Zwarten in Amerika-eigen schuld, dikke bult GROOTSTE MISLUKKING VAN AMERIKAANSE DROOM KOELTJES BEKEKEN

IN DE VERENIGDE STATEN is geen onderwerp zo beladen als de omgang van etnische groepen met elkaar. Een mijnenveld. Spreek een woord, zet een stap buiten de met rood-witte linten gemarkeerde paden en je maakt als politicus of auteur een gerede kans de lucht in te vliegen....

Deze hypergevoeligheid voor het afwijkende heeft een logische oorzaak. Een multiraciale samenleving onder spanning is voor haar evenwicht afhankelijk van een zekere mate van consensus over de oorzaken van de ongelijkheid en over de wegen die nog te gaan zijn om meer rechtvaardigheid te bewerkstelligen. Zo komen er (soms stilzwijgend) afspraken tot stand over vorm en inhoud van het politieke discours. Het is een praktische manier om de lont uit het kruitvat te halen.

'Politieke correctheid' (een term die voor het eerst gebruikt is in 1990 door The New York Times) is de prijs geweest die Amerika voor deze oorspronkelijk goed bedoelde, functionele conventies heeft moeten betalen. Wat begon als een bindmiddel voor de maatschappij,is - althans in bepaalde kringen - in zijn tegendeel verkeerd. Rigide toepassing van de idee dat de Verenigde Staten niet langer gedomineerd mochten worden door 'Europese', 'blanke' en 'mannelijke' waarden, lokte een krachtig weerwoord uit. Polarisatie tussen aan de ene kant degenen die oproepen tot verzet, een heilige oorlog bijna, tegen de 'Sensitivity Gestapo', en aan de andere kant degenen die in een andere normering voor de Amerikaanse identiteit zijn blijven geloven, is aan de orde van de dag.

Dinesh D'Souza is een toonaangevende vertegenwoordiger van de critici, op één lijn te stellen met auteurs als Arthur Schlesinger, Nicholas Lemann en E.D. Hirsch. Met een eerder boek, Illiberal Education (1991), gaf hij zijn visitekaartje af als iemand zonder het minste geduld met de multiculturalistische trend in de Amerikaanse onderwijswereld. Van de gedachte dat er zeker een Afrikaanse Shakespeare zou zijn ontdekt als er maar goed genoeg gezocht was, moet hij niets hebben.

In D'Souza's ogen zijn niet alle culturen aan elkaar gelijk. Dat een cultuur overheerst, is vaak - niet altijd - een bewijs voor de merites van die cultuur. Een Amerikaanse niet-blanke die uit zelfrespect de 'Europese' cultuur verwerpt, verwerpt het meest voor de hand liggende voertuig voor opwaartse sociale mobiliteit en bestendigt zodoende nodeloos zijn onderworpen positie. Eigen schuld, dikke bult.

In The End of Racism, een niet minder geruchtmakend vervolg op zijn manifest tegen de domheid, gaat D'Souza nog een stapje verder. Deze keer vecht hij de kern aan van de conceptie van de Verenigde Staten als land waar alle verhoudingen door racisme bepaald worden en waar vooral de zwarten, als gevolg daarvan, gefrustreerd worden in hun streven naar een beter lot.

Zo'n 550 met een venijnige pen volgeschreven pagina's gebruikt hij om uit te leggen dat daarvan weinig of niets klopt. En D'Souza mag het zeggen, vindt hij zelf, want hij is alles behalve blank en dus een onverdachte bron ('Ik geniet in deze discussie een zekere etnische immuniteit'). Geboren in Bombay immigreerde hij minder dan twintig jaar geleden in de Verenigde Staten. Als 'gekleurde' nieuwkomer heeft hij er, naar eigen zeggen, alle belang bij dat elke vorm van racisme wordt uitgeroeid. Hij ontkent ook niet dat er racisme bestaat, maar meent dat het al sterk is teruggedrongen en in ieder geval voor etnische minderheden geen excuus meer kan zijn voor eigen falen. Wie zich wil opwerken heeft daartoe alle mogelijkheden in Amerika, mits men zich bevrijdt van de ketenen van het eigen vooroordeel.

De grootste vijand van de Amerikaanse zwarte is volgens D'Souza het zwarte racisme: een vanuit de geschiedenis wel verklaarbaar, maar op dit moment in zijn uitwerking destructief gedragspatroon. Paranoia en gemakzucht afschudden, dat is de belangrijkste, zo niet de enige voorwaarde waaraan de zwarte onderklasse volgens hem moet voldoen om aan de structurele materiële en culturele armoede te ontsnappen.

De zwarte leiders wrijft D'Souza een gebrek aan moed aan en hun blanke bondgenoten een verkrampte geest. Ook winstbejag zou een rol spelen: als er geen vleespotten vol subsidies bestonden, was het gauw afgelopen met de vermaledijde zieligheidscultus.

D'Souza beseft dat hij een lastig doelwit is voor de tegenstanders van zijn redeneringen, ook al door zijn enorme belezenheid. Het imponerende notenapparaat van The End of Racism, waarin Malcolm X naast Mario Vargas Llosa, Benjamin Franklin en Claude Lévi-Strauss als bron figureert, bewijst dat hij zijn zaakjes kent. Onbevreesd en ongeremd deelt de auteur op kom-maar-op-toon links en rechts rake klappen uit. Maar hij kent zijn grenzen. Over theorieën als die van Herrnstein en Murray in The Bell Curve ('verschillen in intelligentie tussen etnische groeperingen vormen mede een verklaring voor verschillen in succes in het onderwijs') spreekt hij uiterst genuanceerd.

Na een hoofdstuk lang de indruk te hebben gewekt wèl in genetisch bepaalde intelligentieverschillen te geloven, laat D'Souza ten slotte - tot opluchting van de lezer - een heel andere aap uit de mouw komen: door betere voeding, gezondere leefomstandigheden en meer aandacht van hun ouders zullen zwarte kinderen in de toekomst elke statistische afwijking in hun score wegwerken. Op dezelfde manier komt de auteur wel vaker tot verrassende wendingen in zijn betoog. Wat er verder ook te zeggen valt over zijn relativering van endemisch racisme en de gevolgen daarvan, knap geconstrueerd is The End of Racism in ieder geval.

Zoals de ondertitel aangeeft wil dit boek meer zijn dan een manifest tegen een tot dusver gevoerde fnuikende politiek. Het is een programma. Vooral in die laatste gedaante kan het overtuigen. Laat de minderheden die zich in zelfbeklag opsluiten, naar buiten komen en deel gaan nemen aan het volle Amerikaanse leven, is de boodschap. Van D'Souza mag - hij is er als verklaarde conservatief wat aarzelend over - de overheid daarbij een ondersteunende rol spelen, als de liberals met hun drift om de wereld beter te maken maar worden ingetoomd. Deze meer dan succesvolle immigrant ontkomt er niet aan zijn eigen levensverhaal met verve op de minder geslaagde medemens te projecteren. Dàt doet hij niet onaanstekelijk.

De rest van het betoog is toch in de allereerste plaats een soort schieten door de jager op door drijvers in zijn richting opgejaagd wild. Vanuit een veilige positie knalt D'Souza alle onzinnigheden die door pseudo-historici over de superioriteit van het zwarte ras zijn gedebiteerd, af. De dolste excessen van het multiculturalistische lesprogramma passeren de revue. Dat is natuurlijk lachen geblazen.

The End of Racism zou echter aanmerkelijk aan kracht hebben gewonnen als de belezen professor van het American Enterprise Institute zich wat meer rekenschap had gegeven van de wanhoop achter de onzin en de excessen. Het is één ding om frauduleus redeneren aan de kaak te stellen, maar een ander om zo koeltjes te spreken - en koeltjes is het, op elke plek in dit boek - over wat toch de grootste mislukking van de Amerikaanse Droom mag heten: het feit dat de onderste laag van de samenleving nu aanmerkelijk slechter af is dan in 1965, het jaar van de Wet op de Burgerrechten.

Doeko Bosscher

Dinesh D'Souza: The End of Racism - Principles for a Multiracial Society.

Simon & Schuster, import Van Ditmar; ¿ 60,60.

ISBN 0 02 908102 5.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden