Zwijgrecht voor journalist valt te toetsen

Beroept Spits-journalist Voskuil in de zaak-Mink K. zich terecht op zijn zwijgrecht? Journalisten die deugdelijk werk afleveren moeten daar altijd een beroep op kunnen doen, meent Boris Dittrich....

AFGELOPEN WEEK heeft het Gerechtshof in Amsterdam de Spits-journalist Koen Voskuil in gijzeling laten nemen. Die weigerde op vragen van de rechter te antwoorden wie de geheimzinnige politieman was, die hem als bron belastende informatie heeft gegeven over de huiszoeking van de politie in de zaak tegen Mink K. De rechtbank had K. een gevangenisstraf van 3,5 jaar opgelegd wegens het bezit van een groot wapenarsenaal.

In de strafzaak tegen Mink K. staan veel belangen op het spel. Onthult de journalist zijn geheime bron, dan zal deze als getuige worden ondervraagd en moet hij de waarheid spreken. Heeft de politieman gelijk, dan blijkt de politie in diverse processen-verbaal, op ambtseed opgemaakt, gelogen te hebben. Dat kan verregaande gevolgen hebben voor de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Misschien profiteert Mink K. dan wel van deze gang van zaken. Maar ook de politie en het Openbaar Ministerie hebben er belang bij dat de betrokken politieman als getuige wordt gehoord. Zo is er een kans dat zij van alle blaam gezuiverd worden, als blijkt dat de politieman interessant heeft lopen doen tegenover de journalist, maar in feite geen harde informatie heeft gehad.

Voskuil beroept zich op zijn zwijgrecht. Hij stelt dat hij de informatie vertrouwelijk heeft gekregen en dat hij zijn bron geheimhouding heeft beloofd. Zou hij die doorbreken door voor de rechter naam en toenaam te noemen, dan schendt hij de gemaakte afspraak. Dat is niet alleen in deze zaak een inbreuk op het vertrouwen dat de geheimzinnige politieman in Voskuil heeft gesteld, maar het heeft een veel grotere uitstraling. Geen enkele klokkenluider zal nog in het geheim informatie over de organisatie waarin hij werkt, aan de pers toespelen. Daardoor wordt het moeilijker om misstanden binnen die organisaties aan de kaak te stellen. En dit is weer in strijd met het algemeen belang. Het klassieke voorbeeld van het belang om met een geheime bron te werken en die niet te onthullen, is de Watergate-zaak, die tot het aftreden van de Amerikaanse president Nixon heeft geleid.

In uitspraken van Nederlandse rechters is een duidelijke ontwikkeling in de richting van een verschoningsrecht voor journalisten waarneembaar. In 1977 besliste de Hoge Raad nog dat het verschoningsrecht van journalisten in haar algemeenheid niet kan worden aanvaard, maar in 1996 ging ons hoogste rechtscollege om, geïnspireerd door rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens. In de Van den Biggelaar-zaak werd geoordeeld dat een journalist ten overstaan van de rechter zijn bron niet hoeft te onthullen, tenzij dat gezien de bijzondere omstandigheden van het geval noodzakelijk is. In die zaak ging het over informatie van een smeergeldaffaire, die aan journalisten van De Limburger bekend was gemaakt. Zij mochten hun bron geheim houden.

De zaak van Koen Voskuil toont aan dat er iets knelt. De journalist wordt voor dertig dagen in gijzeling genomen. Dit powerplay van Justitie kan telkens herhaald worden, totdat hij zijn bron prijsgeeft. Is dit de manier, waarop we in Nederland het belang van vrije nieuwsgaring en nieuwsvoorziening af moeten zetten tegen het belang van de waarheidsvinding in strafzaken? Ik vind dat er gezocht moet worden naar verfijning van de 'zwijgrecht, tenzij'-regel.

Aan de ene kant moet het journalisten niet te gemakkelijk gemaakt worden onjuiste informatie te verstrekken en desgevraagd de bronbescherming te gebruiken, als schaamlap voor slecht werk. De leugen mag niet regeren.

Aan de andere kant moet een journalist die deugdelijk werk heeft verricht, zich te allen tijde op zijn zwijgrecht kunnen beroepen, wanneer hij zijn informatie van een geheime bron heeft. Dus ook wanneer daar andere zwaarwegende belangen tegenover staan.

Hoe is nu te achterhalen of de journalist, die zich op een geheime bron baseert, zijn werk behoorlijk heeft gedaan?

Om een zuivere afweging te maken of de journalist zijn bron terecht beschermt, kan gedacht worden aan het instellen van een commissie uit de journalistieke beroepsgroep. In die gevallen dat de journalist voor de rechter ter verantwoording wordt geroepen, zou deze commissie de bevoegdheid moeten krijgen te toetsen of de journalist daadwerkelijk een bron heeft gehad en of die bron relevante informatie heeft verstrekt. De commissie moet daartoe onder het beslag van geheimhouding met de journalist en met diens bron kunnen praten. Komt de commissie tot het oordeel dat de journalist geen deugdelijke bron had, dan kan de commissie dit aan de rechter laten weten en moet de journalist zijn bron onthullen.

Het neveneffect hiervan is dat journalisten in voorkomende gevallen zorgvuldiger te werk zullen gaan en dat ondeugdelijke bronnen er rekening mee moeten houden dat zij de kans lopen ooit hun verhaal in de openbaarheid te moeten doen. Wellicht zet dat een rem op het verstrekken en verspreiden van onbetrouwbare informatie.

Komt de commissie echter tot het oordeel dat de bron wel deugdelijk is en relevante informatie voor het verhaal van de journalist heeft verstrekt, dan mag de journalist zich op zijn zwijgrecht blijven beroepen, ongeacht welk zwaarwegend belang om de bron te onthullen daartegenover staat. Dit oordeel van de commissie dient door de rechter gerespecteerd te worden. Het biedt klokkenluiders adequate bescherming en bevordert het aan de kaak stellen van misstanden. In die zin is dit voorstel een verruiming van het verschoningsrecht van de journalist ten opzichte van het geldende recht.

Om de door mij voorgestelde commissie zijn werk goed te laten doen, dient deze een wettelijke grondslag te krijgen.

Een achteraf toetsende commissie van leden uit de eigen beroepsgroep, die invloed heeft op de gang van zaken in de rechtszaal, is geen vreemde eend meer in de bijt. In euthanasiezaken kent de wet sinds enige tijd dergelijke toetsingscommissies. Oordeelt de commissie in euthanasiezaken dat de dokter zich aan alle zorgvuldigheidseisen heeft gehouden, dan is er geen rol meer weggelegd voor het Openbaar Ministerie en is de zaak afgedaan. Vindt de toetsingscommissie daarentegen dat de dokter zijn werk niet behoorlijk heeft verricht, dan wordt dat aan justitie gemeld en kan er vervolging plaats vinden.

Waarom zou voor artsen wel een toetsingscommissie kunnen werken en voor journalisten niet?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden