Zwakke minister kan juridisch gelijk hebben

Rita Verdonk toonde zich deze week dom, slap en onbetrouwbaar. Maar dat wil niet zeggen dat ze juridisch ongelijk had....

Ronald Plasterk

Dom was het om een hele avond te zeggen dat Ayaan nooit Nederlander is geweest, en op de vraag of ze de komende zes weken nog Nederlander is ‘ja’ te antwoorden. Als ze het standpunt had gesnapt dat ambtenaren haar hadden uitgelegd, had ze moeten zeggen: ‘Ze is geen Nederlander, maar de komende zes weken zullen we daar geen consequenties aan verbinden’.

Politiek oliedom was het dat ze zich op zo’n politiek geladen kwestie niet vergewiste van de steun van premier en vice-premier. Een domheid die haar het ministerschap kan gaan kosten, is het triomfalistische optreden in Netwerk en NOVA de avond na het debat. Daar sloeg Verdonk publicitair gewin uit een kwestie waarmee ze kabinet en Tweede Kamer door haar onhandigheid in grote verlegenheid heeft gebracht; en passant versterkte ze de indruk dat haar overhaaste behandeling van Ayaan was ingegeven door campagnemotieven. Dit vraagt erom dat Kamer en kabinet haar de wacht aanzeggen (en Balkenende en Zalm beginnen daarmee door haar op het matje te roepen).

Onbetrouwbaar was dat ze op vrijdag zei dat Ayaan ‘niets te vrezen had’, terwijl ze wist dat ze bezig was met een procedure die haar de Kamerzetel zou kosten.

Bovenal was het slap. Als je de hele avond betoogt dat je geen ruimte hebt voor enige overweging, en de Kamer neemt een motie aan dat je moet heroverwegen, dan kun je maar één ding zeggen: dames en heren, deze motie is onuitvoerbaar. Deze minister bleek bereid alles te accepteren, zolang er maar een termijn van zes weken aan zit, want over twee weken sluiten de VVD-stembussen.

Alles overziend moet de conclusie zijn dat Verdonk wel erg licht is voor het ministerschap. Maar daarmee is niet gezegd dat de positie onjuist was die de minister innam op het springende punt in het debat: had ze anders kunnen beslissen, gegeven de wet en de interpretatie daarvan door de Hoge Raad?

Nog vorig jaar is een Iraaksefamilie uitgewezen om het enkele feit dat ze een verkeerde naam had opgegeven. Volgens de Hoge Raad betekent dit dat hun nooit het Nederlanderschap is toegekend. Dat er geen misverstand is over de identiteit van die mensen doet hier volgens het arrest nadrukkelijk niet aan af. Toen dit arrest een half jaar geleden verscheen, heeft de Tweede Kamer, inclusief de VVD-fractie (waarin Ayaan), daarin geen reden gezien de wet aan te passen, dus moet het gelden als door de Kamer acceptabel geacht beleid.

Nu beroepen Kamerleden zich op de zinsnede dat er uitzonderingen kunnen zijn. Maar dan is het belangrijk dat we hier niet praten over een besluit tot intrekken van het Nederlanderschap (daarbij hadden diverse argumenten meegewogen kunnen worden), maar over de vraag of er volgens de geldende jurisprudentie in 1997 een geldig naturalisatiebesluit is genomen. Bij die beoordeling kunnen natuurlijk alleen die uitzonderlijke situaties een rol spelen die golden in 1997 toen het Nederlanderschap is verleend.

Dus alle mooie en sympathieke en feitelijk juiste argumenten uit de Kamer (dat Ayaan zo’n belangrijk Kamerlid is, dat we internationaal een modderfiguur slaan), kunnen nooit met terugwerkende kracht betrekking hebben op de beoordeling of in 1997 ten onrechte het Nederlanderschap is verleend. Ik heb eerlijk gezegd in het Kamerdebat niemand een argument horen noemen dat de beoordeling van Ayaan in 1997 uitzonderlijk maakte ten opzichte van vergelijkbare gevallen.

De Tweede Kamer was geschokt, verdrietig en ontdaan. Maar dat waren de schoolklassen ook waar de kinderen in zaten die met de volledige instemming van de Tweede Kamer zijn uitgewezen.

Het zou kunnen, en wat mij betreft zou het wenselijk zijn, dat de Kamer, nu de effecten van haar eigen wetgeving van dichtbij zichtbaar worden, vindt dat de wet onredelijk hard is. Dan zou dat een reden kunnen zijn tot een snelle wettelijke ingreep die de observatie van Verdonk dat Ayaan nooit Nederlander geweest is alsnog ongedaan maakt, maar dan geldt die herziening voor alle gelijke gevallen, zoals die Iraakse familie van vorig jaar.

Dit is de juridische situatie, en die is inderdaad glashelder. Het zou schitterend zijn als de minister, nu onder toezicht gesteld van de minister-president, een slimme redenering zou verzinnen waarom het Nederlanderschap dat aan Ayaan is verleend toch geldig blijkt, maar altijd zal men dan langs diezelfde lat alle andere gevallen moeten beoordelen.

De positie van de linkerhelft van de Kamer is dat dit voorbeeld aantoont dat de wet op dit punt onwenselijk streng is. De positie van Verdonk en Nawijn is dat dit voorbeeld het onvermijdelijke gevolg is van een wenselijke wet. Beide posities zijn consistent. De rechterhelft van de Kamer wekt echter de indruk dat men zich voorstander toont van een strenge wet, maar terugschrikt als een eigen collega daar slachtoffer van wordt.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden