Zuid-Afrika ontdekt de zwarte doden van de Boerenoorlog

Honderd jaar geleden vochten Britten en Hollandse Boeren in Zuid-Afrika hun strijd om de hegemonie uit. Beide partijen gebruikten heimelijk de zwarten als huurlingen....

Allemans Kamp was bijna honderd jaar onzichtbaar, in de dorre uitgestrekte velden van de Vrijstaat bij Bloemfontein. Tot vorig jaar, toen tussen het gras aan de voet van een heuvel stapeltjes stenen werden aangetroffen. 638 in totaal, in lange rijen. Toen werd het duidelijk: dit moet de begraafplaats zijn geweest van Allemans Kamp, een concentratiekamp voor zwarten uit de Boerenoorlog.

Zwarte massagraven? Het was toch een white man's war, waarin alleen de gezinnen van de blanke Afrikaner boeren gruwelijk zwaar te lijden hadden?

Wat er met de zwarte bevolking gebeurde in de tweeëneenhalf jaar dat het Britse koloniale leger en de bebaarde boerencommando's van de Oranje Vrijstaat en de Transvaal elkaar bevochten is lang tijd verborgen geweest. Hun lot deed er vroeger niet toe. Maar in het nieuwe Zuid-Afrika heeft de nationale geschiedschrijving een herkansing gekregen.

Nu de honderdjarige herdenking van de Boerenoorlog voor de deur staat - de oorlog begon op 9 oktober 1899 - is de aandacht voor de rol van zwarten in het conflict sterk gegroeid. Veel Zuid-Afrikanen beginnen nu pas te beseffen dat een oude mythe niet klopt.

De onder de apartheid zo gekoesterde heroïsche Boerenoorlog was in werkelijkheid een Zuid-Afrikaanse burgeroorlog: een oorlog waarin zwarten en kleurlingen evenzeer meevochten en slachtoffer waren.

Vergeten locaties als Allemans Kamp die nu eindelijk ook een monument voor de doden krijgen, tonen dat er niet alleen vele duizenden blanke vrouwen en kinderen zijn omgekomen door het schrijnende gebrek aan medische zorg in de Britse concentratiekampen. De ziekte en ondervoeding sloegen minstens zo hard toe in tientallen andere oorden, waar alleen zwarten waren opgesloten.

Voor hen hadden Britten niet eens tenten, de 'natives' moesten maar hutjes van gras maken.

Voor vele burgers van het nieuwe Zuid-Afrika is het een even grote verrassing te vernemen hoe groot de rol van zwarten in de oorlogsinspanning was. Hoewel het uit oude geschriften wel bekend was, werd het lange tijd weggemoffeld.

'De troepen van U Edele gebruiken Kaffers en Kleurlingen, tegen mijn Burghers', schrijft een verbolgen boerengeneraal Christiaan de Wet al vroeg in de oorlog aan zijn tegenstrever Kitchener. 'Hiertegen moet ik namens de Republiek ernstig bezwaar maken. Ik verzoek U dan ook, Commandant van Zijne Majesteits troepen, alle bewapende inboorlingen over de grens te zetten.'

'Ik moet U erop wijzen', repliceert Kitchener, 'dat talloze malen gewapende Inboorlingen zijn aangetroffen in de gelederen der Burghers, vooral bij de eenheid van Generaal Beyers.'

Officieel proberen beide partijen zoveel mogelijk te verhelen dat ze steunden op zwarte hulptroepen, omdat dit volgens de rassenwaan van die tijd niet aanvaardbaar was. Boeren en Britten tonen daarbij een ongekende schijnheiligheid. 'Het gebruik van gekleurde troepen zou monstrueus en onverdedigbaar zijn', meldt het Britse War Office in Londen in 1900. Boerenpresident Paul Kruger vreest dat het 'de mensheid zou schokken'.

De boerenregering vraagt dan ook de vertegenwoordiger van de bevriende Nederlandse regering in Pretoria om in Engeland krachtig te protesteren: 'Het is U bekend dat Kaffers, eenmaal tot moorden van blanken aangezet, geen onderscheid van nationaliteit maken' - en Nederland voldoet graag aan het verzoek.

Want stel je voor, blanken die andere blanken door zwarten laten doden. Het zou een levensgevaarlijk precedent scheppen: de zwarte man zou het idee kunnen krijgen dat hij niet langer minderwaardig is aan een blanke.

En denk eens aan de gruwelijkheden die deze 'onbeskaafdes' zouden begaan, het verminken en vermoorden van gewonden, vrouwen en kinderen. Het prestige, de superioriteit van alle Europeanen in Afrika en andere koloniale territoria was in het geding!

Op het strijdtoneel leunen beide partijen niettemin stilletjes steeds meer op zwarte hulptroepen. De Boeren gebruiken vele duizenden zwarten als 'agterryers' voor het knechtenwerk achter de linies. Ze weigeren echter angstvallig hen wapens te geven, in de rotsvaste overtuiging dat zwarte soldaten zich tegen de boeren zullen keren vanwege 'die natuurlike vyandiggesindheid tussen blank en niet-blank'.

De Boerenleiders hopen liever op steun van stamverwanten uit Europa. Die blijft echter beperkt tot amper tweeduizend vrijwilligers, voornamelijk uit Nederland (het 'Hollanderkorps'), Duitsland, Skandinavië, en zelfs een aantal Russen en Italianen.

Het Britse leger gaat pragmatischer te werk. Generaal Kitchener moet na een jaar oorlog in reactie op vragen uit het parlement in Londen rapporteren dat ruim tienduizend 'Kaapse Kleurlingen en Inboorlingen' aan Britse zijde meedoen. De duizenden zwarte bewakers die zijn leger inschakelt in de linies van bunkers die de aanvoerlijnen beschermen tegen overvallen van Boeren-commando's zijn bewapend, zo schrijft hij, omdat 'de Boeren inboorlingen zonder pardon hebben afgeschoten'.

Ook in Zululand leunen de Britten zwaar op de Afrikanen. Er is een Zulu-politie-eenheid, en de impi's - de angstaanjagende krijgergroepen van de Zulu's - voeren bloedige aanvallen uit op de Boeren en hun gezinnen. 'Een zeker deel der inboorlingen, van wier betrouwbaarheid ik geheel zeker ben, is bewapend met geweren om het gezag van de Koningin te helpen handhaven', meldt generaal Milner aan Joseph Chamberlain, de toenmalige Britse minister van Koloniën.

Met de Xhosa's gaat het Britse koloniale leger eveneens een gelegenheidsverbond aan. Sommige Xhosa-chiefs moedigen hun jonge mannen aan om de Britten te helpen en de Xhosa staan hun mannetje naast de Britse roodhemden. Dat blijkt bijvoorbeeld in Molteno, waar een gemengde eenheid door de Boeren wordt omsingeld. Hoewel ze onder zwaar kanon- en geweervuur liggen, drijven de 146 Britten en 86 Xhosa's de vijand weg.

De steun van Afrikanen aan het Britse leger is een weloverwogen keuze. Zwarte leiders hopen dat ze op die manier na de oorlog meer rechten en land zullen krijgen. Maar, zoals de Britse historicus Peter Warwick in 1982 in zijn baanbrekende boek Black people and the South African war concludeert, ze komen bedrogen uit.

Het Britse rijk is er alleen op uit de koloniale greep op de rijke goudvelden in de rebelse Boerenrepublieken te herstellen, maar niet om de zwarte emancipatie te bevorderen. Na afloop van de oorlog moeten de zwarten gewoon weer terug in hun hok.

In de oorlogsmemoires van Solomon Tshekisho Plaatje is de teleurstelling al voelbaar. Plaatje houdt als jonge gerechtstolk van Mafikeng een dagboek bij van het beleg door de boeren van dit stadje in het uiterste noorden van het land.

De belegering van Mafikeng duurt zeven maanden, en zonder de steun van zwarte hulptroepen zouden de Engelsen het volgens de meeste deskundigen niet hebben gered.

Het dagboek, dat pas in 1973 werd gepubliceerd, geeft weer hoe Robert Baden-Powell, de omstreden militaire commandant van Mafikeng, dankbaar gebruik heeft gemaakt van zwarte hulptroepen. Hij beschikt over de 'Cape Coloured Boys', een eenheid Kaapse kleurlingen, en recruteert onder meer ook manschappen bij de lokale stam van de Tshidi-Barolong. De Barolong-krijgers stelen het vee van de Boeren en zij worden gebruikt als verkenners en op wachtposten.

Plaatje registreert ook hoe Baden-Powell zijn Afrikaanse geallieerden behandelt: de zwarten in in de belegerde stad krijgen geen vlees te eten en zeker duizend van hen sterven gedurende het beleg aan ondervoeding.

'Het eten dat we krijgen is voor een normaal mens te weinig om te overleven', noteert hij bitter. Over de bloedbaden die het zware geschut van de Boeren aanricht, zegt hij: 'Ik ben er zeker van dat er straks alleen nog maar mensen zonder armen en benen over zijn die dit beleg kunnen navertellen als de slachting in dit tempo doorgaat'.

Op 31 mei 1902 wordt in Vereeniging de vrede getekend. De Boeren hebben geen andere keuze: hun vrije republieken zijn praktisch geheel ingestort. Een laatste slachting bij Holkrans, waar de Zulu's 56 boeren van het Vryheidscommando doden, trekt twijfelaars over de streep. En meer zwarte dreiging hangt boven de laatste Boerenvesten.

'In slechts een deel van het land, in Zoutpansberg, is nog voedsel voor handen', houdt Boerengeneraal Louis Botha zijn medestrijders in Vereeniging voor. 'Maar hoe leggen we er beslag op. We zouden het moeten afnemen, en zo krijgen we nog meer vijanden.

'Onze veiligheid in Zoutpansberg is afhankelijk van de kaffers: die waren tot dusverre verdeeld. Maar als de Britten dit gebied binnen gaan zullen de kaffers zich bij hen aansluiten.'

Maar het zijn de blanke Boeren, de vijand dus, die na de oorlog compensatie krijgen. Zij worden als volwaardige burgers opgenomen in de nieuwe Unie van Zuid-Afrika. Sol Plaatje moet constateren dat de perfide Britten eenvoudig de oude rassenverhoudingen weer herstellen. De zwarten blijven knechten zonder rechten.

Plaatje, die tien jaar na de oorlog een van de oprichters is van het South African Native National Congres, de voorloper van het ANC, gaat nog naar Londen om te pleiten voor een betere behandeling van de zwarte bevolking. Maar alle inspanningen zijn tevergeefs.

'Wat moeten de gevoelens zijn van deze mensen', schrijft hij over het zwarte lot, 'nu is besloten dat hun zonen en dochters geen rechten hebben in het land waarvoor zij gebloed hebben'.

Een andere zwarte veteraan van Mafikeng, Silas Molema, maakt in 1920 de balans op. 'Het is een feit dat de positie van de Bantu na de Zuid-Afrikaanse Oorlog is slechter dan ervoor. Hun omstandigheden zijn ieder jaar achteruitgegaan, hun rechten, nooit talrijk of indrukwekkend, zijn systematisch verder ingeperkt. De toekomst ziet er donker en akelig uit.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden