De Eerste Kamer
De Eerste Kamer © ANP

Maak Eerste Kamer niet zwakker maar sterker

Dankzij de consensuscultuur heeft het kabinet, ondanks de minderheid in de senaat, volop geregeerd.

Nu het kabinet twee jaar ervaring heeft met een minderheid in de senaat, kunnen we nagaan of Nederland inderdaad onbestuurbaar is geworden. Het tegendeel lijkt het geval.

Nu het kabinet-Rutte II twee jaar geregeerd heeft zonder meerderheid in de Eerste Kamer, wil de regering een staatscommissie instellen om de rol van de senaat te heroverwegen. Daarmee lijkt het kabinet tegemoet te komen aan de roep de Eerste Kamer te marginaliseren, terwijl de les van de laatste twee jaar is, dat de rol van de senaat juist versterkt moet worden.

In april 2013, een half jaar na het aantreden van het kabinet, waarschuwde VVD-fractieleider Halbe Zijlstra voor een 'onbestuurbare situatie': de senaat moest het politieke primaat aan de Tweede Kamer laten en niet dreigen op politieke gronden wetgeving te blokkeren. Bij de Algemene Beschouwingen in de senaat zei premier Rutte een staatscommissie toe die moest nadenken over het tweekamerstelsel.

Nu het kabinet twee jaar ervaring heeft met een minderheid in de senaat, kunnen we nagaan of Nederland inderdaad onbestuurbaar is geworden. Het tegendeel lijkt het geval. Er zijn veel grote hervormingen door het parlement geloodst: in de zorg, de sociale zekerheid en de woningmarkt. Over veel hervormingen sloot het kabinet een akkoord met de constructieve drie: ChristenUnie, SGP en D66. Het kabinet heeft zelfs zoveel wetgeving gerealiseerd, dat sommigen menen dat het is uitgeregeerd.

Vergelijk dat eens met de situatie in de Verenigde Staten: de Democratische president steunde op een Democratische Senaatsmeerderheid, maar kon niet rekenen op het Republikein-se Huis van Afgevaardigden. Hier ontstond wel een onbestuurbare situatie. De wetgevingsactiviteit van het Congres daalde tot het absolute minimum omdat wat voor het Republikeinse Huis acceptabel was, onaanvaardbaar was voor de Democratische Senaat.

Waarom is in Nederland niet hetzelfde gebeurd als in de VS, terwijl de institutionele uitgangspositie vergelijkbaar is? Het cruciale verschil is dat Nederland een consensusdemocratie is. Wetgeving kan hier altijd rekenen op grote meerderheden. Sinds 1994, stemmen gemiddeld 127 van de 150 Kamerleden voor wetten. Bovendien telt in de Kamer expertise en niet alleen partijkleur: de Kamerleden van de SGP, al bijna 100 jaar in de oppositie, worden gewaardeerd als 'staat-kundig geweten' van de Kamer. De akkoorden van de afgelopen twee jaar zijn weliswaar een opmerkelijke politieke vernieuwing, maar staan in een traditie van de consensusdemocratie: vertegenwoordigers van coalitie en oppositie die met elkaar zoeken naar een grote meerderheid voor beleid.

Een politieke cultuur die samenwerking waardeert en politieke partijen die tot samenwerking bereid zijn, blijken een cruciaal verschil te maken als de grondwet vetomacht geeft aan beide Kamers van het parlement.

In de VS zijn er vergelijkbare instituties als in Nederland: twee Kamers met een absoluut veto over wetgeving. Maar er is ook een belangrijk verschil: in de VS zijn gematigde politici vanuit het midden, conservatieve Democraten en progressieve Republikeinen, in de afgelopen 25 jaar praktisch uitgestorven. Deze politici die zochten naar een compromis als er in het Huis en de Senaat verschillende meerderheden waren, zijn vervangen door ideologische scherpslijpers.

Een politieke cultuur die samenwerking waardeert en politieke partijen die tot samenwerking bereid zijn, blijken een cruciaal verschil te maken als de grondwet vetomacht geeft aan beide Kamers van het parlement. Zo'n politieke cultuur houdt niet alleen een land bestuurbaar. Regeringen in consensusdemocratieën zijn niet in staat beleid met harde hand en kleine meerderheid door te drukken. Omdat een brede meerderheid nodig is, worden de scherpe randjes van het beleid afgeschaafd en wordt het inhoudelijk herwogen. Precies wat we de afgelopen twee jaar in Nederland hebben gezien. Dat leidt dus niet tot de onbestuurbaarheid waarvoor Zijlstra waarschuwde maar tot bredere steun voor beleid.

Als we vanuit dit perspectief naar de opdracht van de komende staatscommissie kijken, zouden we niet de macht van de Eerste Kamer moeten verzwakken. Als de Eerste Kamer haar veto verliest, verliest zij ook haar vermogen ervoor te zorgen dat beleid een brede meerderheid nodig heeft. Dan staat haar waardevolle rol in de consensusdemocratie op het spel.

De staatscommissie zou moeten nagaan hoe de rol van de senaat versterkt kan worden. We moeten er niet voor terugschrikken dat in de Eerste Kamer een andere politieke meerderheid bestaat dan in de Tweede Kamer, maar er juist voor zorgen dat dit vaker gebeurt. Dit kunnen we bereiken door iedere twee jaar een deel van de Eerste Kamer te laten verkiezen. Dat vlakt de electorale volatiliteit van de laatste jaren af. Een directe verkiezing van senatoren kan bijdragen aan de legitimiteit van de Eerste Kamer in deze rol. Dat opent ook de mogelijkheid de senaat met een ander kiesstelsel te laten verkiezen dan de Tweede Kamer, zoals een districtenstelsel.