Het Stedelijk Museum.
Het Stedelijk Museum. © Hollandse Hoogte

Het gevaarlijke spel van artistieke smaak, groot geld en brute macht in de kunstwereld

Debacle is meer dan een incident

Beatrix Ruf hoort bij een kunstwereld waar de overheid heeft plaatsgemaakt voor rijke verzamelaars, betoogt hoogleraar sociologie Olav Velthuis.

Laat er geen misverstand over bestaan: de zware verdenkingen van belangenverstrengeling en haar gebrek aan transparantie rechtvaardigen het aftreden van Beatrix Ruf als directeur van het Stedelijk Museum. Maar het debacle is meer dan een incident - een misstap van een buitenlandse directeur die de Nederlandse Governance Code Cultuur niet had gelezen, of een raad van toezicht die even niet goed zat op te letten. Ruf hoort bij een kunstwereld die een ingrijpende transformatie ondergaat, enerzijds omdat zij een pleisterplaats is geworden van nieuwe rijken die zich graag met kunst afficheren, anderzijds door een overheid die zich steeds meer terugtrekt.

Toen Ruf in 2014 aantrad bij het museum, werd zij alom geprezen vanwege haar contacten in die internationale kunstwereld, zeker ook bij grote verzamelaars. Toenmalig voorzitter van de raad van toezicht Alexander Ribbink haalde haar naar eigen zeggen binnen omdat zij beschikte 'over het unieke vermogen om kunstenaars, verzamelaars, de markt en de publieke sector met elkaar te verbinden'.

De officiële aankoopbudgetten zijn al lang niet meer toereikend om mee te doen op de internationale kunstmarkt, waar puissant rijke verzamelaars miljoenen uitgeven zonder met hun ogen te knipperen

Dat vermogen is in de hedendaagse kunstwereld cruciaal. Want in die wereld spelen verfijnde artistieke smaak, groot geld en brute macht een hoogst ambigu en gevaarlijk spel met elkaar. Dubbele petten en belangenverstrengeling zijn daarbij eerder regel dan uitzondering: verzamelaars blijken vaak vooral investeerder te zijn, curatoren treden stiekem ook op als kunstadviseur, terwijl een kleine groep megagaleries zulke goede zaken doen, dat zij steeds meer op musea beginnen te lijken. Steeds meer curatoren en museumdirecteuren verruilen dan ook hun publieke rol voor een private: ze gaan tentoonstellingen maken voor een van die megagaleries of nieuwe privémusea, waar ze veel meer vrijheid en budget hebben, met een hoger salaris op de koop toe.

Tegelijkertijd geeft de overheid steeds minder thuis. Ondernemerschap is het kernwoord van het kunstbeleid. Voor musea betekent dit dat zij een groter deel van hun inkomsten uit de markt moeten halen (de subsidiestromen lopen immers terug) en mecenassen aan zich zien te binden. Zonder die mecenassen kan een kunstmuseum collectie-opbouw immers wel vergeten. De officiële aankoopbudgetten zijn al lang niet meer toereikend om mee te doen op de internationale kunstmarkt, waar puissant rijke verzamelaars miljoenen uitgeven zonder met hun ogen te knipperen.

Die dubbele beweging - een terugtrekkende overheid en een kunstwereld waar private partijen steeds meer de dienst uitmaken - maakt het lastig navigeren voor musea. De speelruimte bij het succesvol aantrekken van privaat geld zonder belangenconflicten aan te gaan, is heel beperkt, wat veel musea in binnen- en buitenland de afgelopen jaren hebben ondervonden.

Denk aan het MuseumGouda, dat 'stiekem' een topstuk van de gevierde kunstenaar Marlene Dumas voor 1,2 miljoen euro bij Christie's in Londen verkocht en op hoon kon rekenen; aan het Haags Gemeentemuseum, dat verguisd werd toen de verzamelaar Bert Kreuk zijn collectie hedendaagse 'topkunst' in het museum toonde en een deel meteen daarop verkocht (het aura van het museum had de waarde natuurlijk doen stijgen); of aan Boijmans van Beuningen dat veel kritiek oogstte met zijn plan om in het nieuwe collectiegebouw opslag- en expositieruimte te verhuren aan privéverzamelaars; ook dat riekt naar belangenverstrengeling, want de glans van het museum zal - tegen betaling - afstralen op die privécollecties.

Om nog maar niet te spreken van de Verenigde Staten, waar rijke mecenassen zich door middel van grote donaties inkopen in de toezichtsraden van musea en vervolgens graag hun invloed willen doen gelden. De musea moeten wel, want de overheid geeft niet thuis.

Het is tijd voor een fundamenteel debat: weten we wel echt zeker dat die mecenas zo zaligmakend is voor het publieke museum, en dat ook de nieuwe directeur dus goed moet zijn in het verbinden van markt, de verzamelaar en museum?

Een blik op het Amerikaanse model, dat de afgelopen jaren als voorbeeld diende, maakt duidelijk wat Nederlandse musea steeds meer ondervinden, maar de overheid nog nauwelijks lijkt in te willen zien: aan het aantrekken van privaat geld hangt een flinke prijskaart. Want mecenassen willen vrijwel zonder uitzondering iets terug voor hun donaties, al verschilt sterk wat dat dan precies is: prestige, macht, controle, invloed, of insider knowledge uit de kunstwereld.

Niet voor niets gaan donaties steeds vaker vergezeld van uitgebreide contracten die vastleggen hoe vaak en op welke manier de geschonken kunstwerken op zaal te zien moeten zijn. Dat die mecenassen van alle kanten worden benaderd om hun geld en hun dure kunst, heeft hun onderhandelingspositie de afgelopen jaren alleen maar sterker gemaakt.

Ook met een nieuwe directeur voor het Stedelijk en met een alertere raad van toezicht is het structurele probleem dus niet verholpen. Het is tijd voor een fundamenteel debat: weten we wel echt zeker dat die mecenas zo zaligmakend is voor het publieke museum, en dat ook de nieuwe directeur dus goed moet zijn in het verbinden van markt, de verzamelaar en museum? Is het antwoord ja, dan is de volgende pijnlijke zaak van belangenverstrengeling een kwestie van tijd.

Olav Velthuis is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam.