©

Martin Sommer: het referendum is nodig om de tirannie van de kleine meerderheden te bestrijden

Ineens kan ik me voorstellen hoe het voelt om D66'er te zijn. Dat voelt zo. Een tijdje terug besloot ook ik om de kroonjuwelen van het referendum naar het schuurtje te doen. Dat was na de Brexit en vooral de Catalaanse onafhankelijkheidsstem. Een kleine meerderheid mag toch niet een heel volk gijzelen, was de overweging. Kleine meerderheden, opgeklopte tegenstellingen, onoverzienbare gevolgen. Dan maar geen referendum.

Ik kreeg applaus van verstandiger mensen, maar het bleef knagen. En nu het kabinet zo voortvarend af wil van het referendum, weet ik zeker: afschaffen is een slecht idee.  CDA-leider Buma noemt het referendum in het kielzog van Tocqueville een vorm van de tirannie van de meerderheid. Het vertegenwoordigende stelsel zou er juist zijn om minderheden te beschermen. Veel bekommernis voor gepasseerde minderheden zie ik bij dit kabinet niet, ook niet als het gaat om verstrekkende besluiten als het CO2-vrij maken van het hele land, waarbij met grote nonchalance over de kosten wordt gepraat.  Over onoverzienbare gevolgen gesproken.

In het huidige regime van smalle meerderheden, worden dissidente geluiden niet aangemoedigd maar  gesmoord. Partijen zijn stemmachines geworden, partijvleugels met eigenwijze opvattingen bestaan niet meer, wetenschappelijke bureaus leven een marginaal bestaan. Omdat het midden zo smal is geworden, is een drukkende beleidsconsensus ontstaan. In die omstandigheid is het referendum onmisbaar.

De brute manier waarop de volksraadpleging nu om  hals wordt gebracht, bevestigt de armoedige toestand. Vorige week bezochten politicologen, bestuurskundigen en staatsrechtgeleerden de Eerste Kamer, die nog moet beslissen. Zij kenden weinig genade met het wetgevende trapezewerk van Rutte III, en vooral niet met het voornemen dat de intrekkingswet zélf geen onderwerp meer mag zijn van een referendum. Onhoffelijk was de vriendelijkste beoordeling. Flauw, angstig, onfatsoenlijk waren andere.

Wij hebben het referendum nodig, juist om de tirannie van de kleine meerderheden te bestrijden. Een goed voorbeeld is de donorwet van Pia Dijkstra (D66). GeenStijl startte deze week een handtekeningenactie voor een volksraadpleging en bleek ineens bevriend met de orthodox-gereformeerden van de SGP. Daar zijn ze mordicus tegen het referendum  als uitingsvorm van de verfoeide volkssoevereiniteit, maar nog mordicusser tegen de donorwet. Met merkbaar genoegen herinnerde de partij eraan dat de wet van Pia Dijkstra met de kleinst mogelijke meerderheid is aangenomen, en dan alleen maar doordat een tegenstander-Kamerlid de verkeerde trein had genomen. Ook om die reden is de donorwet een ideaal onderwerp om voor te leggen aan de volksstem.

GeenStijl gaat die 300 duizend handtekeningen op zijn sloffen halen. Op de site Geenpeil.nl bezweren de initiatiefnemers vroom dat het ze niet te doen is om hun specialiteit, namelijk Pechtold pesten. Maar D66 is niet voor niets de kop van Jut geworden. De donorwet is het symbool geworden van een liberale partij die meent dat het met de zelfbeschikking van de burger wel een tandje minder kan. De overheid mag zich immers ongevraagd over je organen ontfermen, tenzij jijzelf anders beslist.

Het mantra waarmee D66-minister Ollongren de afschaffing beargumenteerde, was steeds 'dat het referendum niet had gebracht wat ervan was verwacht'. Maar kijk, als een donderslag bij heldere hemel blijkt het referendum wel degelijk zijn werk te doen. Na de afwijzing van de sleepwet op 21 maart heeft het kabinet gisteren tot aanpassingen besloten. Zonder twijfel gebeurde dat door toedoen van van D66, dat de geschiedenis in dreigt te gaan als de partij die haar eigen principes ontrouw werd, terwijl straks mogelijk ook nog de donorwet wordt afgeschoten. Pechtold liep de laatste dagen als een oorwurm door het Kamergebouw. Of de aanpassingen van de sleepwet de partij aan een positievere pers helpen, betwijfel ik. Eerst zeggen dat het referendum niet werkt, waarna het door druk vanuit de buitenwereld wel blijkt te werken, en er dan alsnog vanaf willen, dat draagt niet bij aan je eer en goede naam.

Het kabinet wilde het referendum snel opruimen om zonder hinderlijke vertraging grote besluiten te nemen. Je wilt toch lange termijnbeleid kunnen voeren, zeggen ze in de coalitie. Bijvoorbeeld op energiegebied is het steeds een enorm gezwabber geweest en dat wordt er met referenda niet beter op. Wel, wat mij betreft begint de lange termijn bij de korte. Afspraken zijn er om je aan te houden. In de wet staat dat het raadplegend referendum na drie jaar geëvalueerd zou worden. Nog voordat het zover is wordt er een eind aan gemaakt, volgens een van de experts vorige week in de senaat 'om politieke tegenstanders de pas af te snijden'.

En dan is er nog de staatscommissie van Johan Remkes. Die is door de Eerste Kamer ingesteld om het reilen en zeilen van het democratische bestel te onderzoeken, inclusief referendum. Aangezien het ook de Eerste Kamer is die nu over de intrekkingswet moet besluiten, zou het wel zeer onhoffelijk zijn om niet eerst te wachten op het rapport van Remkes. Daarbij zal, als ik mij niet sterk vergis, ook een aanmoediging zijn om werk te maken van het referendum.

Eerste Kamer, doe uw plicht en stel de beslissing uit tot het verschijnen van Remkes.