Zwakke sla in Boedapest

Prof. dr Rudi van den Hoofdakker nam onlangs afscheid van de Rijksuniversiteit Groningen. De universiteit bood hem bij die gelegenheid reizen aan naar alle Oosteuropese universiteiten waar Nederlands wordt gedoceerd, om daar als Rutger Kopland enkele uren college te geven over poëzie....

Woensdag 17 april 1996.

Op twee kilometer hemelsbreed van ons huis stijgen we op. Het is een beetje mistig, windstil lenteweer. Nederland ligt er keurig bij. Afgezien van wat kromme riviertjes en wat rommelige stukjes 'natuur' - wanneer ruimen ze die nu eens op - is ons landje geheel in vierkantjes en rechthoeken opgedeeld. Hoeken van negentig graden zijn de mooiste. Het vliegtuigje vliegt laag, en de wereld is zo mooi plat en vlak dat ik onze schaduw zie meegaan over de aarde. Voor de landing zie ik tot mijn geruststelling dat onze wieltjes zijn uitgeklapt. Alles is onder controle.

Op Schiphol begint altijd dat licht eufore gevoel van vervreemding. Al die mensen met die gezichten, die benen die allemaal een andere kant oplopen, al die rare namen die naar informatiedesks worden geroepen, zouden wij ook van die mensen zijn, die daar lopen, dat gevoel. Onze Malev staat eindeloos ver weg, een kwartiertje over transportbanden. In het grote vliegtuig zit een handjevol mensen. Tja, wat moet je daar ook in Midden-Europa.

Maar een paar uur later zitten we gewoon waar we zitten, op een terrasje in Boedapest met Birgit Lijmbach, een Groningse docente Nederlands, voor een jaar werkzaam in het instituut waar ik het over poëzie zal gaan hebben. Groningen, ach, het is in een paar uur tijd al helemaal weg. Het is aangenaam vreemd in alle opzichten, de conversatie, het weer, het pilsje, de Parijs-achtige straat.

De eerste wandeling. Naar de Donau, die alles beheersende, enorme, kolkende rivier, langs een kade met uitzichten op Boeda met het Habsburgse kasteel en op Pest, die prachtige, laat negentiende-eeuwse stad, naar Hotel Gellert. Ik logeerde daar ooit een jaar of tien geleden. Hier ben je echt ver weg. Lederen fauteuils waarin men wegzinkt met uitzicht op een klaterend fonteintje, marmeren zuilen, kleurige hoogconstructies, duistere lambrizeringen, wijnrode tapijten. Wat is dit? Grandeur of kitsch, allure of decadentie, operette of werkelijkheid? We kijken elkaar aan: wie zijn we?

Op de terugweg naar het hotel komen we voorbij een schitterend, gigantisch Jugendstil-warenhuis. Door de hoge in gietijzer gevatte ramen valt het licht in brede bundels over de duizenden winkelende mensen, de tot in de nok opgetaste koopwaar. Zware geuren van mensen, worst en manufacturen. Vooral het strijklicht over de salami en de flessen Palinka, de abrikozenjenever, treft ons. Bijna vanzelf gaat mijn hand naar de portemonnee.

In ons eigen hotel in het centrum van Pest heerst de gezellige sfeer die de Mercury-keten all over the world zo feilloos weet te treffen. In de duistere lobby een pianist aan een witte vleugel: tea for two, ain't she sweet, blue moon, met dat timbre dat je het gevoel geeft dat er slagroom door de muziek zit. Marmeren trappen naar boven, een nieuwe lobby met vitrines vol roze gebak, tafeltjes en fauteuiltjes, uitzicht op de nachtclub Aphrodite, waar in de etalage een meisje staat te dansen met de motoriek van een eenzaam dier in een kooi van een dierentuin. Mannen in pakken, altijd een hard koffertje naast zich, vrouwen in iets te krappe jurken, diensters in namaak folklore, de zakenwereld dus. Onze kamer hetzelfde vierkante vertrek waarin ik nu al dertig jaar op mijn reizen over deze aardbol heb geslapen.

Donderdag 18 april 1996.

We worden in de hal van het hotel opgewacht door Anikó Daroczi, docente Engels, maar ook nog studente Nederlands. Zij zal ons iets van de stad laten zien. Het weer is zomers en we besluiten naar het oude Boeda te gaan, het historische hart van Hongarije. In het vliegtuig kregen we een boekje van de luchtvaartmaatschappij met handige tips; hoe zeg je: goedemorgen, wat doe je vanavond, het spijt me verschrikkelijk, maar ik begrijp je niet. Ook de geschiedenis wordt erin behandeld, maar zelfs bij herhaalde lezing kom ik er niet uit. Het begint zo'n half miljoen jaar geleden, er komen Thraciërs, Scythen, Kelten, Romeinen, Hunnen, Gothen, Longobarden, Avaren, Mongolen aan te pas, die alles hebben verwoest, maar wie het weer opbouwde? Totdat koning Béla komt. Plotseling is het dan 1241. Dan komen in 1526 de Turken, die tot 1686 bleven en in die tijd alleen maar badhuizen bouwden. In 1686 werden ze verdreven door de Habsburgers en 'virtually the entire Christian world'.

Wanneer Hongarije een onafhankelijke staat werd, wordt niet duidelijk. Wel wanneer de eerste paardetram verschijnt (1830). Eerste Wereldoorlog: één regel: 'progress interrupted'. Tweede Wereldoorlog: acht regels: 'peaceful demonstrations against the war, anglosaxon bombing after German occupation, street fights, everything destroyed, all bridges blown up by the Germans, liberation '45.' En dan? Over de 'Russische tijd' één woord: Soviet depression. Over 1956: 'here, in Budapest, Hungary, Leninist-Stalinist Bolshevism failed in its ideology'. Over 1989, die Wende, geen woord. Intussen viert Hongarije dit jaar zijn 1100ste verjaardag: 'After all of this, perhaps it is unnescessary to ask, what is a person worth, if Hungarian? The cream of today's Hungarian nation is nobly striving into the big common family of Europe. Our national flag may wave as a brother to the many starred blue flag'. Ach wat hoeft een toerist ook te weten? Prima land, toch?

Maar wij willen meer weten. De gesprekken gaan met wie wij ontmoeten steeds weer minder over literatuur dan over het leven van alledag, over de ingrijpende invloed van de vroegere en de huidige politieke situatie. Dat was gisteravond al zo, toen we dineerden met Judith Gera, het hoofd van de Vakgroep Nederlands. En ook nu, met Anikó, wandelend door Boeda met al die oude, pastelkleurige gebouwen om ons heen, dat zonnige uitzicht over Pest, die sfeer van toeristische vrede. Hier is die gekroond, daar is die vermoord, toen ging alles in vlammen op, toen is dit verwoest, toen dat, maar nu is dat allemaal voorbij. Maar er is veel niet voorbij. Ach, zegt iemand, we hebben altijd overal tussenin gezeten en zijn niet altijd de gelukkigste coalities aangegaan, en lacht daarbij wat verlegen, beschaamd misschien.

En inderdaad, er zijn zwarte bladzijden in het Hongaarse geschiedenisboek. Ik lees in de Budapest Week dat in de Tweede Wereldoorlog 600 duizend Hongaarse joden werden gedood door Duitse en Hongaarse nazi's. Van '45 tot '46, na de 'bevrijding' door de Russen, stierven en emigreerden er nog eens 60 duizend. Er zijn nog 80 duizend joden over. De joodse bezittingen die verloren gingen belopen circa 2 miljard, maar de mensen die daar recht op hebben zijn bang om het op te eisen, bang dat het antisemitisme weer zal oplaaien.

Eerdere pogingen daartoe stuitten op stormen van protest: als de joden compensatie zouden krijgen voor wat het fascisme hun had aangedaan, zou dat ook moeten gebeuren met de Hongaren die onder het communisme hebben geleden. Ik vraag: hoeveel betekent de 'opstand' van 1956 voor de Hongaren? Tja, het was een opstand met vele motieven: fascistische, idealistische, socialistische, liberale, voor iedereen betekende het iets anders. Wat betekent die Wende: was er opluchting, bevrijding, ach, enkele generaties lang leven onder, en ook mèt het sovjet-communisme heeft zijn sporen achtergelaten.

Het was een duidelijke, zekere wereld, immaterieel en materieel, en voor velen heeft '89 onduidelijkheid en onzekerheid gebracht: een wankele democratie zonder duidelijke spelregels, stijgende werkloosheid, toenemende inflatie, dalende koopkracht, een uitdijende zwarte markt, groeiende witte-boordencriminaliteit, afnemende sociale voorzieningen, etc. etc. Vrijheid van pers, van meningsuiting, van denken is een groot goed, maar als men van één baan niet kan leven, er eigenlijk minstens drie moet hebben, als men zijn spaarcenten en zijn pensioen ziet slinken tot ver onder het minimumbenodigde, men zijn dokter zonder steekpenningen niet tot handelen kan bewegen, ja, wat is dan de balans van de 'bevrijding'? Is het een wonder, dat dan reactionair, in sommige opzichten zelfs fascistisch nationalisme de kop opsteekt?

Dat neemt niet weg dat de sfeer in Boedapest in de straten, de cafés, de hotels, een heel andere is dan in St-Petersburg. Het kan toch niet alleen het mooiere weer zijn, dat dat verschil uitmaakt. Er wordt gepraat, gelachen, je wordt vriendelijk behandeld, het lijkt eigenlijk een heel normale wereld. Anikó komt uit Roemenië, het vroeger Hongaarse Transsylvanië. Haar hele familie woont daar nog. Voor haar is Hongarije een soort paradijs. Zo relatief is alles.

Wat voel ik, als ik dit lees en hoor? Geen superioriteit. Hoeveel zwarte bladzijden heeft mijn eigen land niet in zijn geschiedenis, hoe zou het mijn eigen volk zijn vergaan in midden-Europa?

Om vier uur moet ik dan optreden voor de studenten. Wij betreden een heel gewoon universitair gebouw, hetzelfde jeugdige geroezemoes als in Groningen, dezelfde prikborden, dezelfde gangen. Ongeveer twintig mensen kijken mij verwachtingsvol aan: wat heeft die man ons te vertellen. Alles is overigens door Judith Gera zorgvuldig voorbereid, enkele studenten hebben een paar gedichten vertaald en over die vertalingen zullen we het hebben. Vandaag is Jonge Sla aan de beurt.

Alles kan ik verdragen,

het verdorren van bonen,

stervende bloemen, het hoekje

aardappelen kan ik met droge ogen

zien rooien, daar ben ik

werkelijk hard in.

Maar jonge sla in september,

net geplant, slap nog,

in vochtige bedjes, nee.

Ik lees voor. Hier zit een man die zich groot houdt, die de dood van bonen, bloemen en aardappelen in de nazomer keihard onder ogen ziet, maar door de knieën gaat als hij teer, jong slaleven een onzekere toekomst tegemoet ziet gaan. Niemand vindt dat grappig. Het wekt alleen enige verbazing. Wat is daar voor bijzonders aan? Het is een gedicht, er moet dus wel iets aan de hand zijn, maar wat? De ironie dringt niet door. Het is niet duidelijk dat het om iets anders gaat dan bonen, bloemen, aardappelen en jonge sla, dat het drama in de moestuin staat voor een groter drama. Als ik het nu over het wurgen van een kip, het doodknuppelen van een konijn, het kelen van een varken zou hebben, ja dan zou men begrijpen dat er even tegen de tranen gevochten zou moeten worden. Dat vereist echte hardheid. Een te vroeg geboren lam in de winter zou dan, denk ik, meer teweegbrengen dan jonge sla. Maar ja, dan zou het voor mij niet ironisch meer zijn. Toch maar vertalen.

Jonge sla, die titel alleen al. Jong kan sla niet zijn. Het kan klein zijn, zwak, teer, broos, maar een leeftijd kan sla niet hebben, behalve in de zin van vers of nieuw (vergelijk: de nieuwe asperges zijn er weer!). De titel wordt Zwakke Sla. Ook met aardappelen is er een probleem. Thuis heten ze krümpli, in het restaurant bourgognacs. We kiezen voor de thuis-variant. Dan het seizoensprobleem, wanneer wordt sla nog geplant, wanneer eet je eigenlijk nog sla, in september geplant, wanneer is zo'n krop sla voor de consumptie gereed, problemen. Goed, toch maar september, dan krijgt het, in het gedicht althans, zijn laatste kans. Gelukkig wekt al dat gepraat over dit soort lulligheden wel flink wat hilariteit.

Tevreden vertrekken we met een clubje mensen naar het restaurant dat voor het communistische regime New York heette, tijdens dat regime Hungaria, en nu gewoon weer New York. Een ongelooflijk vreemde 'gelegenheid', volmaakte, zeer voorname kitsch, waarin men zich eigenlijk alleen in diep uitgesneden avondjurk en smoking een beetje normaal kan voelen, bij binnenkomst. Je bederft het sprookje met alles wat je aan hebt, maar wij zetten door en genieten een uitvoerige maaltijd. Zigeunermuziek omspoelt ons. Onvermijdelijk sluipen de muzikanten naar onze tafel. Ik vraag hun om nu eens alsjeblieft, alsjeblieft geen toeristische zigeunerversies van het Weense Walsje of de Amerikaanse Hit te spelen maar hun eigen muziek en dan graag zeer langzaam en zeer sentimenteel. Aber natürlich. Maar ze kunnen het niet meer, denk ik. Ergens jankt en jammert het nog wel, maar het blijft toch namaak antiek.

Gesprekken over de universiteit. Hoe de docenten gedwongen worden hun lesjes zo snel mogelijk af te draaien om zich daarna te kunnen storten op hun bijbaantjes. Je moet toch leven. Zo wordt het universitaire bedrijf als onderwijs en onderzoeksinstituut totaal uitgehold. De braindrain heeft grote vormen aangenomen. Alleen idealisten blijven. En niet te vergeten: de routiniers die het voor lief nemen.

Als we de Trabant van een docente hebben aangeduwd tot hij ronkend en dampend gereed staat, stappen wij in en worden wij naar ons hotel gereden, waar wij nog iets drinken, ik schat, iets ter waarde van een half weeksalaris van een academicus.

Vrijdag 19 april 1996.

Om 11.00 uur weer college. Nu is Weggaan aan de beurt. Grote opkomst, wel inmiddels bekende gezichten, bijna had ik geschreven: gezichtjes, want wat zijn die mensen jong.

Weggaan

Weggaan is iets anders

dan het huis uitsluipen

zacht de deur dichttrekken

achter je bestaan en niet

terugkeren. Je blijft

iemand op wie wordt gewacht.

Weggaan kun je beschrijven als

een soort van blijven. Niemand

wacht want je bent er nog.

Niemand neemt afscheid

want je gaat niet weg.

Twee jongens lezen haastig, verlegen en toonloos hun vertaling voor. Natuurlijk, wie gedichten vertaalt wordt met zijn eigen innerlijk geconfronteerd. Ik heb namelijk een stukje uit Het mechaniek van de ontroering voorgelezen, waarin ik betoog dat een tekst geen andere waarheid bevat dan die de lezer er uithaalt. Je kunt je dus niet afvragen als lezer wat de 'eigenlijke' bedoeling is van het gedicht, die er door de dichter in verstopt is. Het is geen cryptogram met één juiste uitkomst waarvoor je ¿ 25,- krijgt van de uitgever. Wie dan ook nog zijn eigen interpretatie voorleest is bang dat hij in zijn hemd kan komen te staan. 'Oh, dus jij leest er dàt in. Nou, daar heb ik gelukkig geen last van is zijn reactie. Maar ik heb de indruk dat het moedig gevonden wordt.

Er rijzen talrijke vragen: wat is de context die het gedicht oproept, ik bedoel, is het een wetenschappelijk of filosofisch betoog over het begrip weggaan voor een groter publiek, een onderdeel van een dialoog met één ander persoon, een overpeinzing van iemand over de betekenis van verlies, vertrek van een ander, van zichzelf, een overpeinzing in een dagboek waarbij de lezer over de schouder meeleest? Al die elementen zitten er in met alle implicaties van dien voor de vertaling.

Neem alleen al de titel, Weggaan, moet hier Weggaan als Het Weggaan worden gelezen of als weggaan, een werkwoord als andere: weggaan doe je, kun je doen, blijf je doen, etc. De eerste mogelijkheid verwijst naar het Handboek voor weggaan. Het tweede naar de wereld van alledag. 'Je kunt weggaan beschrijven', dat klinkt wetenschappelijk, dan is het weer meer Het weggaan, vooral als het om een soort van blijven gaat. Blijven heb je dus in soorten en één van die soorten is eigenaardig genoeg weggaan. Ironie.

Dan is er het probleem van de je, wie is dat. Is dat een u, een jij, een men, een ik. Ten slotte: wat is bestaan? Is dat het leven in het algemeen, onbegrensd of het leven dat zich uitstrekt van geboorte tot dood, heeft het een inhoud: is het je werk, je gezin, je vriendenkring. Hoe moet: 'je bent er nog' worden opgevat. Er nog zijn. Wat is dat? Je leeft nog, je neemt nog deel aan mijn, uw, het bestaan?

Het aardige van het Nederlands is dat die mogelijkheden er allemaal zijn, terwijl er in het Hongaars toch telkens beslissingen moeten worden genomen, die tot eindeloze discussie leiden. Welke er genomen worden ontgaat me. Want dat is ook zo'n eigenaardige kwestie. Als ik vraag: wat staat er nu als je het Hongaars terugvertaalt naar het Nederlands, dan komt er iets zeer kreupels voor mijn oren, maar misschien is het wel iets heel aardigs in de hunne. Na afloop komt er een jongen naar me toe en zegt hoe intens hij genoten heeft. Mijn taak zit er op.

We wandelen die middag door het nabijgelegen park van Boedapest. Het is warm, alles loopt uit. Er hangt een lichtgroen licht over alles, daarin lopen moeders met kinderen, spelende honden, jeugdige verliefden. Op het terras van een knalrode Coca-Cola-optrek drinken we een pilsje. In de verte gromt de stad.

's Avonds naar de opera met Birgit en Judith. De Fidelio van Beethoven. Ik kan er niet aan wennen. Fidelio komt haar man uit een sombere kerker bevrijden van zijn ketenen. Maar alvorens dit te doen, moet zij toch nog even zingen. Ik begrijp dat muziek en poëzie onze emoties kunnen verhevigen, maar als er een plaatje bij wordt getoond moet je m.i. je ogen dicht doen. Dat doe ik dan ook maar. In de pauze zie ik in welk een schitterend gebouw ik zit. Koffie op het terras van de foyer. Aan onze voeten, in de diepte en zo ver als je kijkt de stad, de echte wereld waar wij even, als voorname elite aan ontstegen zijn.

In de nacht, op de stoep van een restaurant dankbaar afscheid van Judith.

Zaterdag 20 april 1996.

Vrij! We gaan met Birgit, haar zoontje Leo en Kriszta Törö, een studente, naar het Beelden Park. Met de tram naar een buitenwijk van Boedapest. We staan op een vervuild plein tussen vervuilde woonkazernes te wachten op een bus. Dit is het ware gezicht van Boedapest: armoe, verval, treurnis. De bus zal ons buiten de stad brengen naar het park. Langzaam gaat de stad over in een gigantisch dorp. Huisjes, tuintjes, schuurtjes, lapjes grond, een eindeloze landelijkheid die zijn landelijkheid verloren heeft: armoe, tomeloze vervuiling, droevige torenflats hebben dit dorp met succes kapot gemakt. Alleen het uitbundige bloeien van de laatste kersebomen heeft men niet kunnen tegenhouden.

Uiteindelijk komen we ergens ver weg op een van de merkwaardigste plekken aan die ik ooit heb gezien. We staan voor een enorme façade met toegangspoort, zo hoog ongeveer als de schouwburg aan het Leidseplein. De façade heeft de karakteristieke elementen van het socialistisch realisme, waarmee de illusie moet worden gewekt dat dit realisme de echte opvolger is van de klassieke cultuur. In een paar uitsparingen staan beelden van vier meter hoogte van Lenin, Marx en Engels. Achter deze façade bevindt zich niets, niets dan een grasveld ter grootte van een voetbalveld. Op het grasveld ziet men overal gigantische standbeelden in kringen geschaard, het zijn de standbeelden die de stad sierden in de communistische periode, de 'bewijzen' van het gelijk van de socialistische ideologie: de Hongaarse arbeider die de Russische soldaat krachtig de hand schudt, bij de 'bevrijding' van Boedapest in 1945 (2,5 meter), alweer een arbeider en een soldaat: ter herinnering aan de heroïek van de Sovjet-Unie (2,6 meter), een hollende man die met een vlag 'te wapen' roept tegen buitenlandse 'interventionisten' (9,5 meter), het Monument voor de Martelaren, dat wil zeggen de communistische slachtoffers van de opstand van 1956 (6,6 meter), enz. enz.

Een lichte walging valt nauwelijks te vermijden. Niet alleen de verpletterende afmetingen waaruit een soort primitieve gedachte blijkt dat de omvang evenredig is met de waarheid, dat tegenspraak zinloos en gevaarlijk is, ook, en misschien meer nog is het de absolute eenduidigheid, het totale gebrek aan artisticiteit, het volmaakt platte, poëzie-albumachtige, soms bijna 'vieze' realisme, dat de maag van streek brengt. Hoe verwant is het aan het realisme van het fascisme, diezelfde leugenachtige simpelheid. Ook lachbuien zijn overigens niet makkelijk te onderdrukken, zoals je uitbundig kunt lachen bij een sick joke: al die helden op dat stukje gras.

Al deze beelden bewezen dus geen gelijk. In '89 wilde iedereen ze weg hebben en sommige werden door de burgerij dan ook omgetrokken. Het is een literatuur-historicus geweest, Lászlo Szörényi, die voorstelde deze beelden te bewaren en na heel veel politiek geharrewar is daartoe in 1991 besloten. Het lijkt me een zeer goede beslissing. Bewaren, tonen is beter dan vernietigen en verbergen.

Het is voor ons een verwarrende ervaring te zien, wat je eigenlijk niet meer wilt zien. En het wordt nog verwarrender als we Kriszta daarover spreken. Wat vindt ze daar nu van. Het is voor haar de eerste keer dat ze die beelden weer terug ziet. 'Ach', zegt ze, 'ik was een kind, ik was gewoon, net als iedereen lid van de jonge Pioniers, dat was eigenljk best leuk soms. En sommige beelden mis ik wel een beetje. Zo'n man met een vlag, als we uit waren geweest en we zagen op de terugweg in de verte die man, dan dachten we: we zijn bijna weer thuis. Maar aan de andere kant ben ik blij dat ze weg zijn.' En wat zouden Hongaren van onze leeftijd hierbij denken en voelen? Voor zover we kunnen nagaan uit gesprekken is er ook in hun zielen verwarring. Wat blijft in 45 jaar vijandig, wat wordt vertrouwd?

's Avonds gaan we met Anikó naar een lokaal waar oude volksmuziek wordt gemaakt. Vanavond is het muziek uit haar geboortestreek Transsylvanië. We lopen door smalle straatjes in de buurt rondom ons hotel. Achter de façade van de redelijk welvarende winkelstraten en boulevards huist nog het verleden. Verval, onbewoonbare huizen, kogelgaten, in iedere straat is het oorlog geweest, iedere straat moest worden bevrijd, veroverd, bevrijd en veroverd. We komen in een grauw gebouw met volgens Anikó die typisch idealistisch socialistische sfeer, en inderdaad, hier moet in deze kale ruimten veel vergaderd zijn om de weg naar dat morgenrood in kaart te brengen. Het doet denken aan onze 'arbeideristische' vergaderlokalen uit onze jaren zestig.

We blijken in een volksdanscursus terechtgekomen te zijn. De zaal is bomvol jongelui die vol overgave Czardasz-danspassen instuderen. Niet alleen aan Anikó, aan al die jongens en meisjes zie je dat dit leéét. Dit lijkt niet het wat mallotige krampachtige in stand houden van onze klompendans, dit lijkt echt zoeken naar houvast in traditionele identiteit of zoiets. Zoeken naar wat er overgebleven is na al die chaos. Maar wat weten wij ervan, en wat er in die zielen huist aan verlangen, protest, romantische of realistische dromen?

We brengen Anikó naar de metro. Omhelzen haar. Daar gaat ze, de Hongaarse grond in.

Rutger Kopland

Volgende week deel 2 van deze reis.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden