Gastcolumn: De huidige populisten lijken verdacht veel op de protestgeneratie uit de jaren zestig

Het spook van de populistische revolutie

Er zijn opvallende overeenkomsten tussen de '68-ers' en de huidige populisten. Maar waar de toenmalige elite wel degelijk op punten toegaf, gedragen de regenten van nu zich alsof ze recht hebben op de macht, betoogt historicus en gastcolumnist Willem Melching.

Wat zijn de overeenkomsten tussen de populistische revolutie van nu en de veelbewogen jaren zestig?

Er waart een spook door Europa. Het spook van de populistische revolutie. Een beweging met een diep wantrouwen ten aanzien van de gevestigde orde. Geen land blijft gespaard. De populisten winnen verkiezingen, de gevestigde partijen worden kleiner en de politiek wordt instabieler. Het formatie-drama dat zich momenteel in Duitsland voltrekt heeft maar één echte oorzaak: de opkomst van de populistische AfD.

Toch is het populisme niet nieuw. Wie goed kijkt naar de ideeën en acties van de populisten vallen de overeenkomsten op met de jaren zestig. Ook toen lag het establishment onder vuur. Acties en demonstraties waren aan de orde van de dag. Nieuwe partijen zoals Provo, de Boerenpartij en D'66 haalden spectaculaire electorale successen. Daarom is het interessant en leerzaam om de huidige crisis in de democratie in historisch perspectief te plaatsen. Wat zijn de overeenkomsten tussen de populistische revolutie van nu en de veelbewogen jaren zestig? Kunnen we er iets uit leren om de huidige verwarring de baas te blijven?

Pseudoparlement

Ook het wantrouwen ten aanzien van de media van populisten is allerminst nieuw

In het legendarische verkiezingsspotje van 1967 loopt Hans van Mierlo in zichzelf pratend over een Amsterdamse gracht. Zijn analyse is letterlijk hetzelfde als het "nepparlement" van Geert Wilders uit 2015. Allebei hebben ze een diep geworteld wantrouwen tegen de gevestigde orde. Ook buiten Nederland bestond diep wantrouwen tegen de gevestigde partijen. In de Bondsrepubliek kwam rond 1966 de APO op, een "buitenparlementaire oppositie". Noodzakelijk volgens de actievoerders omdat de parlementariërs geen echte oppositie voerden.

Blijkbaar gaan wantrouwen in de democratie en een voorliefde voor voettochten goed samen. Het Duitse Pegida organiseert elke maandag haar "Spaziergänge". Maar linkse actievoerders hadden al lang geleden hun Paasmarsen en de rituele ommegang van de Vietnam-demonstraties.

Ook de roep om directe democratie is een kernwaarde in beide bewegingen. Het eerste partijprogramma van D'66 maakte ruim baan voor de rechtstreekse verkiezing van de minister-president en burgemeesters, inspraak en referenda. Dat zijn nog steeds de stokpaardjes van Wilders en Baudet.

Een vast nummer in het populistische repertoire is het diepe wantrouwen ten aanzien van de media. Maar ook dat is allemaal niet zo nieuw als het lijkt. Rudi Dutschke, de charismatische voorman van de Duitse studentenbeweging klaagde al over de Bildzeitung, het Lügenblatt van zijn aartsvijand Axel Springer. De AfD doet het hem na met termen als Lügenpresse en Pinocchio-Presse. In de Verenigde Staten wordt luid geklaagd over de main stream media. Maar het kan heel wat radicaler: in juni 1966 dreigde een groep Amsterdamse demonstranten het Telegraaf-gebouw aan de Nieuwezijds Voorburgwal in brand te steken. Met de journalisten en het personeel er nog in, wel te verstaan.

Ware democraten?

Net als in 1967 staat de revolutie voor de deur, maar het verschil is dat de huidige elites machteloos toekijken hoe de populisten zich opwerpen als de ware democraten

Kunnen we hier iets uit leren? Ik denk van wel. De historicus James Kennedy schreef een klassieke studie (Nieuw Babylon in aanbouw) over de Nederlandse jaren zestig. Hij liet zien dat de elites in die jaren pragmatisch genoeg waren om een aantal eisen van de protestgeneratie serieus te nemen. Niet te veel, maar ook niet te weinig. Zo kwam er inspraak op de universiteiten en andere instellingen, vrouwen kregen toegang tot de pil en abortus en de alom aanwezige jeugdcultuur kreeg ruim baan.

Het huidige establishment zou van de pragmatische houding van hun voorgangers heel wat kunnen opsteken. Want net als de "68-ers" hebben ook de populisten een aantal serieuze punten. De multi-culturele samenleving is grotendeels mislukt, zelfs de optimist Merkel moest dat toegeven. Maar niemand in Europa zet deze kwestie op de agenda. Een tweede populistische punt is Europa. Er is onvrede over het functioneren van Europa. Groot-Brittannië is nota bene uitgetreden. Is het in zo'n situatie dan verstandig om de crisis in de Europa Unie op te willen lossen met kreten als een "ever closer union"? Dat is een legitieme vraag van de populisten, al was het maar omdat niemand weet wat deze "closer union" eigenlijk betekent.

Net als in 1967 staat de revolutie voor de deur. Maar het verschil is dat de huidige elites machteloos toekijken hoe de populisten zich opwerpen als de ware democraten. De regenten van nu gedragen zich alsof ze van nature recht hebben op de macht. Ze zijn vergeten dat ze die macht slechts tijdelijk in bruikleen hebben gekregen van de kiezers. Als ze niet snel in actie komen dan krijgen van Mierlo én Wilders alsnog gelijk. Dan blijken ze inderdaad een nepparlement te zijn en maken ze van Nederland een pseudo-democratie.

Willem Melching is als historicus verbonden aan de UvA
en deze maand gastcolumnist.

Verbetering: In een eerdere versie van dit artikel stond dat Hans van Mierlo in een verkiezingsspotje uit 1967 repte van een 'pseudoparlement'. Dit is niet juist.