Zwarte gal

Het trof Aristoteles al dat melancholie zo vaak voorkomt bij begaafde mensen. In de Renaissance ging de astrologie een woordje meespreken en heette de melancholicus te zijn geboren onder het teken van de zwaarste, koudste en droogste van de toen bekende planeten: Saturnus....

GEEN SLECHTE timing van die altijd zo geforceerd montere Engelsen om juist nú een boek over de melancholie uit te brengen. April mag dan in de natuur de wreedste maand zijn, 'breeding lilacs out of the dead land', voor enigszins beschaafde mensen is de ellendigste maand toch de lange maand die op derde kerstdag begint en, met een korte onderbreking op oudejaarsavond, doorloopt tot diep in februari - waar zij dan, ergens in de derde week, haast ongemerkt eindigt. Zachtjes sissend leeggelopen, met een zucht van verlichting achtergelaten als een gebruikt preservatief, gerimpeld, krachteloos.

Nee, het zicht op die seringen die in het voorjaar uit het dode land worden voortgestuwd, dat is niet gering: daar had T.S. Eliot gelijk in. Maar hij had de woorden 'mixing memory and desire' die daar in zijn lamentatie over het braakland direct op volgen toch beter voor die misselijkmakende lange januarimaand kunnen reserveren. (De dichter J.C. Bloem beklaagde zich overigens steevast over november.)

Korte dagen, lange nachten, weken die op woensdag nog niet op gang zijn, het kan vriezen én het kan dooien: je weet het niet - voornemens zo goed en zo talrijk dat je er moedeloos van wordt, de zomer zo ver dat je amechtig terugdeinst voor de nog te overbruggen afstand: waar is het licht, waar is de warmte, wat doe ik hier, waarom leef ik eigenlijk?

Het is het jaargetijde van het surplus aan zwarte gal, dat alles bedervende goedje dat wordt voortgebracht door de milt. De zwarte gal hoort formeel, in de antieke humeurenleer die de melancholie haar naam gaf, bij de herfst, want zwarte gal is koud en droog. Maar een Griekse herfst is nog geen Nederlandse, die immers koud en nat is en daarom eerder slijmerig moet heten.

De klap komt hier zoveel later. Wás het maar koud en droog, tijdens de herfst of wat bij schier oneindige uitbreiding daarvan voor winter doorgaat.

Zomer, winter, herfst en voorjaar, ze zijn in die tot op de huidige dag nog altijd innemend sympathieke opvatting van de oude Griekse medici, Aristoteles voorop, op de voet gevolgd door Hippocrates, verbonden met 's mensen vochthuishouding, lichaamstemperatuur en derhalve met ons welbevinden. Alles heeft met alles te maken, wie zal het ontkennen, en zo komt het dat wij naar lichaam en geest reageren op de seizoenen. Het labiele evenwicht tussen onze lichaamssappen, ons bloed, ons slijm, onze gele en onze zwarte gal, wordt gemakkelijk verstoord door de wisselingen in temperatuur en vochtigheid buiten ons - en op die verstoring reageert onze geest.

Het is een helaas in diskrediet geraakte benadering, die voor zover het ons geestelijke humeur betreft het veld heeft moeten ruimen voor een analyse die het moet hebben van smerige verdachtmakingen als zouden wij, in geval van duurzame gevoelens van somberte en structurele neerslachtigheid in het kille seizoen, ontijdig van de moederborst zijn verwijderd, of reeds op jeugdige leeftijd hebben uitgezien naar het verrichten van de bijslaap aan onze moeders. Als het om het gehalte aan kwakzalverige praatjes gaat, doet de freudiaanse psychoanalytische duiding van ons temperament welbeschouwd niet onder voor de hippocratische humeurenleer. Een verstoorde secretie van de zwarte gal of een verbroken moederbinding, wat is het verschil?

Tweeëntwintig eeuwen van het stug verzamelen van gegevens over zwartgalligheid, melancholie en even later zelfs melancholia, zien gelaten neer op een eeuw gekakel over ontwrichtende ervaringen en frustraties uit de vroegste jeugd. 'Het is tevergeefs om van kuren te spreken of aan remedies te denken voordat we de oorzaken hebben beschouwd', schrijft de zeventiende-eeuwse geleerde dominee Robert Burton in zijn onweerstaanbare boek The Anatomy of Melancholy.

Dat is in het hoofdstuk waarin hij God nog als potentiële bron voor de melancholie aanwijst, voorafgaand aan het chapiter waarin hij overweegt of kwade engelen, boze geesten of andere eigenaardige verschijnselen als boosdoeners kunnen worden aangemerkt. De melancholie is, met andere woorden, van alle tijden, al lopen de verklaringen ervoor in de pas met modes, medisch, paramedisch of ronduit metafysisch.

De verklaringen wel, de vatbaarheid niet. Hoe komt het toch, zegt Aristoteles of een van zijn leerlingen, dat 'alle mannen die uitzonderlijk zijn geweest in de wijsbegeerte of de politiek of de literatuur of de kunsten, melancholici blijken te zijn, en sommigen zelfs zodanig dat ze getroffen werden door ziekten die hun oorzaak vinden in de zwarte gal?' De vertaling van deze ontmoedigende woorden is van Philip van der Eijk, die voor het Aristoteles-project van de Historische Uitgeverij Aristoteles' Problema vertaalt. Deze tekst over de melancholie maakt daarvan deel uit.

Het is dezelfde tekst uit de nalatenschap van Aristoteles die de opmaat vormt voor het heerlijk terneerdrukkende boek The Nature of Melancholy, een bloemlezing van fragmenten uit de afgelopen tweeënhalve millennia over de melancholie, die de Amerikaanse filosofe Jennifer Radden samenstelde, becommentarieerde en van een uitvoerige inleiding voorzag. Zoals een narcistisch ingestelde persoonlijkheid iedere ochtend gretig uitziet naar zijn dagelijkse uurtje freudiaanse psychoanalyse, zo kan een melancholicus zijn hart ophalen aan alles wat er over zijn geestesgesteldheid geschreven is.

En dat is niet gering. In Raddens bloemlezing treffen we stukken aan van Galenus (de late oudheid), Cassianus (het vroege christendom) en Avicenna (middeleeuws Arabisch), maar de remmen gaan pas echt los vanaf de Renaissance tot en met diep in de negentiende eeuw. Over de paar teksten uit de twintigste eeuw die daar als een epiloog aan zijn toegevoegd, past het de oprechte melancholicus te zwijgen: geëmmer over depressies, afwisselend cognitief, emotief, farmacologisch of klinisch benaderd.

HET HOOGTEPUNT in die oudere literatuur is, zoals je in een dergelijk boek mag verwachten, het stuk uit Robert Burtons al aangehaalde boek over melancholie, dat onuitputtelijke boek dat zo oeverloos meiert over de oorzaken, verschijningsvormen, varianten en mogelijke kuren van de melancholie, dat zelfs de donkerste zwartgallige er opgetogen van wordt. Burton heeft er zijn hele vereenzaamde en moedeloze leven aan gewijd; bij iedere nieuwe druk dijde zijn boek verder uit. Samuel Johnson, ook gezegend met een niet kinderachtige melancholieke natuur, vertelt ergens dat hij bereid was alleen voor dat boek twee uur eerder zijn bed uit te komen.

De doorgewinterde melancholicus neemt er met ontzag zijn hoed voor af. In de klassieke Nederlandse evocatie van de melancholie, Marcellus Emants' Een nagelaten bekentenis, wordt namelijk al duidelijk gemaakt hoe zwaar dat de lijder aan zwartgalligheid valt, opstaan en de zinloze taken van de dag lusteloos aangaan. 'Op een dag, dat de koude, natte nevel weer niet optrok, die vuil grauw al vierentwintig uren lang de stad omwalmde, alle kleuren dovend, alle geluiden smorend, zodat ik niets meer zag dan schimmige bomen vlak voor het huis en toch eindeloos ver, niets meer hoorde dan het tikken van vallende druppels op straat en het zeuren van meiden-stemmen in de keuken, op zo'n dag werd 't me klaar, dat gekomen was, wat ik gevreesd had: het versuffen in de grijze damp van een donker huis met dikke tapijten en zware gordijnen.'

Zie dan maar eens je bed uit te komen, zelfs als het om het lezen van Burtons beschrijvingen van een eindeloze stoet lotgenoten gaat.

De inertie, ondertussen, die mengeling van lusteloosheid en moedeloosheid, is een van de in het oog springende constanten van de melancholie. Burton, die zich baseert op een eindeloze hoeveelheid bewijsplaatsen - zijn boek is niet veel anders dan een thematische rangschikking van de citaten over de melancholie die hij een leven lang uit klassieke auteurs en obscure middeleeuwse en vroeg-moderne bronnen bijeen sprokkelde, soms zelfs aangevuld met zelfverzonnen citaten van al evenzeer aan zijn eigen verbeelding ontsproten auteurs - kan er de voorbeelden per tiental van aanwijzen.

Zo verschillend als de duidingen zijn voor de oorsprong ervan, zo onverzettelijk en onwillekeurig is de verschijningsvorm. 'Zoals de filosofen acht graden van warmte of koude onderscheiden, zo kunnen wij achtentachtig gradaties van melancholie aanwijzen, naar gelang de delen van het lichaam die erdoor zijn aangetast of deels door overweldigd meer of minder door de zwarte gal zijn overspoeld, of door deze helse golf geheel en al zijn ondergedompeld. Maar al deze melancholie tiranniseert violent alle mensen die er het slachtoffer van worden.' De gradaties verschillen, de uitwerking is onmiskenbaar.

Wat ooit begon als een schematische, klinische duiding van een aan een lichamelijke gesteldheid ontsproten gemoedstoestand, wordt mettertijd onderwerp van ernstiger medische én poëtische haarkloverij. De aristotelische en hippocratische duiding van een verstoring van de balans tussen zwarte gal en gele, bloed en slijm, beoogde aanvankelijk een beschrijving van fysiologische processen te geven. Pas wanneer het misging in die processen was er sprake van een kwaal. Galenus, in de tweede eeuw van onze jaartelling, legt zich al toe op het analyseren van onregelmatigheden in de productie van zwarte gal en de daaruit ontkiemende ziektebeelden.

In de auteurs die zich op hem beroepen - en dat zal naar de letter tot aan de Verlichting, en naar de geest tot aan het eind van de negentiende eeuw zijn - wordt gaandeweg een steeds sterker onderscheid zichtbaar tussen melancholie en melancholia, tussen een gemoedstoestand en een ziekte.

Wat dat betreft vormt het overgrote deel van de door Jennifer Radden bijeengebrachte teksten een perfecte illustratie van de structuralistische theorieën aangaande de medicalisering van Michel Foucault: ziekte, zeker geestesziekte, is een kwestie van op maatschappelijke overwegingen stoelende naamgeving, van ideologisch geïnspireerde strategieën. Je begint met last van je milt en je eindigt in het spinhuis; iedere melancholicus die het gevecht met de grauwe koude ochtend uit de weg is gegaan kan ervan meepraten.

IN DAT PROCES worden aan het eind van de middeleeuwen en aan het begin van de moderne tijd twee ontwikkelingen zonneklaar: die van de demonisering en die van de idealisering. Uit de beschouwingen van Johann Weyer, de heksenjager en demonoloog, spreekt een van vrouwonvriendelijke opwinding zwetende hang de melancholie op rekening van heksen en boze geesten te krijgen, terwijl de renaissancistische filosoof Marsilio Ficino zich juist interesseert voor het verschijnsel dat Aristoteles al verwonderde, namelijk het opvallend vaak voorkomen van melancholie bij begaafde mensen. Bij beiden begint dan ook de astrologie een duchtig woordje mee te spreken; de melancholicus is, zo heet het, geboren onder het teken van Saturnus, de zwaarste, koudste en droogste van de tot dan toe bekende planeten.

In de beroemde gravure van Albrecht Dürer, 'Melencholia I', uit het begin van de zestiende eeuw, is die renaissancistische opvatting van de samenhang tussen melancholie en intellectuele of artistieke begaafdheid uitvoerig uitgewerkt. Somberman zit daar met zijn hoofd in zijn handen, omgeven door alle gereedschappen van de zestiende-eeuwse wiskundige en artistieke ambachtsman en vergezeld van attributen die hem attent maken op het verstrijken van de tijd. Het vergaren van kennis heeft hem lusteloos gemaakt, het scheppen moedeloos - want was het al niet de oudtestamentische Prediker die meldde dat het vermeerderen van kennis gelijk optrekt met het vermeerderen van smart?

Het majestueuze allegorische en raadselachtige schilderij van Lucas Cranach de Oudere, van drie decennia later, toont linksboven zowel de demonen - de ruiters van de Apocalyps? - als linksonder drie stierlijk vervelende kinderen - putti? - die tevergeefs een bal van zijn plaats trachten te rollen. Cesare Ripa, begin zeventiende eeuw, windt er al helemaal geen doekjes om: zijn melancholicus staat op de voorgrond te lezen, de mond dichtgebonden met een doek, terwijl aan gene zijde van de poort achter hem een man zich in het water stort. Zij die onder het teken van Saturnus geboren werden, slijten hun dagen in duisternis en sterven gemakkelijk door hun eigen hand: Burton heeft hele lijsten van voorbeelden en gepraktiseerde technieken.

Vanaf de achttiende eeuw scheiden zich de wegen van melancholie en melancholia: het een wordt een allengs parmantiger beschreven ziektebeeld, het ander het specialisme van dichters. Goethes Werther hoeft niet naar de dokter: voor zijn lijden biedt de hortus geen geneeskrachtig kruid, terwijl de hypochonders en melancholici van de Duitse dokter Wilhelm Griesinger worden opgesloten en geen gedichten schrijven. Naarmate de Duitse dokters meer praatjes krijgen, schuift de melancholia op in de richting van de depressie en wordt de melancholie meer het domein van de dichters. De ziekte wordt geïsoleerd, de gevoeligheid gedemocratiseerd. Wie kwaadsappig is, kan die ontwikkeling heel goed blijven uitleggen in de renaissancistische termen van demonisering versus genialiteit.

In Raddens bloemlezing worden die divergerende lijnen zichtbaar in de groeiende tegenstelling tussen poëzie en teksten uit medische handboeken. In Baudelaires Les fleurs du mal bereikt de evocatie van de melancholie een voorlopig hoogtepunt - en verkeert melancholie in spleen. 'Wanneer de hemel als een deksel, laag, afmattend,/ drukt op de geest, die kermt door wrevel lang gekrenkt,/ en, heel de cirkel van de horizon omvattend,/ een zwarte dag, nog triester dan de nachten, schenkt (. . .) dan komen klokken plots vol razernij tot leven/ en stoten zij ten hemel hun affreus gekrijs,/ als geesten, dolend, uit hun vaderland verdreven,/ van wie het kermen door zal gaan tot elke prijs'.

De poëzie is al anderhalve eeuw bezig daarvan bij te komen - en de melancholicus weet dat waar sprake is van bloemen, ook al zijn ze dan van het kwaad, hoop is. Daar worden 'memory' en 'desire' weer uit hun grimmige omarming ontbonden in wat ze zijn. Met zes weken is het maart.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden