ziet met het blote oog, maar moet je vertrouwen op bepaalde theorieën over hoe het brein werkt en wat de activatie van een bepaald hersengebied precies betekent.

Dit wil niet zeggen dat we helemaal geen hulpmiddelen hebben om de uitkomsten van neurowetenschappelijk onderzoek te controleren en dus volledig in het duister tasten. Wanneer er hersenactiviteit wordt gemeten bij een dode Atlantische zalm die 'meedoet' aan een fMRI- experiment waarbij het emotionele perspectief van een andere persoon dient te worden ingenomen, snappen de meeste mensen gelukkig dat er iets ernstig mis moet zijn met de data-analyse (zie voor dit hilarische experiment).

'Power'

Dit alles leidt tot een enorme verspilling van tijd en geld. Niet alleen in de neurowetenschappen, maar ook in de biomedische wetenschap in het algemeen

Een belangrijke maatstaf voor de kwaliteit van neurowetenschappelijk onderzoek schuilt in de statistische onderbouwing. Helaas laten veel studies juist op dit vlak nogal wat steken vallen. Onderzoek wijst uit dat de meeste neurowetenschappelijke studies veel te weinig 'power' hebben. De power van een studie is het vermogen een bepaald effect te ontdekken, bijvoorbeeld dat roken een verhoogd risico geeft op kanker. Volgens een recent artikel in Nature Reviews Neuro-science had de doorsneeneurowetenschappelijke studie in 2011 een power van 18 procent. Dus van de honderd studies waarin een bepaald effect wordt gerapporteerd, mogen we van slechts achttien studies verwachten dat het gerapporteerde effect ook daadwerkelijk bestaat. De overige 82 studies maken melding van een effect dat waarschijnlijk helemaal niet echt bestaat (een 'false positive').

Dit alles leidt tot een enorme verspilling van tijd en geld. Niet alleen in de neurowetenschappen, maar ook in de biomedische wetenschap in het algemeen. Bovendien roept het allerlei ethische vragen op, bijvoorbeeld over het gebruik van proefdieren in wetenschappelijk studies. Doordat deze studies vaak een te lage power hebben en de kans dat ze een daadwerkelijk effect aantonen minimaal is, worden veel proefdieren helemaal voor niets opgeofferd.

Toegenomen prestatiedruk

Het wordt hoog tijd eens grondig uit te zoeken in hoeverre deze vooruitgang nu op gedegen wetenschappelijk onderzoek berust

Statistisch gezien kan het power-probleem vrij gemakkelijk worden opgelost, bijvoorbeeld door de onderzoekspopulatie te vergroten. Het probleem wordt echter in stand gehouden en versterkt door allerlei vormen van vooringenomenheid ('bias') die veel moeilijker zijn aan te pakken: toegenomen publicatiedruk, het niet publiceren van negatieve resultaten, selectieve data-analyse, belangenverstrengeling, et cetera. En dit alles hangt weer samen met de sterk toegenomen prestatiedruk in de academische wereld.

De laatste decennia is veel geschreven over de enorme vooruitgang in de neurowetenschappen. Het wordt hoog tijd eens grondig uit te zoeken in hoeverre deze vooruitgang nu op gedegen wetenschappelijk onderzoek berust. Niet voor niets luidt het eerste principe van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening: 'Wetenschappelijke activiteiten geschieden met zorgvuldigheid. Toenemende prestatiedruk mag daaraan geen afbreuk doen.'