Karel van het Reve (hier in 1985) was onder andere hoogleraar Slavische letterkunde aan de Universiteit van Leiden.
Karel van het Reve (hier in 1985) was onder andere hoogleraar Slavische letterkunde aan de Universiteit van Leiden. © Materialscientist / CC BY-SA 3.0 NL

Letterkunde probeert te veel een 'echte' wetenschap te zijn

Hoogleraar Maarten Steenmeijer en postdoc onderzoeker Marieke Winkler reageren op het opiniestuk van filosoof Sebastien Valkenberg, die stelde dat het onleesbaarheid troef is in de literatuurwetenschappen.

Een jaar of wat geleden vroeg ik aan een bekende Spaanse schrijfster wat ze vond van de wetenschappelijke studies over haar werk. Het antwoord loog er niet om. Het overgrote deel, zo antwoordde ze, was klinkklare onzin, slechts een miniem deel sneed hout.

Schrijvers hebben niet het laatste woord over hun werk, maar dit ontluisterende oordeel geeft wel te denken. Wat voor kennis levert de literatuurwetenschap op? In 'Speuren naar macht en onderdrukking in de tekst' geeft Sebastien Valkenberg een treurig stemmend antwoord op deze vraag. Zo'n halve eeuw geleden was de literatuurwetenschap naarstig op zoek naar de teksteigenschappen die literatuur tot literatuur maakten. De laatste decennia worden teksten onderzocht vanuit de vraag 'wie er macht uitoefent en wie er onderdrukt'.

De literatuurwetenschap doet veel meer dan Valkenberg schetst, maar de richtingen en stromingen die zich met tekstinterpretatie bezighouden hebben inderdaad de neiging de literatuur te benaderen vanuit een tunnelvisie, die wordt bepaald door het thematische of theoretische discours dat in de mode is (deconstructivisme, gender studies, postcolonial studies, subaltern studies, posttheory, enzovoort). In plaats van iets bloot te leggen van de complexiteit en meerduidigheid van literaire teksten, reduceren deze zogenaamde paradigma's de literatuur tot leverancier van eendimensionale knechtteksten, die vaak alleen maar bewijzen wat de theorie van dienst beweert.

Waarom doet de literatuurwetenschap zo weinig recht aan haar object van onderzoek? Omdat ze iets wil zijn wat ze niet is: 'echte' wetenschap. Het motief is duidelijk: als je geen 'echte' wetenschap bedrijft, tel je niet mee binnen de academie en kun je, om maar wat te noemen, fluiten naar onderzoekssubsidies en kom je de wetenschappelijke tijdschriften niet binnen. Dat verklaart waarom literatuurwetenschappers (en ook cultuurwetenschappers) zich verplicht voelen om hun toevlucht te nemen tot de (bepaald niet in helderheid uitblinkende) teksten van denkers als de nog altijd populaire Michel Foucault en waarom ze de ideeën van deze denkers verabsoluteren tot wetenschappelijke waarheden en theorieën.

De literatuurwetenschap heeft zich vervreemd van de literatuur en, in het verlengde daarvan, van de samenleving. In plaats van krampachtig proberen mee te doen met de grote jongens en meisjes van de 'echte' wetenschap zou zij uit moeten komen voor haar ware aard en de literatuur moeten onderzoeken vanuit de brede, kritische, persoonlijke en heldere blik van de essayist. Diens bevindingen zijn altijd voorlopig, maar binnen die voorlopigheid zijn ze in elk geval wel waar.

Maarten Steenmeijer is hoogleraar Spaanse Taal en Cultuur, Radboud Universiteit Nijmegen.

Marieke Winkler: 'Valkenburg moet de Huizinga-lezing kritisch lezen'

Volgens filosoof Sebastien Valkenberg heeft de Huizinga-lezing van Karel van het Reve nog niets aan urgentie ingeboet. Na enkele titels van artikelen en werkstukken te hebben opgezocht in de UvA-database concludeert hij dat het nog steeds 'onleesbaarheid troef' is in de huidige literatuurwetenschap.  

Valkenberg toont zich een ware Karel-adept, ook Van het Reve ging er prat op dat hij geen literatuurwetenschappelijke studie ooit uitlas. En net als Van het Reve verwacht Valkenberg van literatuurwetenschappers dat zij 'toegankelijke' teksten produceren en schrijven in de taal van 'het medium dat zij bestuderen'.  

Hier wordt wetenschappelijk onderzoek met literatuur verward, om vervolgens die wetenschap te beoordelen volgens literaire criteria (leesbaarheid). Daar is weinig tegenin te brengen, zoals Gerard van het Reve al schreef in zijn Brieven aan geschoolde arbeiders (1985): 'De argumenten van mijn broer zijn nauwelijks te wederleggen, omdat geen sprake is van een eerlijk betoog: het is niets anders dan de vulgairste demagogie'.  

Misschien moet Valkenburg de Huizinga-lezing eens goed lezen en zich kritisch afvragen, zoals het een filosoof past, hoe navolgenswaardig Van het Reve's manier van argumenteren is? Dat lijkt mij een veel belangrijker onderneming, dan het bekritiseren van de - volgens Valkenburg weinig universele - thema's lichamelijkheid, traumaverwerking en politieke disciplinering die de contemporaine literatuurwetenschap behandelt.  

Marieke Winkler, postdoc cultuurwetenschappen Open Universiteit.