Zwarte cowboy op zoek naar iemand om te haten

ELKE DAG wakker worden in het besef dat je zwart bent; dat je niet kunt ophouden zwart te zijn; dat je daar elke keer als je je omdraait aan wordt herinnerd....

Dat innerlijke proces beschrijft de zwarte Amerikaanse schrijver Eddy L. Harris in zijn nieuwste boek Nachtmerries in het Zuiden - Een reisverslag. Hij laat er geen twijfel over bestaan dat het een uiterst vermoeiende aangelegenheid is. Bitter stelt hij dat de blanken alle energie die zwarten noodgedwongen steken in de zoektocht naar hun identiteit, voor andere - meer produktieve - zaken kunnen aanwenden. Voor de blanke is het blank-zijn een vanzelfsprekendheid, hij hoeft daaraan verder geen gedachte te verspillen.

Harris doet niet anders dan graven naar zijn wortels, worstelen met zijn huidskleur. In zijn eerste boek, Het hart van Afrika, reist hij naar zijn moederland, naar 'de bron van zwarte trots, een plaats van zwarte waardigheid'. Maar hij vindt geen vrede in Afrika. Hij keert terug, een illusie armer en met in zijn hart een aan haat grenzende woede. Met de Afrikanen, ontdekt hij, heeft hij behalve de huidskleur weinig gemeen. Hij voelt zich het meest thuis in Zuid-Afrika, bij de blanken. En met name bij de Boeren, die 'ook opnieuw wortel hebben geschoten in een vreemd werelddeel en gedwongen zijn daar te blijven'.

In Het hart van Afrika komt Harris tot het besef dat hij zijn 'kracht, trots en geluk' uit Amerikaanse grond dient te halen. Hij weigert ook, in weerwil van de trend onder zwarte Amerikanen, zich Afrikaans-Amerikaan te noemen. 'Zoveel van de Afrikaansheid van de zwarte Amerikanen is gestolen of verloren gegaan dat een nieuwe soort is ontstaan, van Afrikaanse oorsprong maar niet Afrikaans, een nieuw ras bijna. Geboren uit de ritmen van het Afrikaanse oerwoud, maar meer nog uit de smarten van slavernij en vervolging, zijn we een volk in angst gekweekt, de vrijheid altijd buiten bereik, geschoold in langdurige verdringing en eeuwigdurend geduld.'

Meer dan wat ook heeft de slavernij de zwarte Amerikanen gemaakt tot wat ze zijn, meent Harris. Dus moet hij zijn wortels zoeken in het Amerikaanse Zuiden, in dat 'racistisch bolwerk' dat een burgeroorlog ontketende omdat het weigerde de vruchten van de mensonterende slavernij op te geven. Harris beklimt een glanzende motor en als een eenzame, zwarte cowboy rijdt hij door het Zuiden op zoek naar 'iemand om te haten'. Hij beschouwt het Zuiden als een minotaurus: 'Het monster dat schuldig is aan de manier waarop de dingen zijn en waren.'

Zodra hij de Mason-Dixie-lijn is gepasseerd, stuit hij voortdurend op mensen, dingen, zaken, monumenten die zijn haat opwekken. Hij telt de oorlogsvlaggen van de Confederacy (de zuidelijke staten) die aan de veranda's van de huizen en aan de achterruiten van vrachtauto's hangen, op autobumpers zitten, petten, jassen en etalages versieren, kleur geven aan boekomslagen. In de wolken ziet hij 'mannen met kappen, gekleed als engelen in golvende witte gewaden' (leden van de Ku Klux Klan).

Elke politieman is Stierke (Bull) Connor, de racistische politiechef van Birmingham die in de zomer van 1962 protesterende zwarte jongeren te lijf ging met waterslangen en honden. Bij elk busstation roept hij de zwarte soldaat in herinnering die in 1945 uit de oorlog terugkeerde en wachtend op de bus naar huis na een bezoek aan een 'blank' toilet door een woedende menigte de ogen werd uitgestoken. Komt een honkbalstadion op zijn pad, dan gaan zijn gedachten niet naar de zwarte spelers die daar nu gloriëren, maar naar het onrecht uit het verleden. Naar de negercompetities en de gesegregeerde tribunes.

Bij het gerechtsgebouw van Appomattox, de plaats in Virginia waar de aanvoerder van de troepen van de Confederacy, generaal Robert Lee, zich overgaf, neemt hij driftig aanstoot aan de tekst van een gedenkplaat: 'Op zondag 9 april 1865, na vier jaar heldhaftige strijd ter verdediging van de principes die als fundamenteel werden beschouwd voor het bestaan van onze regering, gaf Lee zich over met negenduizend man, het restant van een leger dat in de geest nog ongebroken was.'

'De oorlog is nog niet voorbij', schreeuwt Harris uit. 'De racistische geest die er de oorzaak van was, is nog steeds niet gebroken. Hij bekijkt alles met het oog van een gefrustreerde zwarte. Hij denkt in termen van geschiedenis en ras en wordt er steeds aan herinnerd dat 'het nooit oké is geweest om zwart te zijn'. Hij worstelt bij - letterlijk - elke bocht die hij op zijn reis neemt, met zijn gedachten, die in een vicieuze cirkel rondtollen. Die voortdurende herhaling wekt op den duur irritatie. De lezer krijgt de haat met scheppen over zich uitgestort en nadert geregeld het verzadigingspunt.

Tegelijk is Harris' geworstel, hoe irritant ook, de kracht van het boek. Hij verwoordt op indringende wijze de black rage die woedt in brede kringen in de zwarte gemeenschap en zeker niet alleen in de zwarte onderklasse. Hij toont op overtuigende wijze dat ook - en misschien wel juist - de middenklasse in de greep is van een razende woede.

Dat hij daarin niet alleen staat en dat zijn gevoelens hoogst actueel zijn, bewijst een discussieprogramma dat onlangs werd uitgezonden via het kabelnet van NBC. Onder de titel 'Black rage: the abuse excuse' werd gediscussieerd over een aanslag die op Rhode Island werd gepleegd op een trein. Een zwarte man had daarbij zes blanken gedood en negentien verwond. De blanke mensenrechtenadvocaat William Kunstler verkondigde in de rechtszaak de black rage te zullen aanvoeren als verzachtende omstandigheid. De hoogst politiek correcte advocaat kreeg bijval van zwarte academici als Cornel West, auteur van het boek Race Matters, de zwarte advocaat Colin Moore en 'brother Paul', een crimineel die zijn halve leven in tuchthuizen en gevangenissen heeft doorgebracht.

Brother Paul verklaarde onder instemmend geknik, slechts aangevallen door de befaamde Harvard-professor Alan Dershowitz dat hij het recht heeft zijn woede in daden om te zetten. Volgens hem zijn alle slaven die in de slavenschepen op weg naar Amerika en werkend op de plantages zijn omgekomen, nog lang niet gewroken. 'De blanken die hebben gemoord, kunnen we niet meer aanpakken, maar we kunnen wel hun nageslacht te grazen nemen', aldus broeder Paul.

Ook Harris meldt terloops dat het gelukkig voor hem is dat hij niet in 'verwerpelijke omstandigheden' is geboren, anders zou hij 'zeker een moordenaar en zelfs een massamoordenaar zijn'. Maar hij is in een keurige omgeving grootgebracht. Hij bezocht de beste scholen, studeerde aan Stanford University en had aanvankelijk geen last van rasbewustzijn. Als jongetje was hij een suffe boekenwurm, een invalide met zijn benen in het gips, die biografieën las van grote mannen en vrouwen. Hij verbeeldde zich Amalia Earhart te zijn en Charles Lindbergh, George Washington, Jim Thorpe, Jesse Owens, Orville Wright, Marie Curie, Columbus.

'Ik was jong en dom', schrijft hij. 'Ik zag geen grenzen opgelegd door mijn ras of mijn geslacht of mijn nationaliteit. Ik zag helemaal geen beperkingen. Kinderen doen dat nooit, totdat zij het leren.' En zoals voor veel zwarten, is Harris' leerproces onaangenaam. Blanke vrouwen grijpen angstig naar hun tasje als ze hem ontwaren, of lopen een straatje om. Taxichauffeurs, ook de zwarte, scheuren hem voorbij als hij hen in het donker op straat wil aanhouden. Hij wordt gezien als iemand om bang voor te zijn, om te vermijden, een potentiële junkie, dief, verkrachter.

Aan het einde van het boek ontwaart Harris ook lichtpuntjes en laat hij enkele positieve gedachten toe. Hij ontmoet aardige blanken die hem de hand reiken, hem vertrouwen, hem bij hen thuis uitnodigen. Die prettige ontmoetingen zijn Harris' strohalmen, waaraan hij zich gretig vastklampt. Hij probeert zich met het Zuiden, met zijn zwart-zijn te verzoenen en zich te bevrijden uit de draaikolk van haat. Die ommekeer komt nogal kunstmatig over, alsof zijn relaas naar een happy end moest worden toegeschreven.

Geloofwaardiger is de beschrijving van zijn moeizame relatie met de dominante cultuur in Amerika, waarin hij zo graag wilde worden opgenomen, maar waarin hij zich steeds minder thuisvoelt. 'Ik vraag me af of ik er ooit in gepast heb. Ik voel me machteloos en nutteloos. Dat is gekoloniseerd zijn: erbij willen horen, maar altijd buitengesloten zijn.'

Janny Groen

Eddy L. Harris: Nachtmerries in het Zuiden - Een reisverslag.

Contact; ¿ 34,90.

ISBN 90 254 0713 7.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden