Gastcolumn: Stop de indoctrinatie van kinderen, weg met de onderwijsvrijheid
© ANP

Gastcolumn: Stop de indoctrinatie van kinderen, weg met de onderwijsvrijheid

Bijzonder onderwijs biedt kinderen minder kans nieuwe dingen te horen, tot nieuwe inzichten te komen, en een zelfdenkend individu te worden, en moet dus niet langer met publiek geld gefinancierd worden, stelt Rosa van Gool in haar gastcolumn.

Precies honderd jaar geleden kregen vrouwen in Nederland passief kiesrecht, het resultaat van een dealtje tussen liberalen en confessionelen, waarvoor ook de liberalen ideologisch moesten bloeden. Als wisselgeld kregen de confessionelen namelijk de financiële gelijkstelling van het bijzonder onderwijs. Na honderd jaar is het hoog tijd om deze ongewenste verstekeling uit de grondwet te lozen.

Verdedigers noemen de financiële gelijkstelling graag 'onderwijsvrijheid'. Die term suggereert dat het eenzelfde soort grondrecht betreft als de vrijheid van meningsuiting of godsdienst, maar dat is misleidend. Deze andere vrijheden uit de grondwet beschermen het individu namelijk tegen de macht van de overheid. De 'onderwijsvrijheid' houdt in dat bijzondere scholen evenveel publiek geld ontvangen als openbare scholen. Zonder deze financiering is iedereen dus nog net zo vrij om religieuze scholen op te richten, alleen niet meer op kosten van de overheid.

Ongeveer 60 procent van de Nederlandse basisscholen heeft een religieuze basis, ongeveer 10 procent is gestoeld op een onderwijskundig concept (Montessori, Dalton, et cetera), de rest is openbaar.

Indoctrinatie

Gelovige en ongelovige kinderen moeten met elkaar in contact kunnen komen

Bijzondere scholen zijn gemiddeld net zo divers als openbare scholen als het gaat om leerlingen met een niet-westerse achtergrond. Dat is een opsteker voor voorvechters van bijzonder onderwijs, zoals Tijs van den Brink, die jubelend concludeert dat bijzonder onderwijs helemaal geen segregatie in de hand werkt.

Van den Brink vergeet hierbij dat afkomst niet de enige maatschappelijk relevante breuklijn is. Het lijkt me bijvoorbeeld veilig om te stellen dat gelovigen in het bijzonder onderwijs oververtegenwoordigd zijn, en ongelovigen ondervertegenwoordigd. Twee groepen met een sterk verschillende opvoeding en wereldbeeld, waarvan het net zo belangrijk is dat zij met elkaar in contact treden als kinderen van verschillende afkomst.

Maar het voornaamste bezwaar, vooral tegen orthodoxe scholen, is de indoctrinatie van kinderen: leraren zwijgen de evolutietheorie dood of betogen zelfs dat evolutie 'net zo goed een geloof' is, zonder enige aandacht voor het verschil tussen wetenschappelijk en niet-wetenschappelijk bewijs.

Pragmatisch

Bijzondere scholen hebben het unieke grondwettelijke recht om te discrimineren

Deze radicale scholen zijn veelal dezelfde die gebruik maken van hun unieke grondwettelijke recht om te discrimineren. Zij mogen leerlingen weigeren 'op grond van hun identiteit', zoals een schrijnende aflevering van #BOOS liet zien. Tijs van den Brink c.s. verdedigen dit recht op discriminatie met het argument dat scholen het niet zo vaak gebruiken. Een opvallend pragmatische houding, zeker voor een groep die er anders altijd rotsvaste principes op nahoudt, en dat uitgerekend tegenover een van de weinige principiële punten van onze rechtsstaat. Alsof we een paar bedrijven uitkiezen die sollicitaties van christenen bij voorbaat af mogen wijzen: ach, ze doen het in praktijk helemaal niet zo vaak, en er zijn toch genoeg andere plekken om te werken?

Verdedigers van het bijzonder onderwijs voeren steevast aan dat openbare scholen ook niet volledig neutraal kunnen zijn. Dat is waar, maar leidt niet direct tot de conclusie dat bijzonder onderwijs net zoveel bestaansrecht heeft. Hieraan ligt een misvatting over subjectiviteit ten grondslag: dat iets niet volledig objectief is, betekent niet dat het volledig subjectief is. In het geval van onderwijs: uit de vaststelling dat een openbare school niet volledig objectief kan zijn, volgt niet automatisch dat zij net zo subjectief is als elke andere school.

Ten eerste kan onderwijs zich in meer of mindere mate richten op objectieve kennis. Op school moet er - anders dan op de universiteit - nog veel oncontroversiële basiskennis en vaardigheid opgedaan worden. Dat is al moeilijk genoeg, dus het gros van de activiteiten kan eenvoudig vrij blijven van levensbeschouwelijke kwesties. Een openbare school is ook geen atheïstische school, maar een school waar de leraren zich, zoveel mogelijk los van persoonlijke overtuigingen, richten op het overbrengen van kennis. Levensbeschouwelijke vragen laten zij over aan anderen, die daarvoor geleerd hebben.

Sociale druk om te bidden

Gelukkig kan opvoeden ook prima zonder geloof

Religie komt aan bod als historisch en maatschappelijk fenomeen, zoals ook de verschillende politieke stromingen uitgelegd worden zonder stemadvies te geven. Maar natuurlijk is school meer dan rekenen en taal alleen: onderwijs heeft een opvoedende functie. Gelukkig kan opvoeden ook prima zonder geloof, op basis van gedeelde maatschappelijke waarden als gelijkwaardigheid, empathie en rationaliteit.

Voorstanders van bijzonder onderwijs hebben, nogal beledigend voor atheïsten, wel erg weinig vertrouwen in een opvoeding zonder God - onder schooltijd. Want laten we dat niet vergeten: zoals Arjen Lubach voorrekent, gaan kinderen slechts dertig uur in de week naar school. In de resterende 138 uur kunnen ze nog steeds zoveel bijbel-, thora- of koranlessen volgen als hun ouders maar willen.

Maar laten we kinderen juist op school - een publiek gefinancierde instelling - vrijheid geven. Khadija Arib wees bijvoorbeeld terecht op een nadeel van gebedsruimten op scholen: sociale druk om te bidden. School biedt kinderen juist de kans om nieuwe dingen te horen, tot nieuwe inzichten te komen, om een zelfdenkend individu te worden. Om met Lubach te spreken: 'School is dé plek om erachter te komen dat je ouders gek zijn.'

Rosa van Gool is classica en deze maand gastcolumniste.