Minister Asscher beantwoordde afgelopen 6 december vragen van Volkskrantlezers.
Minister Asscher beantwoordde afgelopen 6 december vragen van Volkskrantlezers. © Cigdem Yuksel

Asschers wet berust op drijfzand

De Wet werk en zekerheid berust op aannames die niet feitelijk zijn onderbouwd en op vooronderstellingen over gedrag die allang zijn achterhaald.

Minister Asscher beantwoordde in de Volkskrant van 6 december vragen van Volkskrant-lezers over de Wet werk en zekerheid, die op 1 januari van kracht wordt. Die antwoorden legden een aantal twijfelachtige aannames bloot over hoe de wet gaat uitpakken. Feitelijke onderbouwing ontbreekt, evenals wetenschappelijk onderzoek naar de effectiviteit en mogelijke averechtse effecten van de wet.

Neem de vraag van Mireille Gemmeke of de nieuwe wet een einde maakt aan de praktijk dat flexwerkers na het maximum aantal tijdelijke contracten - nu drie jaar, straks twee - steevast worden afgedankt en ingeruild voor nieuwe flexwerkers. Volgens Asscher wel. Bedrijven zullen eerder mensen in vaste dienst nemen omdat de ontslagvergoeding fors versoberd wordt tot maximaal 75 duizend euro of minimaal een jaarsalaris.

Maar hoe weet Asscher dat er een oorzakelijk verband is tussen de hoog- te van de ontslagvergoeding en de aantallen mensen in vaste dienst? Dat een lagere ontslagvergoeding bepaalt dat iemand sneller een vast contract krijgt, is nogal een aanname. En zo zitten er nog veel meer vooronderstellingen over menselijk gedrag in de Wet werk en zekerheid, zoals de aanname dat als het straks lastiger wordt werknemers flexcontract na flexcontract te geven, bedrijven gaan zoeken naar creatieve oplossingen om werknemers binnen de kaders van een vast dienstverband flexibele uren te laten werken. Of dat, als straks de ontslagvergoeding lager is, werkgevers heus niet zullen proberen van hun oudere werknemers met lange diensttijden af te komen, omdat er immers redelij-ke gronden moeten zijn voor ontslag.

Uit zijn antwoorden valt af te leiden dat minister Asscher de werkgever ziet als een rationele homo economicus, want hij zegt: 'Als de verschillen tussen flex en vast kleiner worden, zullen rationele werkgevers een goe-de werknemer aannemen.' Precies hier zit hem het probleem. Gedragswetenschappers voerden het model van de mens als rationeel handelende homo economicus decennia geleden al af. Het is een achterhaalde theorie over menselijk handelen, en beleidsinterventies die op dit model gebaseerd zijn pakken vaak averechts uit.

Niet alleen wetenschappers weten dit, de regering zelf ook. Terwijl Asscher de Volkskrant-lezer bediende, publiceerde minister Kamp een Kamerbrief waarin hij pleit 'voor het belang van empirische toetsing vooraf om te achterhalen of een beleidsinterventie werkt'. Want, zo stelt Kamp, 'de gedragswetenschappen leren ons dat het beeld van de mens als bewuste, rationele beslisser niet compleet is en dat er omstandigheden zijn waarin mensen zich anders gedragen.'

Onze regering start dus vanaf 1 januari één groot experiment met werkgevers en werknemers, waarvan de effecten niet vooraf zijn onderzocht. Zou iemand als Wimar Meffert (57) niet bang hoeven zijn dat hij en zijn collega's van dik in de vijftig, straks gedwongen worden voor hun eigen ontslag te tekenen? Is zijn vrees onterecht dat werkgevers dankzij de lagere ontslagvergoeding hun personeelsbestand zullen gaan verjongen?

Onze regering start vanaf 1 januari één groot experiment met werkgevers en werknemers, waarvan de effecten niet zijn onderzocht

Zou de boventallige Peter Tolsma (56) straks, als de arbeidsmarkt is 'gemoderniseerd', veel makkelijker aan het werk komen dankzij de versober-de ontslagvergoeding? En zou Mirjam Goudriaan, die al vijf jaar op een nulurencontract seizoenswerkster is bij een attractiepark en er elke drie jaar drie maanden uit moet, wel een vaste baan krijgen als die 'pauze' van drie maanden ineens zes wordt?

Gedragswetenschappelijk onderzoek geeft nauwelijks uitsluitsel over de vraag of in een 'gemoderniseerde arbeidsmarkt' oudere werkzoekenden sneller werk vinden. Of dat oudere werknemers juist sneller afgedankt worden, omdat het werkgevers makkelijker wordt gemaakt hun personeelsbestand regelmatig te 'verversen en te verjongen'. Gedragswetenschappelijk onderzoek sterkt wel het vermoeden dat Mirjam die vaste baan in de nieuwe constructie echt niet krijgt.

Wat we ook weten is dat detailvoorschriften zoals in de nieuwe Wet werk en zekerheid aanleiding geven tot calculerend gedrag. Zij moedigen werkgevers, zoals die van Wimar, Peter en Mirjam, alleen maar aan nieuwe trucs te bedenken. Wij achten het veel waarschijnlijker dat Mirjam fatsoenlijk behandeld wordt als er slechts één generieke regel komt, namelijk dat iedereen - vast en flex - recht heeft op inkomenszekerheid, goed werk en ont- plooiingsmogelijkheden. Want juist regelarmoede geeft werkgevers en werknemers het gevoel dat ze worden vertrouwd, waardoor morele principes en verantwoordelijkheidsbesef komen bovendrijven en mensen vaker beslissingen nemen die hun eigen én andermans belangen dienen.

Dankzij de Wet flexibiliteit en zekerheid uit 1999 zitten we nu met de gebakken peren van een grote kloof tussen vast en flex

Alvorens de Wet werk en zekerheid in te voeren zou de regering diverse scenario's op kleine schaal moeten toetsen en evalueren. Pas dan kan zij bepalen welk scenario het overkoepelende doel van de wet het best dient. Pas dan honoreert de regering haar eigen Kamerbrief en gebruikt ze optimaal de beschikbare gedragswetenschappelijke kennis. Pas dan maakt ze wetten en regelgeving die uitpakken zoals bedoeld. Want zoals het nu gaat, laat de regering zien weinig te leren van eerdere fouten.

Dankzij de Wet flexibiliteit en zekerheid uit 1999 zitten we nu met de gebakken peren van een grote kloof tussen vast en flex. En dankzij de Wet werk en zekerheid uit 2015 zitten we over een paar jaar misschien wel met een nog grotere kloof, of met een heel andere, en met tamelijk problematische neveneffecten. Wat het precies wordt weten we helaas niet. En precies dat kan een regering noch werknemers, noch werkgevers aandoen.

Aukje Nauta is bijzonder hoogleraar organisatiepsychologie aan de UvA en kroonlid van de SER.
Carsten de Dreu is hoogleraar psychologie aan de UvA .