Zullen we er ooit nog zo één krijgen?

Voor de sport is Pieter van den Hoogenband niet verloren, maar als winnaar zal hij zeer worden gemist...

peking Hij liep donderdag voor het laatst – en met lege handen – het olympische zwembad uit. Nog een zwaai en een lach, en toen was hij weg. Voor Pieter van den Hoogenband, drievoudig olympisch kampioen, rest een fraaie plaats in de historie.

Hij laat het zwembad, door hem immer betiteld als een grote klotsbak vol water, achter zich, maar de sport zal hij zeker niet verlaten. Hij heeft zijn leven gewijd aan de olympische sport, dat verandert niet met het uittrekken van zijn zwembroek.

Van den Hoogenband is een begrip in Nederland. Hij is een sportman die staat voor internationale statuur, voor uiterste professionaliteit en eerzucht voorbij het onmogelijke. Hij gold als on-Nederlands goed.

Hij was de jongen die in 1996, na twee vierde plaatsen in het olympische zwemtoernooi van Atlanta, de zwemsport al weer wilde verlaten. Snel verveeld, gauw uitgekeken, een puber om een draai om de oren te geven. Hij zei onlangs die Pieter niet erg gewaardeerd te hebben. ‘Een sportmannetje in de dop dat liep te klooien met zijn talent.’

Talent had Van den Hoogenband, hij had een uniek gestroomlijnd lijf en een paar longen als blaasbalgen. En door zijn toewijding werd hij de voorbeeldfiguur zoals de Nederlandse sport die niet vaak kende. Hij had wel voetballer willen worden, bij zijn geliefde PSV. En hockey vond hij niet leuk.

Zo werd het, door moeders verleden, zwemmen, een van de drie grote sporten van de Olympische Zomerspelen. Het was een sport, waarin Nederland slechts een verleden had bij de vrouwen. Die lijn liep van Zus Braun via Rie Mastenbroek en Nel van Vliet tot Ada Kok.

Bij de mannen had Nederland nooit meegeteld. Zoals Nederlanders in die andere grote olympische moedersporten atletiek en turnen, op een toevalstreffer na, ook nooit iets hebben betekend in de moderne tijd. Van den Hoogenband gaf wel betekenis aan zijn sport.

Hij was er verantwoordelijk voor dat bij de allerbelangrijkste toernooien, de Olympische Spelen, zijn naam op de hoogste lijnen van het scorebord verscheen. Dat er werd nagedacht over waar dat ‘NED’ toch voor stond. Hij bewerkstelligde dat Engelstalige kranten gingen schrijven over Pieter the Great.

Hij maakte, met tijd- en sportgenoot Inge de Bruijn, dat de Spelen voor Nederland meer werden dan een hockeytoernooi met verrassingen in het roeiwater, op de wielerbaan en op de judomat. Nederland werd zich bewust van de mogelijkheid een rol te spelen op het hoogste olympische niveau, het meestal door Amerikanen, Australiërs en Russen gedomineerde zwemmen.

Niet geheel toevallig werd Pieter van den Hoogenband het rolmodel in een tijd, waarin Nederland het gekozen conservatisme in de sport trachtte te verlaten en gedachten begon te ontwikkelen hoe op een slimme manier een hoge positie in de topsport bereikt zou kunnen worden.

Streven naar iets hoogs – tot dan voorbehouden aan een individu of een sterke club – werd een adagium. Toptien van de wereld gold plots als doel. Zelfs het kabinet-Balkenende vond het twee jaar geleden nodig een plaats bij de beste tien sportlanden van de wereld als rijksdoelstelling te formuleren.

Veelal werd daarbij aan Van den Hoogenband gerefereerd als de Nederlandse jongen uit de straat die het onmogelijke had waargemaakt, in een sport waarin we ons nooit zo goed waanden als in voetbal en schaatsen. De zwemmer maakte ook duidelijk dat er offers gebracht moesten worden.

In Peking vertelde hij een jaar lang geen verjaardagsfeesten bezocht te hebben, een jaar alle cadeau gekregen concertkaartjes te hebben weggegeven. Hij zei met een lach maar één keer zijn favoriete voetbalclub PSV te hebben bezocht en altijd op zondag rust te hebben gehouden. Om zijn in 2005 geopereerde rug een dag herstel van zware training te gunnen.

Die instelling – het uiterste geven, weg uit de comfort zone, bereid tot pijn lijden – gaf Van den Hoogenband als voorbeeld aan zijn eigen sport. Die heeft nog dagelijks moeite die houding te kopiëren. In de voorbereiding in Hongkong gaf Van den Hoogenband talent Nick Driebergen de volle laag. Het joch zei zich moeilijk te kunnen motiveren. Dat had hij beter niet kunnen doen.

Pieter van den Hoogenband was leider van een zwemland. Hij wordt, als het aan hemzelf ligt, meer dan de ambassadeur van zijn sport in Nederland. Hij wil zijn kennis en ervaring in dienst stellen van de totale sport. Hij wil een platform creëren om van Nederlandse sporters slimme, inventieve sportmensen te maken en hen tot ware olympiërs op te voeden.

Want hij was met zijn trouw en toewijding een olympiër, iemand die de sport in zijn hart droeg. Hij leerde Nederland olympisch te denken. Maar hij was vooral de uitblinker bij wie je denkt: zullen we er ooit nog zo één krijgen?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden