Jeroen Dijsselbloem in de Tweede Kamer
Jeroen Dijsselbloem in de Tweede Kamer © ANP

Commentaar: Met vertrek haalt Dijsselbloem neus op voor volksvertegenwoordiging

Commentaar

commentaar

En dat is drie. Nog voordat de verkiezingen van 15 maart hebben geleid tot een beëdigd kabinet, druppelt de Tweede Kamer alweer leeg. VVD'er Sjoerd Potters was als eerste weg. Die liet zich in maart niet eens meer beëdigen. Daarna volgde zijn partijgenoot Pieter Duisenberg, richting de universiteitskoepel VSNU. En nu dus Jeroen Dijsselbloem, de man die ook buiten zijn eigen kring zoveel complimenten oogstte voor zijn werk als minister en als voorzitter van de Eurogroep. Onder kiezers een van de hoogst gewaardeerde ministers van Rutte II bovendien, bleek onlangs nog uit de opinie-onderzoeken rond Prinsjesdag.

Dat is ronduit slecht nieuws voor de Tweede Kamer. De gemiddelde zittingsduur van Kamerleden is al jaren gestaag dalende. Bijna een op de vijf Kamerleden vertrok in de afgelopen regeerperiode tussentijds (degenen die tot het kabinet geroepen werden niet meegerekend). Het Kamerlidmaatschap als maatschappelijke roeping wordt ondergraven door passanten die er vooral een opstap in zien naar andere banen.

Dat laatste verwijt kan Dijsselbloem moeilijk worden gemaakt. Vijftien jaar geleden maakte hij zijn entree in de Kamer. Als voorzitter van de parlementaire onderzoekscommissie naar onderwijsvernieuwingen vestigde hij zijn reputatie als kritisch, onafhankelijk politicus. Dat imago bouwde hij uit in de afgelopen vijf jaar. Niemand zal hem verwijten dat hij zijn bijdrage aan de politiek niet heeft geleverd.

Juist zijn ervaring en zijn brede dossierkennis hadden enorm kunnen bijdragen aan het kritisch vermogen, het collectief geheugen en de wetskennis in de Tweede Kamer

Maar juist daarom is het een slechte zaak dat Dijsselbloem het nu zo plotseling voor gezien houdt. Juist zijn ervaring en zijn brede dossierkennis hadden enorm kunnen bijdragen aan het kritisch vermogen, het collectief geheugen en de wetskennis in de Tweede Kamer. Juist oud-ministers, die de uitvoerende macht van binnenuit kennen, kunnen het soortelijk gewicht van de volksvertegenwoordiging aanzienlijk verhogen. Maar dan moeten ze niet hun neus ophalen voor het werk.

Dat is nu wel wat Dijsselbloem doet. Vorig jaar nog sloeg hij intern met de vuist op tafel om een zo hoog mogelijke plek op de kandidatenlijst af te dwingen. Daar had iemand met zijn status recht op, vond hij. Nu mist hij 'de vuurkracht' om zijn partij te helpen er iets van te maken in de oppositie. Dat kan, maar dat had hij dan voor de verkiezingen moeten bedenken.

Dan hadden die meer dan 50 duizend kiezers die hun voorkeurstem op hem uitbrachten een betere keuze kunnen maken.