Zwanenzang van een kennismonopolist

Herman Pleij nam swingend afscheid als hoogleraar historische letterkunde. Inspirerende docenten als hij zullen er straks niet veel zijn. De ontwerpers van het huidige onderwijs minachten hen....

Aleid Truijens

Afgelopen vrijdag hield Herman Pleij zijn afscheidscollege als hoogleraar historische letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Vaak vecht het publiek bij zulke lezingen tegen de slaap, tot het verlossende moment van de borrel is aangebroken. Maar niet bij Pleij.

Het was schrikkeldag, de dag waarop alles anders is, de dag waarop de meisjes de jongens mogen veroveren – een passende dag voor het afscheid van een geleerde die van carnavaleske omkering zijn werkterrein maakte. In één uur slingerde Pleij ons alle hoeken van zijn vak in, van de manipulatietechnieken van een drukker die vrouwelijke beknotting van manlijke lust vreesde, via het nut van het bestuderen van onnozele verhaaltjes om de mentaliteitsgeschiedenis te begrijpen, naar het belang van historisch onderwijs. Hij sloot af met een laatmiddeleeuws lied in rapvorm. Daar stond de grijze professor, 65, ritmisch te swingen, losjes in de heupen – een unieke academische zwanenzang. Opgefrist gingen we op de witte wijn af.

Eigenlijk was het net als dertig jaar geleden. De mare ging dat het bij Pleij altijd lachen was, dus wilde ik college volgen bij hem. Niet dat ik als beginnende student Nederlands enige sjoege had wat zijn vak inhield. Kinderachtige vertelsels, dacht ik, in een koddig taaltje, met veel pies en poep. Het was inderdaad dolle pret bij Pleij. Maar god, wat moest je er hard werken! Tot onze verbijstering kregen we soms een onvoldoende voor een werkstuk. Stapels rare teksten moest je lezen, zonder vertaling. We mochten zelf deelonderwerpen uitkiezen, maar dat wij onze eigen ‘leervraag’ formuleerden, was uitgesloten. In die hilarische colleges stak je veel op. Kennis waar je uit jezelf nooit achter was gekomen; toepassing ervan op andere gebieden dan de Middeleeuwen en de behoefte die kennis door te geven.

Inspirerende docenten als Pleij, en de door hem opgeleide leraren, zullen er in de toekomst weinig zijn. Niet omdat het ontbreekt aan enthousiasme of talent, maar omdat de ontwerpers van het huidige onderwijs zulke docenten minachten. Sjoerd Slagter, voorzitter van de VO-raad (de koepelorganisatie voor het voortgezet onderwijs), noemt hen ‘kennismonopolisten’. Dat is iets heel ergs, zei hij in Van wie is het onderwijs. Het zijn mensen die ‘gestolde traditie’ overdragen. Terwijl zij toch zouden moeten weten dat alle kennis willekeurig is, en veroudert waar je bijstaat. Volgens Slagter is de docent een ‘kennismakelaar’ die de leerlingen helpt hun leervraag te beantwoorden. Zijn taak wordt nauw omschreven door het schoolbestuur, dat hem via het management krachtig aanstuurt. ‘Scholen weten wat goed is voor de leerling’, zegt Slagter.

Schoolbestuurders weten dat niet. Of het rapport van de commissie-Dijsselbloem iets uithaalt is nog de vraag, maar de rampzalige gevolgen van twintig jaar onderwijsvernieuwing onder leiding van mensen als Slagter worden er haarfijn in blootgelegd. Stelselmatig werd de rol van docenten ingeperkt, net als hun salaris, en groeiden de macht en de bezoldiging van bestuur en management. De voorheen gehate macht uit ‘Zoetermeer’ verschoof naar koepels als Slagters’ VO-raad, die niet de leraren, maar het management vertegenwoordigen. Docenten hadden de vernieuwingen maar te pikken, vakbonden bogen soepeltjes mee; wensen van ouders werden genegeerd.

In plaats van verantwoording af te leggen voor zijn rol in dit drama, onderschreef Slagter de conclusies van de commissie. Ik sprak daarover op 19 januari mijn verbazing uit. Slagter typeerde vervolgens mijn kritiek (Forum, 28 februari) als ‘op de persoon spelen’.

Grappig, dat zie je vaker bij mensen met veel macht: ze verwarren kritiek met ad hominem-argumentatie. Slagter vroeg mij als journalist me bewust te worden van mijn ‘maatschappelijke verantwoordelijkheid’ en benadrukte het belang van wederzijds vertrouwen van schoolleiders, docenten en leerlingen.

Als journalist ben ik me welbewust van mijn taak: mensen die bekleed zijn met macht kritisch te volgen, vooral als zij verantwoordelijk zijn voor andermans kinderen en gemeenschapsgeld. ‘Personen’ interesseren mij daarbij niet; ik ken Slagter niet, het gaat mij om wat hij zegt en doet, en de tegenstrijdigheden daarin.

Dat, zoals de commissie-Dijsselbloem aantoont, het onderlinge vertrouwen is beschaamd – dat van docenten in de besturen, dat van ouders in de scholen – is mijn schuld niet. Zo ver strekt de invloed van een hofnar niet. Ik zou het, als moeder van schoolgaande kinderen, prachtig vinden als de partijen elkaar weer blindelings konden vertrouwen.

Vertrouwen moet je verdienen. Als Slagters’ VO-raad de kwaliteit van onderwijs waarborgt, de docent in zijn waarde herstelt en ouders hun keuzevrijheid teruggeeft, is hij het vertrouwen waard.

Herman Pleij gaf geen ‘gestolde traditie’ door, maar breidde bestaande kennis enorm uit. Hij wilde niet chagrijnig afscheid nemen, maar één ding moest hem, in een interview in Het Parool, van het hart: hij zag de basiskennis van zijn studenten in de loop der tijd achteruit hollen. ‘Ze kunnen van alles, maar weten niets meer. Vlaamse studenten hebben die kennis wel.’ Dáárvan zou Slagter eens wakker moeten liggen.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden