ZUSTERS VAN VER

Kort na de Tweede Wereldoorlog was er zo'n nijpend tekort aan ziekenhuispersoneel, dat honderden Surinaamse verpleegsters hier met open armen werden ontvangen....

Door Toine Heijmans

Buitenlandse verpleegkundigen zijn geen modern fenomeen in Nederland. De laatste jaren woedt een discussie over het importeren van personeel uit Zuid-Afrika, de Filipijnen, Polen, Indonesië – maar dat gebeurde ook al in de jaren vijftig. Tientallen meisjes uit Suriname werden naar Nederland gehaald, want de Nederlandse verpleegsters wilden niet in Nederland werken. Die vertrokken liever naar Engeland, waar het leven avontuurlijker was, het werk minder zwaar en beter betaald.

Het tekort was nijpend. Minister van Sociale Zaken Drees hield herfst 1945 een radiotoespraak om Nederlandse vrouwen tot de verpleegkunde te roepen en dat hielp – maar niet genoeg. Het Nederlandsche Volk vraagt verpleegsters NU!, was de titel van een begeleidende brochure. Dat maakte uiteindelijk halfweg de jaren vijftig de weg vrij voor de komst van Surinaamse meisjes, die in Nederland hun opleiding kregen en daar vaak ook zijn blijven wonen. Sommigen kwamen alleen, de meesten gezamenlijk in groepen.

Nederlandse ziekenhuizen adverteerden onder meer in Surinaamse kranten ('kom over en help ons!'), met in het achterhoofd de gedachte dat het opleiden van de Surinaamse zusters later ook goed zou blijken voor dat land zelf. Kort na de Tweede Wereldoorlog was er zo'n nijpend tekort aan ziekenhuispersoneel, dat honderden Surinaamse verpleegsters hier met open armen werden ontvangen.

In het boek 'Zusters uit Suriname' zijn hun verhalen vastgelegd. Eén van hen was Jos Herfst, die in 1956 uit Paramaribo kwam. 'Hoe komt het dat jij zo goed Nederlands spreekt?' Ze wilde verpleegster worden; aan het sterfbed van haar vader had ze dat bedacht. Meisje van dertien. Vader stierf in het ziekenhuis van Paramaribo – geen verzorging in de buurt. Het zat op haar hart, dat vak van verzorgen, maar naar zusters was weinig vraag in Suriname dus om de opleiding te volgen, moest je geluk hebben.

Kreeg ze van een kennis de Margriet te lezen en daarin stonden de advertenties. Nederland had zusters nodig, na de oorlog, en bood de meisjes in Suriname een opleiding aan. Dus daar ging ze: tweeënhalve week over de oceaan op een vrachtschip vol bauxiet, net als Phine Plak die eenzelfde toekomst zocht als zij.

1956 Was een koude winter en Dordrecht zag er vies uit. Jos Herfst, 1957. Vol steenkolen. Is dit de haven van Nederland, had ze zich afgevraagd. Nederland werd opgehemeld in Suriname hoor, ze had er alles over geleerd: Nederland daar hapert niks aan. Stond ze op de kade in het mooie zomer-mantelpakje, kreeg ze van de douaneman die in een barak zijn kantoortje had een jas. Anders word je nog ziek, had hij gezegd.

Psychiatrisch ziekenhuis Maasoord te Poortugaal – het zei haar niet zoveel. Maar een paar dagen later al kon ze aan de slag! Stond ze in het witte jurkje aan een bed. Ze vonden het zielig; zo'n jong meisje in het kouwe kikkerland. Wat kom je doen, zeiden ze, het is hier koud! Kon wel zijn, maar de mensen waren warm genoeg. Maakte ze kennis met broeder Kemper, mocht ze bij hem thuis komen eten. Hem en tante Janny, zijn vrouw, Groningers eigenlijk, maar niet stug van hart. Ze aten piepers die ze rooiden op een eigen veldje, en Jos Herfst rooide mee. Dat ze mee aan tafel mocht was bijzonder. Hollanders telden de piepers uit; Surinamers kookten voor wie er maar mee wilde eten. Dat was wel wennen ja.

Het eten ook hoor, dat nog het meest. Zei ze tegen die lieve tante Janny, die schat: sla is voor konijnen. Hadden ze lol! Zoveel lieve Nederlandse mensen in die tijd. Dan had je de familie Telgt. Dan had je Alfred Stempels en zijn vrouw Mies, die haar verzorgden toen ze ziek was, die haar gewoon meenamen naar hun huis aan de Statensingel.

Knap hoor, zeiden ze, dat je helemaal uit de tropen naar ons toekomt, zo ver van huis. De tropen, dachten ze, dat moest wel Indonesië zijn. De meeste Nederlanders dachten: ze is zwart, dus moest ze wel van Indonesië zijn. Meisjes uit Suriname wisten alles van Nederland, maar wat wisten de Nederlanders van Suriname, in 1956? Niet eens in welk werelddeel het lag! Hoe kan het toch dat je zo goed Nederlands spreekt, vroegen ze. En hoe kom je zo zwart? Geef je soms af?

Nu heeft ze het er nog wel over met collega's van toen – liggen ze weer dubbel. Ze waren met z'n allen één in die tijd, de Surinaamse zusters: als er één verdriet had, ziek werd, waren ze er voor elkaar. Als er één een doos uit Suriname kreeg dan was het feest. Dan was het koken! Rijst met bruine bonen of pom. In Nederland was geen goede rijst te krijgen toen.

Een mooi stel zelfstandige meiden waren ze, voor die tijd zeker. Jonge meiden – je nam je kans. Je nam het avontuur. Lelijke verhalen gingen door Paramaribo over wat er gebeuren zou als je naar Nederland trok. Daar ging je rare dingen doen. Maar Surinaamse meiden zijn goed opgevoed! Het was niet gemakkelijk hoor, ze heeft haar moeder gemist, haar jongste broer. Maar Surinaamse zusters zijn geen klagers hè.

Dit was de bedoeling: een opleiding in Nederland en dan naar huis om het land weer op te bouwen. Jouw land, daar ligt nog steeds je hart. Maar dan gaat het zo dat je trouwt en kinderen krijgt en dan blijf je. Dan word je vanzelf heel Nederlands.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden