Zwerver

Wie herinnert zich zijn eerste zwerver? Ik niet...

Wel herinner ik me hoe geschokt mijn kinderen waren toen ze zich voor het eerst realiseerden dat de bedelende mannen bij de supermarkt 's avonds niet naar huis gaan, maar op straat moeten slapen.

Mijn eigen eerste zwerver moet ik in Parijs hebben gezien, dat kan bijna niet anders. In de jaren zeventig had je ze in Nederland nog niet, maar in Parijs had hij een bijna romantisch imago: de clochard. Hij sliep onder bruggen en was een bezienswaardigheid.

Inmiddels zijn er zoveel zwervers, niet alleen in Parijs, maar overal ter wereld, dat er niets bezienswaardigs meer aan is. Sterker nog: we zien ze liever niet. Of nog erger: we kijken dwars door ze heen.

Gisteravond zat ik in Parijs aan de Boulevard de Strasbourg in een Chinees restaurant, aan het raam. Aan de overkant hingen wat hoeren rond, maar verder was het vrij rustig op straat.

Op zeker moment zag ik in de weerspiegeling van de ruit een man verschijnen. Tergend langzaam schommelde hij dichterbij, zich vasthoudend aan de glazen pui van het restaurant. Op de rand van mijn blikveld hield hij halt, eventjes maar, en toen viel hij langzaam om, dat wil zeggen: hij zakte in elkaar, boem, heel zakkig.

Ik prikte voort in mijn eten.

Ik dacht: een zwerver, dronken.

Nadat de man een paar keer vergeefs geprobeerd had overeind te komen, begon hij aan een heroïsche, minutenlange kruippartij in de richting van een lantaarnpaal, pal voor mijn neus – daar wilde hij zich kennelijk aan omhoog trekken. Maar vlak voor hij de paal bereikte, rolde hij ineens op zijn rug en daar lag hij dan, de benen trappelend in de lucht.

Zo lang als het kruipen had geduurd, zo snel viel de man nu in slaap – in een paar seconden was het gepiept. Zijn ogen vielen toe, zijn handen schokten even en weg was hij. Zijn benen staken geknakt uit zijn romp.

Ik at nog maar wat.

Als gezegd: het was rustig op straat, maar er kwamen wel mensen voorbij. Sommigen hielden in op het moment dat ze de man passeerden en keken dan schielijk even, maar de meesten hadden geen belangstelling voor hem, zoals dat nu eenmaal gaat in een grote stad waar veel daklozen zijn.

Ik probeerde bij mezelf na te gaan waaraan ik gezien had dat de man stomdronken was en niet het slachtoffer van een hartaanval. Zijn ogen, toen hij voorbijkroop, rood, lodderig, de vertraagde motoriek, de zoekende handen, de domme koppigheid overeind te willen komen terwijl je weet dat het geen zin heeft.

Dat soort dingen.

Toen arriveerden twee dames, een moeder en een dochter die nog even een blokje om gingen, onberispelijke vrouwen. Ze stopten bij de man en bogen zich over hem heen. Daarna keken ze naar mij en ik voelde van heel ver een onmiskenbaar gevoel van schaamte over me komen. Waarom had ik niets gedaan? En wat had ik moeten doen?

De dames kwamen het restaurant binnen en haalden de baas erbij. Hij belde de hulpdienst en samen gingen ze om de man heen staan wachten tot in de verte het geluid van een naderende sirene klonk. Ik schoof mijn eten opzij en ging er maar bij staan. Je moet wat als Françaises je verwijtend aankijken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden