Twitter en Facebook moeten geen anonieme gebruikers meer toelaten, vindt Martin Sommer.
Twitter en Facebook moeten geen anonieme gebruikers meer toelaten, vindt Martin Sommer. © EPA

Martin Sommer: Maskers af op Twitter en Facebook - het schelden en trollen zal dan na een week zijn afgelopen

Opinie

Gebruikers van sociale media moeten zich bekendmaken.

Sinds de jaarwisseling is zowel Duitsland als Frankrijk een offensief begonnen. Tegen de trollen op internet, het nepnieuws, de beledigingen, de haatmail, de bedreigingen. Duitsland deed het op z'n Duits, overeenkomstig de protestante zelfdwang. De Twitters en Googles moeten zichzelf, dat wil zeggen hun eigen content, in het gareel houden. In Frankrijk gaat het op z'n Frans, van bovenaf dus, zo liet president Macron deze week weten aan de pers. In verkiezingstijd is het afgelopen met de internetvrijheid en kan de rechter content verbieden, sites blokkeren en accounts sluiten.

Wie vooraf fatsoeneert, vermoordt het vrije woord

In Nederland zijn we minder ver. Er wordt veel gepraat over Russische trollen en nepnieuwsaanvallen maar de praktijk gaat vooral over pesten, schelden en bedreigen en dan met name op Twitter. Minister Ollongren (Binnenlandse Zaken) heeft gesprekken gevoerd met Twitter en Facebook. Die zeggen het probleem te zien en bereid te zijn. Tot wat precies weten we nog niet. Er is allerlei onderzoek, van de Autoriteit Consument en Markt ACM, van het CPB en de Universiteit Leiden. Betrokkenen zeggen dat het ingewikkeld is. Enerzijds is er de meningenvrijheid, aan de andere kant het recht op privacy, en ook moet er wat gebeuren aan de bedreigingen en het trolmatige gevaar voor de democratie.

Is het zo ingewikkeld? De Duitsers schoten al een paar keer in eigen voet. Een tweet van de Duitse minister Maas van Justitie bleek door Twitter verwijderd, omdat hij de omstreden denker Sarrazin (van Deutschland schafft sich ab) een 'idioot' had genoemd. Een satirische site was compleet geblokkeerd. De theorie is het redden van de democratie van de Russen, de praktijk het tegenhouden van onwelgevallige uitingen. Van internet heb ik niet zoveel kaas gegeten maar deze gang van zaken lijkt me nogal ouderwets.

Ruim 175 jaar geleden schreef de Franse filosoof Tocqueville gedenkwaardige bladzijden over persvrijheid. Hij bezocht Amerika en schrok van de harde taal in de kranten. Om die reden was hij geen onverdeeld fan van persvrijheid. Maar hij zag ook in dat de soevereiniteit van het volk, dat geacht wordt zichzelf te regeren, lastig samengaat met censuur van bovenaf. Stel je voor, schreef hij, dat u te maken krijgt met nare, weerzinwekkende aantijgingen. U stapt naar de rechter. Maar doordat het een openbare zaak wordt, krijgt de berichtgeving die u wilde tegenhouden, alleen maar extra aandacht. U gaat in beroep. Wat eerst gesmoesd werd en beroddeld, wordt nu van de daken geschreeuwd. Toch wint u uw zaak en men moet zijn mond houden. Gefeliciteerd. Maar dan blijkt het kind met het badwater weggegooid. Want de gedachte is niet weg, en wat begonnen was als levend onderdeel van de democratie, eindigt met een despoot die bepaalt wat gezegd mag worden.

De remedie tegen schelden is niet een verbod, wist Tocqueville al. Wat in zijn tijd opging, geldt a fortiori voor internet. Wie achteraf maatregelen neemt, is te laat. Vandaar dat de Duitsers het in preventie zochten. Maar wie vooraf fatsoeneert, vermoordt het vrije woord. Twitter verwijderde een uitspraak van de Duitse minister. Niet uit juridische overwegingen, maar voor de zekerheid, omdat ze een forse boete boven het hoofd hing. Ook dat is weinig bevorderlijk voor de meningenvrijheid.

De remedie tegen schelden is niet een verbod, wist Tocqueville al. Wat in zijn tijd opging, geldt a fortiori voor internet

In Nederland zijn we geen Fransen en geen Duitsers, verzekert econoom Marcel Canoy me over de telefoon. Hij doet voor de Autoriteit Consument en Markt onderzoek. Toch vindt hij de toestand ook in Nederland ernstig. Niet zozeer wat betreft die Russische trollen. Wel wat betreft schelden, haatmail en bedreigingen, vooral op Twitter. Hij geeft het voorbeeld van een journaliste die deze week van Twitter werd gepest. Als je naar de politie loopt kunnen ze niks doen, zegt Canoy, of ze halen hun schouders op, en in elk geval is het te laat. Zijn voorbeelden overtuigen qua ranzigheid. In een artikel op socialevraagstukken.nl roept hij Twitter op er zelf wat aan te doen.

Maar de vraag blijft dezelfde als die van 175 jaar geleden: wie bepaalt wat kwetsen of pesten is, en wat wij vervolgens wel en niet onder ogen krijgen. Vroeger werd Sonja Barend door Jan Blokker in de krant een gratekut (nog zonder tussen-n) genoemd. Dat werd grappig gevonden. Nu twitteren de Rooie Vrouwen van de PvdA dat Trouw een column van Sylvain Ephimenco had moeten tegenhouden waarin hij schreef dat de vrouwen bij de uitreiking van de Golden Globes te bloot gekleed gingen. Niet alleen is men snel gepikeerd, er wordt bovendien meteen persbreidel geëist.

Wie bepaalt wat kwetsen of pesten is, en wat wij vervolgens wel en niet onder ogen krijgen?

Persvrijheid en fatsoen gaan alleen samen als wijzelf bepalen wat fatsoen is, en niet de overheid. Gebruikers van sociale media moeten zelf met de billen bloot en zich bekendmaken. Dat heet reputatie-management. Twitter of Facebook aanspreken op hun goede naam helpt niet. Ze zijn wel gevoelig voor hun reputatie, maar hebben meer belang bij relletjes op het net. Die geven traffic en dus advertenties. Gebruikers van sociale media zullen dus zelf hun anonimiteit moeten prijsgeven - anders gezegd schade ondervinden als ze zich misdragen.

Wat Facebook en Twitter dus moeten doen, is alleen gebruikers toelaten die zich laten kennen. Ik hoor al een geloei van verontwaardiging opgaan over het beknotten van vrijheid. Ik zou niet weten waarom. Als gebruikers bekend zijn, is het gescheld en het getrol in een week afgelopen. Precies zoals het bij die goeie, ouwe krant al tweehonderd jaar gaat: 'naam en adres zijn bij de redactie bekend'.

Martin Sommer is politiek commentator van de Volkskrant.