Het postmodernistisch discours vervalt vaak in obscurantisme
©

Het postmodernistisch discours vervalt vaak in obscurantisme

Postmodernistische literatuurwetenschappers vervallen vaak in onbegrijpelijk obscurantisme, betoogt Rosa van Gool.

Goed nieuws voor alfawetenschappers, zoals ikzelf: er wordt in de krant stevig gedebatteerd over literatuurwetenschap. Dat is op zichzelf al een vorm van erkenning voor een wetenschapstak die vaak voor zijn bestaansrecht moet vechten, maar de kritiek op cultuur- en literatuurwetenschappers was niet van de lucht. Sebastien Valkenberg diepte uit Het raadsel der onleesbaarheid (1978) van Karel van het Reve de vraag op: 'Waarom produceren literatuurwetenschappers toch zulk taai proza?' Maar Valkenbergs parafrase raakt slechts zijdelings aan het werkelijke onderwerp van Het raadsel der onleesbaarheid. De hoogleraar slavistiek vraagt zich vooral af: 'Wat moet ik de kinderen vertellen over literatuur?'

Theoretische hoogdravendheid

Van het Reve ageerde tegen het indertijd modieuze structuralisme, waarin men bijvoorbeeld klinkerpatronen analyseerde. Hij laat aan de hand van voorbeelden zien dat structuuranalyse te descriptief en daardoor overbodig is: het vertelt ons niets dat niet duidelijk wordt uit het literaire werk zelf. Oké, dat is inderdaad het klinkerpatroon: so what? Maar wat moet ik de kinderen dan wél vertellen over literatuur? Van het Reve blijft ons het antwoord schuldig.

Valkenberg richt zich anno 2017 niet tegen de structuralisten, maar past Van het Reves aanklacht toe op de postmodernistische obsessie met machtspraktijken in literatuur, bestudeerd door disciplines als subaltern, gender en postcolonial studies. In een reactie op Valkenberg erkent ook hoogleraar Spaans Maarten Steenmeijer dat 'deze zogenaamde paradigma's de literatuur [reduceren] tot leverancier van eendimensionale knechtteksten, die vaak alleen maar bewijzen wat de theorie van dienst beweert'. Dat heeft niet zoveel te maken met de inhoud van het gekozen paradigma - structuralisme of postmodernisme - maar des te meer met de diepgewortelde wens van de literatuurwetenschapper om 'wetenschappelijker' te worden, betoogt Steenmeijer. De alfa's willen zich meten met de bèta's en nemen hun toevlucht tot theoretische hoogdravendheid. Deze hypothese acht ik, na zeven jaar op Nederlandse en buitenlandse letterenfaculteiten te hebben rondgelopen, plausibel. Ook de opzettelijke onzinartikelen, die per ongeluk in vooraanstaande postmodernistische tijdschriften gepubliceerd werden, zoals de Sokal-affaire of het recente artikel The conceptual penis as a social construct, wijzen in die richting. De postmoderne keizer heeft geen kleren aan.

Activistisch, ideologisch, bezield

Waar bevinden zich op deze schaal de postmodernistische literatuurwetenschappen?

Maar - net als Van het Reve - houd ik van boeken en is mijn vraag nog altijd onbeantwoord: wat moet ik de kinderen vertellen over literatuur? Het raadsel der onleesbaarheid geeft geen antwoord, maar wel enige richting; literatuurwetenschap zou moeten gaan over het verschil tussen goede en slechte literatuur. Dat is voor veel beoefenaars een schrikbeeld, want waardeoordelen zijn per definitie subjectief en behoren dus niet tot het terrein van literatuurwetenschap maar van literatuurkritiek, zoals collega-professor H.A. Gomperts in een reactie opmerkte. Dat is een mooi semantisch onderscheid, maar verandert alleen de formulering van de vraag: moet ik de kinderen een wetenschappelijke analyse geven, of een literatuur-kritische? Gomperts kiest een middenweg: literatuurkritiek zonder nauwkeurige bestudering van de tekst is zinloos, tegelijkertijd is ook hij ervan doordrongen dat structuralistische analyse niet volstaat omdat zij onbezield en droog is.

Waar bevinden zich op deze schaal de postmodernistische literatuurwetenschappen? Hoewel zij juist activistisch, ideologisch en dus zeker bezield zijn, vervalt ook het postmodernistisch discours vaak in obscurantisme; een taal die zelfs ingewijden niet meer begrijpen, zoals de nepartikelen aantonen.

Doorgeslagen balans

De spannendste dingen gebeuren buiten de universiteit

De balans tussen Gomperts' 'literatuurwetenschap' en 'literatuurkritiek' is zo ver doorgeslagen naar de 'wetenschappelijke' kant dat men zich in bochten moet wringen om output te produceren. Structuren worden op de teksten geperst, in een poging daar nieuwe 'wetenschappelijke' betekenis uit te peuren. Tegelijkertijd is de literatuurkritiek verbannen naar de achterpagina's van kranten en tijdschriften. Een uitstekend literatuurcriticus en gemiddeld wetenschapper zal nu geen hoogleraar meer worden; het vak verdwijnt uit de academie. Om met Van het Reve te spreken: 'Dames en heren, ik heb u een tafereel geschilderd van grote ellende.'

Maar wat de toekomst betreft ben ik optimistischer gestemd dan hij. Het is erg dat de literatuurkritiek, door Steenmeijer samengevat als 'de brede, kritische, persoonlijke en heldere blik van de essayist', uit de academie verjaagd wordt, maar dankzij het internet zijn er talloze andere publicatiemogelijkheden. Door hun minachting voor helderheid, toegankelijkheid en een persoonlijke invalshoek maken de cultuurwetenschappen vooral zichzelf irrelevant. Of, zoals een van mijn docenten me ooit toevertrouwde: 'De spannendste dingen gebeuren buiten de universiteit.'

Rosa van Gool is classica en schrijft voor De Gids en deFusie.